De Ommekeer deel 16

De Ommekeer deel 16

Debby blijft de ontspanningstechniek oefenen. Om kleine problemen op te lossen, hoeft ze de oefening niet te doen. Ze doet haar ogen dicht en vindt de oplossing, als die er is. Bij ingewikkelde problemen heeft ze een andere truc uit het boek. Voor het slapengaan doet ze de oefening en visualiseert ze het probleem. Bijna altijd vindt ze de oplossing, die ze meteen opschrijft. Kan ze hem niet direct vinden, dan gaat ze slapen en schiet soms midden in de nacht wakker met de oplossing in haar hoofd, die ze snel in het schrift naast haar bed opschrijft. Deze gave is zeer gewaardeerd door de broers en hun vrouwen, dat hij voortkomt uit de training die Debby doet, weten ze nog niet.

Klaas, een van de medewerkers van het bedrijf, is altijd een goede kracht. De laatste weken zijn er echter klachten over zijn functioneren. Iedereen in het bedrijf merkt het en vindt het jammer. Voorzichtige vragen en hints van collega’s en de broers, zijn niet begrepen of genegeerd. Puk tolereert het niet langer en neemt hem mee naar haar kantoor. Ze vraagt hem op de man af wat er aan de hand is. Eerst aarzelend, maar dan steeds bozer vertelt hij dat Debby, alles zo goed weet en de problemen oplost, terwijl hem niets gevraagd is. Puk haalt adem om te zeggen dat het onzin is, maar ze doet het niet. Ergens kan ze zich de kritiek van Klaas wel een beetje voorstellen en ze zegt: “Klaas, we hebben het er nog een keer over, ik weet nu wat je dwarszit.”

De volgende morgen gaat Puk naar Debby toe en vertelt wat Klaas heeft gezegd over haar. Debby vraagt of ze het goed vindt dat zij en Puk samen, met Klaas een gesprek hebben. Puk zal het met de broers en Joke bespreken. Zij willen eerst weten wat Debby van plan is. Ze besluit in het kort te vertellen wat ze in haar leven heeft meegemaakt, waardoor ze vastgelopen is en hoe ze dit overwonnen heeft. De broers en hun vrouwen zijn verbaasd en onder de indruk van haar verhaal. Ze krijgt toestemming om met Klaas te praten.

De volgende dag gaat Debby, samen met Puk, naar Klaas toe en vraagt hem mee te komen voor een gesprek. Het eerste wat Klaas, op een vijandige toon, tegen Debby zegt, is: ”Doe je buiten problemen oplossen nu óók personeelszaken?”
Aha, jaloezie, denkt Debby. Puk verwacht een discussie, maar Debby antwoordt op een zeer rustige toon: “Sorry dat ik zo intimiderend overkom, dat is niet mijn bedoeling.”
“Nou ja, zó erg is het nu ook weer niet, maar soms is het irritant,” zegt Klaas al veel minder vijandig.
Debby kijkt hem glimlachend aan en zegt: “Dat kan ik mij voorstellen.”
Door de glimlach heeft Klaas het gevoel of er een klein straaltje ijswater, vanuit zijn nek over zijn rug loopt.
“Ik zal je vertellen hoe het komt dat ik problemen zo snel kan oplossen. Een tijdje terug heb ik een training gehad waar je dat leert.”
Door de rust waarmee Debby dit vertelt, kalmeert Klaas nog verder. Hij is nu nieuwsgierig naar deze methode en hij vraagt: “Wat voor training is dat?”
“Een oefening in het beter bewust zijn van je omgeving. Je wordt scherper in je waarnemingen en daardoor kun je ook problemen sneller doorzien en oplossen. Het is een simpele training die voor iedereen geschikt is.”
“Klinkt interessant.”
“Als je wil, kan ik je het leren,” biedt Debby op vrijblijvende toon aan.
Het gesprek gaat precies zoals Debby het wil. Ze loopt al een tijdje rond met het idee om iedereen bij het bedrijf de alfatechniek te leren. Klaas hapt in het lokaas van Debby: “Dat wil ik wel.”
“Dan zal ik het je leren.”
Binnen een maand krijgt, bijna iedereen, de training. Er is nu geen ruimte meer voor jaloezie of egoïsme. Iedereen doet zijn werk, zo nodig helpen ze elkaar zonder te morren of eisen te stellen. Onderlinge problemen leggen ze zonder omhaal op tafel en lossen het op.

Debby is op haar plaats bij het bedrijf van de broers. Vooral Puk gaat haar steeds meer waarderen, door haar gevoel voor humor en optimisme.
Ze beseft dat Debby heel goed bij Bram past, maar ze denkt ook aan de woorden van Rik: “Ik vind het ongelofelijk lief wat je voor Bram probeert te doen, maar hij wil niet. Laat hem met rust, des te eerder groeit hij er overheen.”
Nu moeten de twee elkaar ontmoeten, om te zien hoe ze op elkaar reageren. Puk ‘ritselt’ iets in de boekhouding, waardoor Bram naar de zaak moet komen. Ze blijft in de buurt van Debby als een Border Collie bij zijn schapen. Ze doet snel een paar passen achteruit als Bram binnenkomt, om de aandacht van Bram niet op haar te laten vallen, maar op Debby. Bram heeft al veel verhalen gehoord over een soort wondervrouw die bij ze werkt. Nieuwsgierig loopt hij op haar af en stelt zich voor als de ‘middelste’. Het is lang geleden dat hij iets van humor heeft laten zien, denkt Puk, blij met dit resultaat. De reactie van Debby is ook veel belovend: ”Ik ben Debby, de enige.”
Een schaduw van een glimlach glijdt over het gezicht van Bram bij dit antwoord van Debby. Puk ziet het hoopvol aan. Bram handelt de zaken af en gaat weer weg. Puk heeft genoeg gezien om haar plan ze te koppelen door te zetten. Ze zwijgt zorgvuldig over haar idee en begin met veel geduld te loeren op een kans om de twee bij elkaar te brengen. Hier mag niets fout gaan, of worden geforceerd. Puk beseft dat de enige manier om de twee elkaar te laten ontmoeten op de zaak is, alle andere manieren vallen onmiddellijk op. Zo onopvallend mogelijk, begint Puk meer fouten te maken in de boekhouding, waardoor Bram vaker naar de zaak moet komen. Bram komt elke keer braaf naar het bedrijf. Hij groet Debby altijd hartelijk en soms staan ze zelfs met elkaar te praten. De broers hebben nog niets in de gaten en Puk krijgt te horen dat ze beter op de administratie moet letten. Deemoedig knikt ze en denkt, wacht maar sukkels tot ik ze bij elkaar heb, dan zullen jullie wel anders piepen.

Puk bewaart haar kalmte als een krokodil die op een prooi wacht. Haar kans komt wanneer Bram op een vrijdag om vijf uur op de zaak is. Het regent geen druppels, maar emmertjes water. Puk ziet het en grijpt haar kans.
“Debby is met de tram, kan jij haar niet wegbrengen met dat noodweer? Wij kunnen niet, want Rik moet nog wat doen.”
Rik hoort het gesprek, want hij staat in het kantoor ernaast en denkt, ik moet helemáál niet iets doen. Het dringt tot hem door wat Puk aan het doen is. Nee hé, ze is weer aan het koppelen, leert ze het dan nooit. Hij is bijna tevoorschijn gekomen om een einde te maken aan de poging. Een klein stemmetje in zijn hoofd waarschuwt hem dat Puk nog weleens een driftbui zou kunnen krijgen en daar is hij als de dood voor. Hij vindt het wel sneu voor zijn lieve puk, ze bedoelt het goed. Hij is benieuwd hoe Bram zich hieruit gaat redden, want Debby meenemen, daar zal hij nooit aan beginnen, is zijn overtuiging.
“Natúúrlijk wil ik dat,” antwoordt Bram op de vraag van Puk.
De mond van Rik valt letterlijk open van verbazing, maar ook van hoop, want de klank in de stem van Bram is weer als vroeger. Het kantoor stroomt leeg en Debby vertrekt met Bram. Op het moment dat de laatste weg is, komt Rik tevoorschijn.
“Wat moet Rik nog doen?” treitert hij tegen Puk.
Het antwoord is typisch een Puk antwoord: “Begin maar met je broek te laten zakken en je schrap te zetten.”

Debby en Bram stappen in de auto en rijden weg. Haar positieve energie vult de auto en sinds jaren voelt hij zich weer prettig en op zijn gemak. Hij voelt dat Debby niets van hem verlangd, of dat ze zich opdringt, zoals sommige hebben gedaan. Bram, probeert naar de woning van Debby te gaan. De afstand is te verwaarlozen, thuis doet hij er een paar minuten over, maar hier zijn zo veel irritante obstakels dat hij vaak zijn geduld verliest. Nu niet, hij wil het gevoel van ontspanning, zo lang mogelijk vasthouden. In gedachten zoekt hij naar een manier om dit nog méér te rekken. De gehaaste mensen, de toeterende auto’s achter hem, terwijl ze staan te wachten op een taxi die zijn vrachtje aflevert, niets kan zijn humeur verpesten. De schoonheid van de bomen langs de gracht en de begroeide balken in het water ziet hij voor het eerst. Zelfs de zwervers op hun bankje op de hoek van de Vijzelstraat en de Keizersgracht lijken vrolijk. Hij vraagt aan Debby: “Heb je zin om ergens iets te eten, of heb je al een afspraak?”
Bram schat zijn kans op een positief antwoord héél laag in, want een knappe en jonge vrouw zoals zij, moet wel en vriend of een man hebben.
“Nee, ik ga alleen door het leven, dus ik hoef nergens rekening mee te houden,” antwoord ze tot zijn verbazing.
“Jij weet beter de weg in Amsterdam dan ik, zeg maar waar je heen wilt.”
Bram vindt het niet prettig om in Amsterdam te eten. Hij houdt van de rust en de ruimte van het platteland, de stad verstikt hem, maar nu maakt hij graag een uitzondering. Net als Bram, heeft Debby óók een hekel aan de stad. Ze zoekt een koop of huurhuis buiten de stad. Debby weet dat Bram in een polder woont, het lijkt haar veel leuker om daar ergens te eten. De echte reden is dat ze zich bij hem prettig voelt, net als Bram bij haar. Het nadeel is, dat ze dan met de trein terug moet gaan, maar dat heeft ze daar wel voor over. Ze zegt tegen hem: “Je vindt het misschien raar, maar weet jij een goed restaurant buiten Amsterdam, ik ga wel met de trein naar huis.”
“Kan jij gedachten lezen?”
“Een beetje wel ja,” antwoordt ze glimlachend.
Haar antwoord verrast hem niet, door wat hij van de broers en schoonzusters heeft gehoord.
“Dan weet ik een goed restaurant bij mij in de buurt.”
“Prima, is daar een treinstation?”
“Laat die trein maar zitten. Ik heb, als je daar zin in hebt, wel een logeerkamer voor je, dan kun je morgen op je gemak naar huis gaan of ik breng je weg.”
“Dat lijkt mij erg leuk, maar dan moet ik even langs mijn huis wat spullen halen.”
“Oké. Zeg maar hoe ik moet rijden.”

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *