De Ommekeer deel 13

De Ommekeer deel 13

Het zeil staat mooi bol en de fok strak. Met een pittig gangetje zeilt Jane richting het eiland. Achter haar verschijnt een gouden rand om de potentieel dodelijke wolk. Voor de betoverende schoonheid van dit tafereel heeft ze geen belangstelling, wel voor de snelheid waarmee hij haar nadert. Haar blijdschap over de opgestoken wind verdwijnt in één seconde door een plotselinge windvlaag, vanaf de andere kant. Hierdoor slaat het zeil om, maar met een snelle duik kan ze de giek ontwijken. Hijgend van schrik kijkt ze om zich heen, in de hoop een oorzaak te vinden voor de plotselinge windvlaag. Het enige wat ze ziet is de immense onweersbui met zijn gouden rand, die nu angstig dichtbij is. Wat een raar weer, dit heb ik nog nooit meegemaakt. Bewegingloos leggen ze op het water. Dan maar op de motor. Met een enkele ruk aan de starter loopt de Evinrude. Ze gaat nu weer in een geruststellend tempo vooruit. Door de helmstok vast te zetten, heeft ze haar handen vrij om het grootzeil te laten zakken. Ze laat de fok staan voor als het weer gaat waaien. Het licht van de eerste bliksem weerkaatst op het water. Ze telt tot zes voor de eerste donder traag over het water aan komt rollen. Ze schrikt, dat is nog maar twee kilometer. De kleine Ab is zich nergens van bewust en speelt op de bodem van de boot met zijn nieuwste auto, die hij van zijn opa en oma heeft gekregen. In gedachten herhaalt Jane steeds de woorden, ik haal het wel. Op die manier stelt ze zichzelf gerust, tot de motor begint te stotteren en stopt. Ze draait de tankdop eraf en peilt het benzineniveau. De tank is leeg. Snel duikt ze in het vooronder om de reservetank te pakken, maar ze ziet hem niet. “Verdomme, dat is waar ook, die heb ik voor het onderhoud eruit gehaald,” scheldt ze tegen zichzelf. In de verte kan ze de veilige rietkraag al zien. Gehaast begint ze met de noodpeddel te roeien. Het onweer nadert veel sneller dan zij kan peddelen. Het begint te regenen en met vlagen hard te waaien. Ze krijgt weer hoop: “Die regen mag je houden, maar bedankt voor de wind,” fluistert ze. De fok kan ze weer strak zetten, waardoor ze een redelijke snelheid maakt. Het grootzeil durft ze niet te hijsen, want uit ervaring weet ze dat er in onweer vaak windvlagen voorkomen, waardoor ze kan kapseizen. De kleine Ab is bang en kruipt tegen zijn moeder aan. De bui is vlakbij, ze begint haar strategie te bedenken.
De normale route door het kanaal kan ze niet nemen, want die duurt veel te lang. Ik moet bij de steiger van Simon komen, dan kan ik bij hem schuilen. Lukt dat niet, dan ga ik naar een van de eilandjes varen. Het probleem is dan om de boot uit de buurt te krijgen, want daar kan makkelijk de bliksem in slaan. Een meter of tien voor de kust draai ik de boot een kwartslag en spring eruit. De boot vaart door en wij zwemmen naar het eiland. Daar kan ik ons, zo klein mogelijk maken en de bui afwachten. Een ding vergeet ze, hagel. De snel invallende duisternis maakt het zicht slechter. De slagregen maakt dat nog erger. Het onweer raast nu op volle kracht. De kleine klemt zich bij elke klap aan zijn moeder vast. Bij de volgende bliksem ziet ze de steiger van Simon. Dat ga ik redden, denkt ze. De regen gaat over in hagel, die haar een helse pijn bezorgt. Ze buigt zich over de kleine heen om hem te beschermen tegen die regen van ijs. Nog twintig meter, dan is ze bij de steiger van Simon en in veiligheid.

Zo snel als hij kan rijdt Bram, met de onweersbui steeds nadrukkelijker aanwezig in de binnenspiegel, naar Alkmaar om zijn broer op te halen. Bram, rept met geen woord over de actie van Jane, want hij wil zijn ouders niet ongerust maken. Zonder onbeleefd te zijn, neemt hij zijn broer zo snel mogelijk mee naar de auto. Het begint te regenen. Het geeft Bram hoop dat de bui meer richting Alkmaar is getrokken dan naar Akersloot. Sommige bliksems die ze zien, lijken absurd lang in de lucht te weerkaatsten. Brian plaatst er een opmerking over: “Het lijkt wel of de bliksem echoot.”
Een korte, maar alleszeggende brom, is het antwoord van Bram.
Zijn aandacht is volledig gericht op de weg, vanwege de duisternis en de zware regen. Zijn gedachten zijn chaotisch, het is een mengeling van smeken om het veilig zijn van Jane en zichzelf geruststellen. Hij vertelt Brian wat Jane aan het doen is.
“Ze redt zich wel,” probeert Brian, zonder veel overtuiging, Bram gerust te stellen.
De mannen rijden richting De Wouden. Beiden hebben ze een afschuwelijk voorgevoel. Eenmaal buiten de stad krijgen ze zicht op de omvang van de bui. Zover ze kunnen zien, onweert het om hen heen. De hoop dat de bui zich tot Almaar zou beperken is verdwenen.

Jane bereikt de steiger van Simon. De golven en de wind rammen de boot tegen de palen. Met Ab in haar armen springt ze uit de boot op de steiger. De helse pijn van de hagel voelt ze niet meer. “Ik heb het gehaald, ik heb het gehaald,” mompelt ze huilend van opluchting. Met de kleine tegen zich aangedrukt begint ze te rennen, naar het huis van Simon. Ze rent over het grasveld, tot ze de deksel van de beerput bereikt. De onverbiddelijke natuurwet, de bliksem zoekt altijd de makkelijkste weg, treed hier meedogenloos in werking. Het betonijzer in de put is een uitstekende geleider voor stroom. Jane en de kleine verlengden dat net voldoende om ze de volle laag te laten krijgen van de alles verschroeiende bliksem, op minder dan dertig meter van het huis.

Omdat de pont bij De Wouden uit bedrijf is vanwege het noodweer, staan Bram en Brian in de auto op het parkeerterrein te wachten. De broers zeggen niets, op een enkele opmerking over de pont of het verdwijnende onweer na. Bram maakt zichzelf verwijten dat hij niet harder is opgetreden tegen de eigenwijsheid van Jane. Hij had bij de haven door kunnen rijden, dan had ze niet met de boot weg gekund. De daaropvolgende ruzie had hij voor lief moeten nemen.

Na een uur is het weer verantwoord voor de schipper om te gaan varen. Staande in de regen varen ze naar de overkant. De schipper staat naast hen. Hij is de eerste waar Bram aan kan vragen of hij iets van Jane gehoord heeft. Het antwoord is verontrustend: “Nee, is ze dan onderweg hierheen in dit weer?”
Het verwijt is er niet, alleen verbazing, maar Bram voelt het wel als zodanig.
Hij moet zichzelf dwingen het café binnen te gaan, om daar te vertellen wat Jane heeft gedaan. Zijn: “Ze wilde per se met de boot,” klinkt in zijn oren als een heel zwak excuus voor zijn falen. De aanwezigen weten hoe ‘hun’ Jane is. Ze begrijpen het gruwelijke dilemma waarvoor ‘hun’ Bram heeft gestaan. Onmiddellijk is een grootscheepse zoektocht gestart. Iedereen op het eiland geeft de boodschap door, Simon via de telefoon omdat hij zo afgelegen woont. Omdat hij geen idee heeft wat hij eventueel kan aantreffen, instrueert hij zijn vrouw: “Jij blijft bij de kinderen en de telefoon. Ik ga zoeken.”
Simon gaat naar buiten en ziet een mast bij zijn steiger. Dat moet de boot van Jane zijn, daar twijfelt hij geen seconde aan. Heeft Jane dáár in gezeten, dan was ze zeker naar zijn huis toegekomen. Ze is dus overboord geslagen, misschien is ze ergens naar de oever gezwommen, is zijn redenering. Hij begint naar de steiger te rennen, waar hij een groot deel van de waterkant kan overzien. Al na een paar passen ziet hij een lichaam in het gras liggen. Alle wilskracht die hij heeft, is nodig om door te lopen en te gaan kijken. Aan de restanten van haar kleding kan hij zien dat het Jane is. Door de intense hitte is de kleine, zoals voor zijn geboorte, versmolten met zijn moeder. Simon verandert in een door adrenaline gestuurde robot, want er moeten dringende zaken geregeld worden. Zijn gezicht is een masker van pijn en concentratie. Hij loopt met robotpassen naar zijn huis. Zij vrouw ziet hem aankomen en herkent hem nauwelijks.
“O, mijn god,” fluistert  ze doodsbang, terwijl ze hem tegemoet loopt.
“Snel, stuur de kinderen naar hun speelkamer,” zegt Simon.
Zijn vrouw brengt de kinderen weg. Op hun vraag waarom, antwoordt ze: “Omdat pappa ziek is.”
Door de klank in de stem van mama, weten de kinderen dat ze niet kunnen onderhandelen. Een beetje angstig, maar wel gehoorzaam, zitten ze bij elkaar in de speelkamer. Zij voelen feilloos de spanning aan die er heerst bij hun ouders. Waar zijn vrouw al bang voor is, krijgt ze bevestigd door de woorden van Simon: “Ze liggen hier dood in de tuin, bel de politie.”
De stem van Simon herkent ze, net als zijn gezicht, nauwelijks. Ook zij heeft een kracht die ze nooit eerder heeft gevoeld. Zonder hem iets te vragen belt ze de politie. Simon loopt naar de slaapkamerkast en pakt daar een deken uit. Terwijl de tranen over zijn wangen lopen, gaat hij over het gras naar de lichamen van Jane en de kleine toe. Met een teder gebaar spreidt hij de deken over ze heen. Langzaam raakt de adrenaline uitgewerkt en met een kreet van afgrijzen zakt hij op zijn knieën naast ze in het gras. Daar zit hij nog als de politie arriveert.

Een speciaal traumateam van de politie is zo snel mogelijk naar Bram gegaan om te vertellen wat er gebeurd is. De arts geeft Bram direct medicijnen om te kunnen blijven functioneren. Ondanks deze medicijnen is Bram volledig in de war. Joke en Brian blijven bij hem om hem te assisteren bij wat ze moeten doen. Voorzichtig vroeg Joke: “Wil je zien waar ze liggen?”
“Nee, ik zal ze mij voor de rest van mijn leven herinneren zoals ze waren,” klinkt het, nauwelijks verstaanbaar, tussen zijn snikken door. Brian en Joke blijven die nacht bij hem. De volgende dag gaan ze met hem mee naar de ouders van Jane, om de uitvaart te bespreken. Alle aanwezigen in de kamer weten dat Bram en de ouders van Jane volledig zullen instorten wanneer ze over een schuldvraag of de reden waarom Jane is gaan varen gaan praten. Het gesprek beperkt zich tot de details voor de uitvaart. Tijdens een alcoholisch samenzijn met vrienden, hadden ze weleens gesproken over hoe ze begraven of gecremeerd wilden worden. Jane had gezegd: ”De Ramons moeten spelen bij mijn crematie en mijn as moet, vanuit mijn boot, over het Alkmaardermeer uitgestrooid worden.”
Bram is van plan om aan deze wensen te voldoen. Hij vertelde dit aan zijn schoonouders, die hier volledig mee instemmen. In de omhelzing bij het weggaan, voelen ze elkaars intense verdriet. Bram voelt door de innige omhelzing dat ze hem niets verwijten. Hij is de enige die zichzelf wél schuldig vindt.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *