De Ommekeer deel 18

De Ommekeer deel 18

Het is half maart als op een avond, de winter nog even uithaalt met sneeuw. Jean denkt terug aan de eerste en de laatste keer die winter, dat hij sneeuw heeft gezien. Zo snel mogelijk loopt hij naar de bron om hiervan te genieten, voor het gesmolten is. Hij loopt op de weg als hij een auto hoort aankomen. Verbaast hierover blijft hij staan tot hij een klap hoort van een auto die ergens tegen aanrijdt.
“Daar kon je op wachten, klootzak dat je bent,” scheld Jean geschrokken.
Zo snel mogelijk gaat hij richting het ongeluk. De auto, een oude Peugeot 404, is door de barricade langs de weg gegaan. De chauffeur zit stil in de auto, want bij de minste beweging wankelt de auto op de rand van de afgrond. Jean overziet de situatie en komt in actie.
“Blijf stil zitten, ik ga de achterkant verzwaren.”
De man knikt met zijn hoofd als teken dat hij het begrepen heeft. Jean begint stenen op de achterkant van het dak te leggen waardoor de auto iets stabieler is. Nu durft hij voorzichtig de kofferbak open te doen. De auto begint héél traag naar voren te hellen. Jean stapt op de bumper om de auto weer naar beneden te duwen.
“Kan je iets naar achteren met je stoel?”
De stoel kan inderdaad iets naar achteren. Jean stapt van de bumper af.
De auto is stabiel. Hij vult de kofferbak met stenen. Hierdoor komt er veel meer druk op de achterwielen, terwijl de voorkant lichter wordt. De man in de auto, begint te klappertanden van de kou en de zenuwen. Jean bekijkt of hij hem over de voorstoel naar de achterbank kan krijgen. Dit lukt niet, omdat de stoelleuning geblokkeerd is.
“Zo lukt het niet. De auto moet achteruit. Je trapt de koppeling in en zet de hem in zijn achteruit en houdt de koppeling ingedrukt. Op mijn teken start je de motor. Dan geef je plankgas en laat de koppeling opkomen. Misschien glijdt hij een stukje naar achter.”
De man kijkt paniekerig naar Jean.
“Kalm aan, we doen het stap voor stap, ik zeg wat je moet doen.”
De man knikt met zijn hoofd dat hij het begrijpt.
Met een tak schuift Jean eerst de sneeuw achter de auto weg.
“Trap de koppeling in!”
“Mijn been doet zo zeer, ik weet niet of ik het kan.”
“Je móet of je gaat dood!”
Met een schreeuw van pijn trapt de man de koppeling in.
“Start de motor!”
Met nerveuze gebaren start de man de auto, die gelukkig aanslaat.
“Nu doe je wat ik zeg. Heb je dat begrepen?”
De man knikt weer.
“Gas!”
De motor begint te huilen. De man kijkt angstig naar Jean.
”Koppeling los!”
Met een scheurend geluid en rokende banden beweegt de auto tot de voorwielen de rand van de weg bereiken.
“Klaar, alles uit!”
De man stopt de motor. De stilte is onwerkelijk. Voorzichtig opent Jean het portier. De man kreunt van de pijn op het moment dat hij probeert uit te stappen.
“Blijf zitten, ik kijk even naar uw been.”
Jean voelt dat het been gebroken is.
“Heeft u een jas in de auto liggen?”
“Nee.
“Waarom niet?” vraagt Jean verbaast.
“Ik ging bij een vriend schaken. Onderweg naar huis besloot ik, met mijn domme kop, om een paar flessen water te halen, dan hoef ik morgenochtend niet weg.”
“Wanneer missen ze u?”
“Voorlopig niet, want ik blijf wel vaker tot diep in de nacht bij mijn vriend schaken, mijn vrouw gaat dan slapen.”
“Het is nu tien uur, dat is toch niet midden in de nacht.”
“Mijn vriend werd ziek, daarom ben ik vroeg naar huis gegaan.”
“Ik wil wel hulp halen, maar dan duurt het minstens twee uur voor die hier zijn, zal dat lukken denkt u?”
“Ik ben bang van niet, want ik heb mijn hartpillen niet bij me. Door de kou krijg ik het nu al benauwd.”

Jean beseft, dat het uit de auto halen van de man, het makkelijkste deel van het probleem is. Hij rilt nu al over zijn hele lichaam van de kou en hij gaat zeker in shock raken. De jas die Jean aan heeft, geeft hij aan de man. Dat biedt wel enige bescherming, maar lang niet genoeg voor er hulp is. De enige mogelijkheid is om hem naar zijn schuilplaats te dragen, maar die is dan ook meteen waardeloos. Daar staat hij een seconde aan te denken. De volgende gedachte is typisch voor Jean, jammer dan.
“Ik ga u ergens heenbrengen waar u de nacht warm kunt doorbrengen. Morgenochtend ga ik hulp halen.”
De man kijkt hoopvol naar Jean. In de brandweergreep en af en toe strompelend en ondersteunend, brengt hij hem naar zijn schuilplaats. De verwondering van de man is steeds groter. Niet alleen is hij gered door een onbekend iemand, maar hij komt op een plek terecht waar het veel gezelliger en warmer is dan bij hem thuis.

Op een EHBO-cursus heeft Jean geleerd een gebroken been te spalken. Twee rechte stokken liggen in zijn ruïne. Eerst doet Jean een deken van mos op het been. Met een oud T-shirt knoopt hij de spalken aan elkaar. Jean plaatst hem voorzichtig op zijn van mos en konijnenbont gemaakte bed.
“We moeten een briefje maken, dan weet iemand die de auto vindt, dat je veilig bent.”
“Dat u aan dit soort dingen denkt onder deze omstandigheden, vind ik wonderlijk.”
Jean glimlachte om de opmerking.
Met een stukje houtskool schrijft hij: “Ik ben gered door iemand.”
Jean plaatst het briefje op de chauffeursstoel.

Charles bekijkt ondertussen het huisje, waar een zelfgemaakte kaars van bijenwas voor de verlichting zorgt. Hij bewondert de meubeltjes, een tafel en een stoel, die Jean heeft gemaakt. De liefde voor hout en zijn vakmanschap zijn er duidelijk in te zien. Zijn uitrusting om te jagen en te vissen vindt hij fascinerend. Het schilderijtje van Nina, ziet er in het kaarslicht mooier uit dan de Mona Lisa, volgens hem. Later zal hij vertellen dat zijn ‘grote idee’ op dat moment geboren is. Hij gooit, op instructie van Jean, wat houtskool op de kachel. Zijn been is zo goed verbonden dat het nauwelijks pijn doet. Charles ziet aan de inrichting en de netheid van de gezellige plek, dat Jean geen zwerver is, die de hoop op een beter leven heeft opgegeven. De warmte van de kachel straalt de kou uit zijn botten weg, waardoor hij wegdoezelt op het heerlijke bed. Door de binnenkomst van Jean is hij weer wakker. De twee mannen hebben nu al speciale band hebben met elkaar. Aan hem wil Jean wél zijn hele verhaal vertellen, eindelijk kan hij het met iemand delen. Charles begrijpt dat Jean in een onmogelijke positie zit. Hij begint met het uitvoeren van zijn grote idee, door Jean een voorstel te doen.
“Het kasteel waar ik woon, is erg verwaarloosd. Mijn vrouw en ik hebben niet meer de energie om het op te knappen. Láten we het doen, dan kost het kapitalen. Ik heb aan uw spullen gezien dat u een vakman bent. Wilt ú het voor ons doen, in ruil voor onderdak en een inkomen? ”
Jean neemt de tijd om de strekking van de vraag te overzien. Charles onderbreekt zijn gedachten.
“Ik zal zorgen voor een volledige Franse identiteit en ziektekostenverzekering.”
Het vooruitzicht om weer structuur in zijn leven te hebben, trekt Jean wel aan. Het feit dat hij dan verzekerd is voor ziektekosten is een extra bonus.
“Als u hier uit bent dan praten we erover, ik weet waar u woont.”
“Zullen we dat u maar laten verdwijnen en elkaar bij de naam noemen?”
“Afgesproken, Charles.”

Ze bedenken een manier hoe Charles opgehaald kan worden, zonder dat zijn schuilplaats bekend raakt. Jean gaat de volgende morgen vroeg naar de vrouw van Charles. Zij moet, nadat hij weer vertrokken is met de jas en de medicijnen voor Charles, twee uur wachten, dan de politie en ambulance waarschuwen. Jean heeft dan de tijd om terug te lopen, Charles in zijn auto te plaatsen en te verdwijnen. Niemand weet dan wie hem gered heeft. Het enige wat Charles zich kan herinneren is een blonde vrouw, gaat hij tegen de politie zeggen. Bij het eerste licht vertrekt Jean naar het kasteel. Hij ziet in de auto dat het briefje er nog ligt. De sneeuw is verdwenen waardoor hij in een hoog tempo kan lopen. Na een uur is hij bij het kasteel, zonder dat hij iets tegenkomt.

Daar is alles stil, de verdwijning van Charles is kennelijk nog niet opgemerkt. Op aanwijzingen van hem, gaat Jean naar de achterkant van het kasteel, waar hij op een deur moet bonken, want de bel doet het niet meer.
”Wie is daar?” roept een vrouwenstem.
“U moet de groeten van Charles hebben. Het gaat goed met hem.”
De vrouw opent de deur.
“Hoe weet u dat, hij is niet thuis, ik snap er niets van,” mompelt de vrouw in de war.
“Mag ik binnenkomen, dan zal ik u vertellen wat hem is overkomen?”
“Kom maar binnen?”
“Hij heeft een ongeluk gehad bij de bron, waarbij zijn been is gebroken. Hij is in mijn huis en het gaat goed met hem. Nu ga ik u zeggen wat u moet doen.”
“Met Charles is er altijd wat. Hij wil hier zo graag wonen, van God en alle mensen verlaten,” moppert de vrouw.
“Ik ga nu lopend naar hem toe, dat duurt ongeveer een uur. Dan breng ik hem naar zijn auto toe, waar de ambulance hem kan ophalen.”
“Waarom is dat?”
“Dat zal Charles u uitleggen, want het kost te veel tijd om dat nu te doen.
Het is héél belangrijk dat u doet wat ik vraag. Het is nu acht uur. Wilt u om tien uur de ambulance bellen?”
“Ja, maar…”
“U moet mij vertrouwen,” onderbreekt Jean haar protest.
“Ik zal het doen.”
“Hij heeft mij gevraagd om zijn medicijnen mee te nemen.”
“Die zal ik pakken.”
“Dus, wat gaat u doen?”
“Om tien uur de ambulance bellen.”

Onderweg denkt hij aan het voorstel van Charles. Hij kan maar één nadeel vinden, hij raakt zijn vrijheid kwijt.  Bij zijn aankomst ligt Charles te slapen. Hij heeft medelijden met de man die daar zo vredig ligt te rusten. Hij en zijn vrouw zijn niet gelukkig. Charles heeft verteld dat het wonen op een, verwaarloost, kasteel niet zaligmakend is. Jean maakt hem wakker. Charles, strekt zich behaaglijk uit.
“Ik heb mij in jaren niet zo goed gevoeld als nu.”
“Dat is geen goed teken.”
“Nee, daar heb je gelijk in.”

Op dezelfde manier als hij gekomen is, brengt Jean hem naar zijn auto. Ze maken de afspraak dat hij het voorstel van Charles overdenkt. De mannen nemen afscheid van elkaar. Jean belooft dat hij in ieder geval een keer langs komt om te horen hoe het met Charles is. Hij verbergt zich zodanig dat hij kan zien wat er bij de auto gebeurt. Op het moment dat hij de ambulance ziet aankomen, gaat hij naar zijn schuilplaats.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *