De Ommekeer deel 12

De Ommekeer deel 12

Na een week krijgt Jean last van zijn rug en voeten. Chien ook, want de zwarte kussentjes onder zijn poten hebben rode slijtplekken. Jean overdenkt wat hij moet doen, rust nemen of kleinere afstanden lopen. Hij besluit tot kleinere afstanden. Zonder de regelmaat van werk en weekend raakt hij elk gevoel voor tijd kwijt. Alleen het verschil in dag en nacht speelt een rol in zijn tocht. De afspraak met zijn vader over het opbellen, is wel altijd in zijn gedachten. Na een beetje rekenen weet hij dat het zondag is, de dag om zijn ouders te bellen. Door het denken hieraan voelt hij zich depressief worden. Was ik maar echt van die klif gesprongen denkt hij. Chien voelt de stemming van zijn baas feilloos aan, hij probeert hem met clownachtig gedrag zoals rondjes rennen, op te beuren; niets helpt. Rustig gaat hij tussen de benen van Jean zitten.

Jean stopt met vechten tegen de depressie. Hij gaat dieper in een wereld, waar geen kleur of geur aanwezig is. Het landschap verandert van een mooi bos in een zwart-witte hel. Hier heerst de dood. Hij voelt een fysieke pijn in zijn hele lichaam. De pijn in zijn borst is het meest beangstigend, maar geeft tegelijkertijd iets van geruststelling, want hij zal sterven aan een hartinfarct. Chien laat zijn oren nog verder zakken dan ze al doen. Urenlang zweeft Jean door deze hel in zijn gedachten. Nergens is iets van hoop op verandering te bekennen. De pijn in zijn borst verandert in een verschrikkelijke hoofdpijn. Jammer, nu krijg ik toch geen hartaanval, maar als ik een hartaanval had gekregen wie moet dan Chien helpen. Deze gedachte is het eerste teken van leven in zijn hel.

Om de hoofdpijn minder te laten worden, gaat hij op zijn bed van bladeren liggen, met een groot blad op zijn gezicht. Door het volledig tot rust komen, verdwijnt de hoofdpijn. In zijn gedachten verschijnt Chien, die bij een aantal voor hem onbekende mensen is. Hij is broodmager en door een man geschopt; dat nooit. Enkele ogenblikken later slaapt hij.

Het wakker worden is een strijd met zijn lichaam en geest. Al zijn spieren zijn stijf en hij is nog steeds depressief. Hij kijkt om zich heen, want hij mist iets, het dringt nog niet tot hem door wat.
“Chien, natuurlijk, ik mis Chien, wat een idioot ben ik toch,” mompelt hij.
Hij roept de hond, maar die is weg. Zoeken heeft geen zin, want dan lopen ze elkaar mis. Hij hoort hem eerder aankomen, dan dat hij hem ziet. Chien komt met een konijn in zijn bek, die hij zelf gedood heeft, want hij is nog warm, aanrennen. Dit ultieme geschenk is zijn manier om de leider, die duidelijk in moeilijkheden is, te helpen. Het helpt inderdaad. Tot zijn verbazing voelt Jean in enkele seconden de depressie verdwijnen. Hij knuffelt en prijst de hond uitbundig, die hiermee volkomen gelukkig is. Jean vilt het konijn. Met stenen bouwt hij een vuurplaats. Met twee gevorkte takken maakt hij een houder voor een draaispit. Op een lange verse tak, spietst hij het konijn en hangt hem boven het vuur.
Boven de smeulende resten van het vuur, grilt het konijn langzaam gaar. Chien krijgt de kop en de poten, die hij rauw opeet. Als groente plukt Jean paardenbloembladeren die hij in een pannetje blancheert. Van dennennaalden maakt hij thee die prima bij het uitgelezen diner past. Dit is de eerste zelfgemaakte maaltijd die ze uit de natuur hebben gehaald. De spirituele betekenis hiervan geeft het eten een nog betere smaak dan het al heeft. Nu weet ik wat Jezus bedoelt met zijn uitspraak: “Kijk naar de vogels in het veld, ze zaaien niet, ze maaien niet en toch hebben ze geen honger.”

Voor het eerste in jaren bidt hij weer, maar nu niet voor een abstracte god waar mensen misbruik van maken als het hun uitkomt, maar voor de krachtige alles gevende natuur. Hierdoor beseft hij, hoe schandalig weinig hij weet over de natuur en haar mogelijkheden om hem te voeden en te genezen. Zittend op zijn bed van bladeren, probeert hij te begrijpen wat er met hem aan het gebeuren is.
Door hier bewust over na te denken, weet hij dat het vluchten voor zijn tegenstander, niet de enige reden is voor zijn tocht. Nu begrijpt hij ook waarom een pelgrim zijn bedevaart onderneemt. Jean stopt met nadenken over de reden, want het is iets dat moet gebeuren, ongeacht welke reden dan ook. Zijn kampplaats ruimt hij op om de natuur niet te verstoren, die hem zo goed helpt. Met deze maaltijd in hun maag, gaan ze vroeg op pad, omdat Jean niet weet wanneer hij een telefooncel tegenkomt. Al lopende vraagt hij zich af waarom hij zo ziek is geworden. Rond acht uur ziet hij een telefooncel in een dorpje. Onmiddellijk voelt hij weer wat hij die middag gevoeld heeft, maar nu veel minder. Daarom word ik dus ziek, zodra ik aan thuis denk begint het. Hij moedigt zichzelf aan: “Kom op Jean, je kunt het, daarna ben je vrij om jezelf te vinden en weer sterk te worden.”
Terwijl de tranen over zijn wangen rollen om het gemis van zijn familie, kan hij met grote moeite een munt in de telefoon krijgen. Hij laat de telefoon drie keer overgaan en verbreekt de verbinding. Weer stopt hij het tien frank stuk in de gleuf en draait het nummer. In gedachten ziet hij zijn ouders blij zijn met dit levensteken van hun zoon. Dat ze bij de telefoon zitten, twijfelt hij geen moment aan. Opgelucht loopt Jean verder. Aan alle verplichtingen heeft hij voldaan. Nu kan hij aan het herstel van de schade die hij in zijn leven heeft opgelopen beginnen.

Chien laat zijn hoofd zakken en is duidelijk niet gelukkig.
“We gaan een mooi plekje zoeken om rust te nemen, we hebben het alle twee verdiend.”
Chien hoort de geruststellende toon in de stem van Jean. Ondanks de pijn in zijn poten, kwispelt hij met zijn staart. Jean neemt hem op zijn nek, tot ze om een uur of twaalf een gehucht bereiken waar geen leven te bekennen is. In de omgeving van grotere plaatsen is er dag en nacht ‘reuring’, maar op het platteland is het om tien uur volkomen uitgestorven. Ze naderen een vuilnisbak die onder een lantaarn staat. De lamp is bevestigd aan een drie meter hoge muur. Jean zet Chien op de grond en kijkt in de vuilnisbak. Chien heeft al gehoord dat er iemand bovenop de muur aanwezig is. Als tweede man in de roedel, is hij op zijn hoede voor eventueel gevaar van boven. Jean kan niets bruikbaars vinden. Terwijl hij het deksel van de container dicht doet, hoort hij het karakteristieke geluid van iemand die iets uitspuwt. Tegelijkertijd voelt hij een tikje op zijn hoofd. Chien ontbloot zijn tanden en gromt, want het alfamannetje is nu fysiek bedreigd. Jean voelt op zijn hoofd en pakt de kersenpit die in zijn haren zit geplakt. Hij kijkt naar boven waar de pit vandaan komt, hij ziet alleen het lamplicht. In een opwelling stopt hij de pit in zijn rugzak. Een vrouwenstem met een zéér aangename klank, roept vanaf de muur: ”Die lelijke hond heb je zeker ook in een vuilnisbak gevonden.”
“Bijna goed geraden, hij zat vastgebonden aan een touw bij een verlaten parkeerterrein.”
“Mensen zijn varkens.”
“Dat mochten ze willen.”
“Precies. Wil je ook een paar kersen?”
“Gráág.”
“Je bent toch geen crimineel of gevaarlijke gek?”
“Nee, maar als ik dat zou zijn, zou ik het niet zeggen.”
“Touché!” Ik vertrouw je wel. Kom ze maar halen, de poort is los.”

Chien hoort de vriendelijkheid in de vrouwelijke stem, maar blijft niettemin waakzaam. Jean gaat de poort, waarachter een stenen trap is uitgehouwen, door. De muur blijkt de grens van een met gras bedekt plateau te zijn, waarop een stoel staat waar de kersenpitwerpster in zit.
Hij schat haar tussen de twintig en dertig jaar. Ze heeft kort bruin haar en bijpassende ogen. Ze is niet knap in de zin van de televisie of de modebladen, maar ze heeft een mooi, lief en sympathiek gezicht, verder is ze hélemaal ‘Frans’. Haar figuur kan wél zo in de bladen. Ze gaat staan en komt hem tegemoet. Ze stelt zichzelf voor als Nina en vraagt: “Ben je een zwerver?”
“Nee, ik ben een pelgrim op weg naar Santiago de Compostella, maar ik stink wel als een zwerver.”
“Ik geloof je direct,” klinkt het spottend.
“Oké, ik lieg, ik ben een verkoper van veters en aanverwante artikelen.”
“Je wilt dus niet zeggen waarom je op deze manier onderweg bent. Prima, het kan mij ook niets schelen.”
Chien heeft de vrouw bestempeld als het alfavrouwtje van de groep en is bij haar op schoot gesprongen, om in de gunst te komen.
“Lekker trouwe hond heb je.”
“Hij heeft mensenkennis.”
De opmerking voelt ze als een compliment en dat is het ook.
“Wil je eerst kersen of eerst iets aan je stank doen?”
“De kersen.”

De zoete kersen smaken geweldig. Nina zit hem op te nemen en vindt hem aardig, en ook leuk om te zien. Jean vindt het een zéér welkome afwisseling, om weer eens met een mens te praten, in plaats van een hond; hoe slim ook.
“Zullen we je eerst voorweken in het zwembad en daarna chemisch reinigen in een ligbad? Scheren kan eventueel ook, hoewel die baard je wel goed staat.”
“De baard blijft, want ik haat scheren.”
“Ben je verlegen?”
“Ik niet.”
“Dat komt goed uit, want ik zwem altijd in mijn blootje.”
“Ik heb geen zwembroek bij me, dus als je het niet erg vindt?”
“Nee, integendeel.”
Jean moet glimlachen om de opmerking. Ze lopen om het huis heen waar aan de achterkant een enorme tuin is met een groot zwembad. De tuin is begrensd door een dichte haag, waarachter een bos ligt. Jean heeft tot dan toe geen enkel ander teken van leven gezien. Er staat één ligstoel bij het zwembad. Op het grote, gedeeltelijk overdekte, terras staat een hardhouten tuin set waar op één stoel een kussen ligt.
“Woon je helemaal alleen in dit grote huis?” informeert Jean verbaasd.
“Gelukkig wel, want mijn ouders zijn nogal irritant aanwezig als ze er zijn, wat vrijwel nooit voorkomt.”
Jean moet lachen om de komische manier waarop ze dit vertelt, maar hij hoort ook het verdriet in haar stem.
“Waar zijn je ouders?”
“Op het moment dat ze mij konden dumpen op de academie voor de beeldende kunsten, is mijn vader met een tropische versnapering, die jonger is dan ik, naar een warm eiland gegaan. Mijn moeder verwijt mij dat ik haar figuur verpest heb en daarmee haar kans op een danscarrière. Zij is er, totaal gefrustreerd, met een Rus vandoor.”
“Ik hoop voor haar dat het iemand is die bij het Bolsjoiballet is weggetrapt, dan kunnen ze samen een gefrustreerde pas de deux opvoeren in hun woonkamer.”
“En jouw ouders?”
“Schatten van mensen.”

Even is daar een ongemakkelijke stilte. Nina wil vragen naar een eventuele vrouw van Jean, maar dat durft ze niet. Jean ziet haar aarzeling.
“Mijn vrouw heeft mij verlaten en is samen met haar nieuwe vriend vermoord.”
“Hallo zeg! Ik weet genoeg. Geef mij al je kleren maar, dan stop ik die alvast in de wasmachine. Ondertussen kan jij het zwembad induiken.”
Chien schrikt wakker door de plons waarmee Jean in het zwembad duikt. Hij roept hem, maar Chien is niet zo gek op water en doet of hij het niet hoort.
Voor zijn gevoel moet Jean veel te lang wachten op Nina, maar ze is het geduld waard, want in het licht van de terraslampen en de zwembadverlichting lijkt ze wel een fee, een naakte fee. Jean kan niet stoppen met kijken. De uitdagende manier waarop ze naar het zwembad loopt, is te opwindend om te negeren, zelfs uit beleefdheid. Dat is ook haar bedoeling, want ze heeft zich voorgenomen om met hem te vrijen, als hij dat wil. Ze wil zijn reactie zien op het voorstel dat ze op deze manier doet. Die is precies zoals ze verwacht. Chien kijkt op, wanneer Nina en Jean zich verplaatsten van het zwembad naar het bad in huis, waar alleen een paar kaarsen licht geven. De geuren die Chien ruikt en de geluiden die hij hoort, zijn nieuw voor hem, maar ze zijn prettig en zonder gevaar. Jean laat hem uit in de tuin waar hij zijn behoefte kan doen. Op het terras gaat Chien op een kussen liggen om verder te slapen.

De volgende morgen worden Nina en Jean samen wakker. Na een paar baantjes zwemmen, zitten ze op het terras aan het ontbijt. Er is eten in overvloed dus Chien vindt het niet nodig om te gaan jagen, bovendien is de baas erg gelukkig. Hij gaat bij Nina zitten die hem aanhaalt, enigszins schuldbewust kijkt hij af en toe naar Jean. Om weg te gaan, vindt Jean nú al moeilijk. Veel erger kan dat niet worden, daarom besluit hij een paar dagen te blijven. Dat hij verder moet om datgene te doen wat hij nodig vindt voor zijn verdere ontwikkeling, staat vast. Een paar dagen pauze, kan hij zich wel permitteren. Het is voor de hond ook beter.
Nina nodigt Jean uit om haar atelier te bekijken. Hij is onder de indruk van de kwaliteit en de originaliteit van de schilderijen.
“Daar zal je er wel veel van verkopen?”
“Nee, ik schilder voor mijn plezier.”
“Ze zijn prachtig.”
“Ik heb op de academie, als opdracht, een miniatuurtje van mezelf gemaakt. Dat mag je wel hebben.”
“Wat schitterend, daar zal ik zuinig op zijn, bedankt.”

Ze brengen samen drie dagen door, waarin ze praten, luieren en vrijen.
Hun liefde kan alleen in dit vrijen tot uiting komen. Jean heeft Nina verteld over wat hij heeft meegemaakt, hierdoor weet ze dat er voor hen, op dit moment, geen mogelijkheid is om bij elkaar te blijven. Ze vindt het jammer. Het staat het genieten wat ze op dat moment van elkaar doen niet in de weg.

Chien is helemaal idolaat van Nina. Hij volgt haar overal waar ze gaat, behalve in het zwembad. Nina heeft af en toe laten merken dat ze Chien wil houden. Jean overweegt wat het beste is en hij besluit de hond bij haar te laten.
“Je mag Chien lenen als je wilt. Ik hoop dat er ooit een dag komt dat ik hem weer kan ophalen.”
“Afgesproken.”
Meer zeggen ze niet, op deze manier is het afscheid dragelijk voor beiden. Hij doet zijn rugzak om. Chien raakt in verwarring, want zijn alfavrouwtje maakt geen aanstalten om mee te gaan. Dit gaat helemaal fout. Het afscheid is dus voor alle drie moeilijk en daarom snel. Met zijn miniatuur zorgvuldig ingepakt, vertrekt Jean de nacht in.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *