De Ommekeer deel 19

De Ommekeer deel 19

Debby, vertelt tijdens de rit naar haar huis, over haar werk bij de broers. Bram vertelt over hun jonge jaren. Ze vertelt niets over de brief van haar opa. Het valt haar op dat hij veel rustiger is dan zijn broers. Dat zal wel komen door wat hij heeft meegemaakt, denkt ze.
Bram vraagt: ”Heb je bepaalde voorkeuren voor eten of dingen die je niet lust?”
“Nee, ik kies meestal ter plaatse en ik lust eigenlijk alles.”
Bram belt, naar zijn favoriete restaurant in Schagen.
“Louis, heb je een tafel voor twee, straks?”
“Maar natuurlijk Bram.”
“Dat is mooi en verras ons maar, je hebt anderhalf uur de tijd.”
“Aha! Echte liefhebbers, dan ik zal iets héél speciaals laten maken.”
Louis peinst, wat krijgen we nu, zal Bram een afspraakje hebben?

In het restaurant loopt Louis ze tegemoet en verwelkomt Bram hartelijk met de woorden: “Wie is deze schone dame?”
”Dit is Debby, ze werkt voor mijn broers.”
“Zoveel schoonheid verdienen die boeven niet.”
“En jij bent een slijmerd.”
Debby luistert met plezier naar het gesprek. Het compliment over haar schoonheid doet haar goed, want ze voelt dat hij het meent.
Louis denkt, zo vrolijk heb ik Bram nog niet meegemaakt. Even later komt hij terug met een fles wijn: “De wijn is van het huis.”
Het eten is fenomenaal. De kok heeft zich, door het enthousiasme van Louis en de aanwezigheid van Debby, laten inspireren tot grote hoogte. De wijn past prima bij het eten en de gelegenheid, waardoor ze met een taxi naar huis moeten. Ze rijden de kleine, maar gezellige stad uit. Eenmaal op de weg langs het kanaal, kijkt Debby naar de weilanden en sloten naast zich. Het gevoel wat ze onderweg naar Schagen toe had, is nu nog veel sterker. Rust en de mogelijkheid om te kunnen léven heb je hier. Nu snapt ze waarom Bram het ervoor over heeft om iedere werkdag op en neer te rijden. Wat haar ook opvalt, is de leegte van de wegen en het, vrijwel, ontbreken van verkeerslichten.

Debby heeft al wilde verhalen gehoord over hoe Bram woont, maar in werkelijkheid is het nog véél groter dan ze zich had voorgesteld. Verbijstert kijkt ze om zich heen.
“Godnogaantoe, wat moet je met dat enorme circus? Het is net een liggende reus met een klein hoofdje. De hele flat waar ik woon, kan er makkelijk in.”
“Ik woon in dat kleine hoofdje, de rest is om mijn auto in te stallen.”
“Dan mag je wel goed onthouden waar, want anders vind je hem nooit meer terug.”
Over het erf klinkt hun lach met daarbovenuit de stem van de geit, die zich, geketend aan haar pen, verwaarloosd voelt.

De buurman verzorgd, in ruil voor het vruchtgebruik, de tuin. Debby, kijkt naar de geit, maar durft haar nog niet aan te halen. De geit heeft totaal geen interesse voor haar, nog niet. In de fruitbomen hangt de belofte voor een lekkere herfst. Debby snuift diep de zuivere lucht in. Ze kijkt om zich heen en ziet de oneindige verte van de polder en begrijpt steeds beter waarom Bram hier woont. Ze gaan de schuur in waar Debby de geur van uien en aardappelen, die hier ooit zijn opgeslagen, subtiel ruikt. Het is ook de geur van leven en hard werken. Het ontroert haar, ze heeft geen idee waarom en denkt, het zal de wijn wel zijn. Het huis is, voor een vrijgezel, erg gezellig ingericht. Debby meent de hand van Puk te zien in het geheel en daar heeft ze gelijk in. Met een glas cola, tegen de wijndorst, zitten ze in de woonkamer. Het gesprek dat ze in het restaurant voerden zetten ze hier voort. Bram is diep onder de indruk van de manier waarop Debby ontsnapt is aan haar verleden. Tot diep in de nacht praten ze verder. Bram wijst Debby haar kamer en de douche. Hij gaat, in zijn eigen kamer, op bed liggen om alles wat er die dag gebeurd is, nog even te overdenken. Het besef dat hij voor een ommekeer in zijn leven staat, dringt langzaam tot hem door. Die verandering voelt hij de volgende morgen omdat hij wakker wordt met de gedachte, eindelijk weer eens een dag om naar uit te kijken. Het leven op de automatische piloot is hiermee voorgoed afgelopen beseft hij.

Zo stil mogelijk dekt hij de tafel en zet thee en koffie voor het ontbijt. Debby is ook wakker en ruikt de verse koffie. Zo snel mogelijk doucht ze zich en gaat naar de huiskamer, waar Bram haar met een vrolijk goedemorgen, verwelkomt. In de oven bakken croissants met ham en kaas.
“Wow, wat ruikt het hier lekker.”
“Dank je, voor mezelf deed ik het nooit, maar nu heb ik er weer zin in.”
“Dat komt mooi uit, want ik barst van de honger.”
Het weer is totaal omgeslagen. De regen van gisteren heeft plaatsgemaakt voor de zon van vandaag. Debby kijkt naar buiten en kan niet wachten de tuin in te gaan.
“Zullen we buiten eten?”
“Briljant plan, maar we moeten wel rekening houden met de geit, want die eet alles.”
“Ze staat toch aan de pin?”
“Niet wanneer ik thuis ben.”
“O!”
Debby gaat naar buiten met een tafellaken en twee borden. Ze drapeert, met een handige zwaai, het tafelkleed op de tafel. De twee borden erop en ze kunnen eten. De geit kijkt haar op een kleine afstand wantrouwig aan en begint met zijn kop naar beneden op haar af te komen.
“Hé! Je bent toch geen bok.”
Ze rent snel, met de geit achter zich aan, naar binnen.
“Wat een mafketel is die geit, ze denkt dat ze een bok is of zo,” moppert Debby lachend.
“Dat doet ze om mij te beschermen tegen jouw boze geest.”
Op dat moment horen ze buiten een paar borden rinkelend stukgaan. Snel gaan ze naar buiten waar de geit rustig staat te kauwen op het tafelkleed.
“Zie je wel, ze lusten alles.”
Debby lacht en probeerde het tafelkleed van de geit af te pakken.
“Laat los, kutgeit!”
“Hé, hé, pas een beetje op je woorden. Greta is nog jong.”
Op dat moment laat Greta het tafelkleed los en valt Debby bijna achterover.
“Dat komt er nou van als je mijn Greta beledigt.”
“En dan zeggen ze dat wonen op het platteland zo leuk is.”
“Wacht maar tot een kudde koeien het erf op komt rennen, dan piep je wel anders.”
“Is dat weleens gebeurd dan?”
“Jazeker.”
“Ik geloof er geen barst van.”
“Ik ook niet.”
De geit neemt weer een dreigende houding aan.
“Als je uitgespeeld bent met dat beest, kunnen we dan eten?”
“Als jij die dol geworden veestapel van je onder controle houdt wel.”
De geit gaat aan de pen en ze zitten in het zonnetje, te genieten van het ontbijt.
Debby neemt een broodje mee naar Greta, wat ervoor zorgt dat ze even later vriendinnen zijn.
“De liefde gaat dus óók bij een geit door de maag,” merkt Debby tevreden op.
“Wat doen we met het naar huis gaan?” wil Bram weten.
“Ik wil helemaal niet naar huis.”
De rust en de ruimte van de polder heeft haar volledig te pakken.
“Dan blijf je hier tot maandagmorgen, kunnen we samen naar het werk gaan. Heb ik de kans om je mijn mooie polder te laten zien.”
“Briljant plan.”
“Heb je weleens op een trekker meegereden?”
Een smakelijke lach is haar antwoord.
“Ik zal vragen of buurman Klaas ons naar Schagen wil brengen.”
“Met een tractor zeker?”
“Durf je niet of zo?”
“Natúúrlijk,” bluft Debby en denkt aan de kudde koeien.
Ze wandelt over het erf en Bram legt uit wat er allemaal groeit: “Dit worden stoofperen.”
“Zijn die lekker?”
“Géén idee.”
Debby glimlacht en denkt, aan die droge humor moet ik wel wennen. In Amsterdam gaan grappen bijna altijd ten koste van een ander.
“Dit zijn goudrenetten en die zijn in elk geval lekker, want mijn moeder maakt daar goddelijke appeltaart van.”
Het liefste is Debby nu naar zijn ouders gegaan, want mensen die drie van die zonen op de wereld hebben gezet en die zijn zoals ze zijn, dat moeten wel erg leuke mensen zijn. Wie weet ooit.
“Dit zijn kersen. Die moeten wel érg lekker zijn, want de vogels hebben ze al op wanneer ze nog groen zijn.”
In de verte hoorde Debby, tot haar schrik, een tractor aankomen.
“Zo bluffer, daar komt onze taxi,” grijnst Bram.
“Hij heeft toch wel airco?”
“Uiteraard.”
De buurman bekijkt, zonder ene gene, Debby van onder tot boven: “Nou Bram, jij hebt je ogen niet in je zak zitten.”
“Ze is maar te leen, Klaas.”
Debby weet niet wat ze precies bedoelen, ze weet wel dat dit het grappigste compliment is dat ze ooit heeft gekregen. Ze klimmen in de cabine die, tot haar verbazing, een airco heeft. Ik word gek van die gasten, denkt Debby. De snelheid van de trekker is veel groter dan ze voor mogelijk heeft gehouden.

Bij het station van Schagen stappen ze uit. De buurman rijdt vrolijk zwaaiend weg. Ze lopen een rondje door de gezellige binnenstad met zijn winkelstraten. Debby koopt nog wat slipjes en een bh, want ze heeft maar voor één nacht iets meegenomen. Op het plein bij de kerk, drinken ze een cappuccino met een saucijzenbroodje; de specialiteit van het huis. Het valt Debby op dat de mensen die hier rondlopen, veel vrolijker zijn dan bij haar in de buurt. Bram vraagt: “Zullen we vanmiddag nog een culinair hoogstandje doen?”
Ze ziet aan zijn gezicht, dat dit iets anders is dan ze kan verwachten: “Dat laat ik graag aan jouw deskundigheid over.”

Uit Schagen, rijden ze door lintdorpjes in het ‘oude land’, richting de vroegere turfhaven Kolhorn. Debby kijkt om zich heen en verbaast zich over de rijkdom van de natuur die je pas in detail ziet, als je over de kleine wegen van de polder rijdt. Bram vertelt boeiend over het verschil tussen het oude land aan de ene kant van de dijk en het nieuwe land aan de andere. Debby heeft het enorme verschil al gezien, nu weet ze ook hoe dat ontstaan is. Af en toe stoppen ze om oude boerderijen en sloten te bekijken. Tussen de pollen waterplanten zwemmen scholen voorntjes
“Kikkers hebben hier net zo’n grote bek als in Amsterdam,” merkt Debby op.
“Ja, het zijn net mensen.”
Voorzichtig lopen ze langs de heldere sloot, tot Bram stopt en naar een plek in het water wijst.
“Kijk, daar heb je een snoek.”
“Ik zie hem, wat een mooi beest.”
“Zal ik je laten zien hoe snel ze zijn?”
“Doe maar.”
Hij stampt met zijn voet op de grond. In een flits is de snoek weg.
“Wow, dat is echt snel.”
Debby ziet verschillende soorten eenden en ganzen, die ze nog nooit gezien heeft. Ze komen in Kolhorn aan, dat aan de voet van de dijk ligt. Ze bekijken de oude turfschuren op de dijk. In een café drinken ze een kop koffie, waarna ze het kanaal oversteken, om door het nieuwe land naar het vissersdorpje Den Oever te rijden. Op het moment dat ze de kade van de haven oprijden, gaat de telefoon van Bram.
“Dáár zal je Puk hebben, dat heeft lang geduurd.”
Debby ziet een mogelijkheid om de pestkop terug te pakken en zegt snel:
“We kunnen haar op de kast jagen.”
Bram ziet ook direct de mogelijkheid, hij neemt zijn telefoon op en zet hem op luidspreker, zodat Debby mee kan luisteren.
“Als dat mijn Pukkie niet is?”
Aan de andere kant is het even héél erg stil, maar niet in de hersens van Puk. Daar kookt het van emoties, want het is lang geleden dat Bram haar zo noemde. Met moeite, door de ontroering hierover, zegt ze: “Hoe is het met mijn Brambeertje?”
“Goed en met jou?”
“Prima.”
“Is het gisteravond nog gelukt met Debby?” klinkt het zó onecht onverschillig, dat Debby en Bram bijna lachen.
“Vraag het haar zelf maar.”
“Hoe kom jij daar nou?”
“Ik heb bij Bram geslapen.”
Puk heeft het gevoel dat ze in een goudmijn werkt, waar ze steeds grotere klompen vindt. Dit is duizend keer beter dan ze gistermiddag had durven hopen. Ze denkt, ze zijn vast óók met elkaar naar bed geweest, want Puk blijft Puk. Debby wacht met verder praten, want ze vermoed wat Puk denkt, waarna ze zegt: “In de logeerkamer.”
“Met jou heb ik maandag een beoordelingsgesprek,” blaft Puk door de telefoon.
Debby en Bram kunnen zich niet meer inhouden en barsten in lachen uit. Ze horen Puk ook lachen. Debby vertelt Puk, wat ze gisteravond en vanmorgen gedaan hebben.

De vis en de mosselen, bij het houten tentje in de haven van Den Oever, vindt Debby inderdaad een culinair hoogstandje. Ze wandelen over de drukke kaden waar vissersboten worden schoongemaakt en gerepareerd. Overal liggen visnetten en drijvers. Bram begeleidt haar naar de strekdam, waar vandaan ze het Wad en Den Helder kunnen zien. De oneindige kleiplaten met zijn vogels, vindt Debby fascinerend. In de verte razen de auto’s over de Afsluitdijk. Jachten en grote zeilboten van de bruine vloot, gevuld met vrolijke mensen, trekken aan hen voorbij. De confrontatie met de boten zou hij, een paar weken geleden, nog niet aangekund hebben, nu wel. Op de terugweg naar huis, begint een idee van Debby gestalte te krijgen. In de schuur kan je een zwembad met sauna en fitnessapparatuur bouwen en dan, samen met de mindcontrol, heb je de perfecte combinatie om mensen weer psychisch en lichamelijk fit te maken. Ze zegt het niet tegen Bram.

Ze zitten die avond in de tuin bij een kampvuur.
“Wat een rust en een ruimte, hier kun je nog lekker leven,” merkt Debby op.
“Pas op, want soms is het op het platteland heel lawaaierig, vooral tijdens het oogsten. Dan liggen de wegen vol prut en wordt er soms de hele nacht doorgewerkt. Het gebeurt regelmatig dat mensen voor hun rust naar het platteland trekken en daar ontdekken dat hun buurman ’s morgens om vier uur zijn trekker start en daarna pas apparatuur gaat aansluiten.”

Debby brengt het gesprek op haar ommekeer en dat Bram dat ook zou kunnen meemaken. Hij heeft daar al aan gedacht, door de verhalen van zijn broers en schoonzussen.
“Ik wil, wat jij mijn broers geleerd heb ook kunnen,” beaamt hij haar suggestie.
“Dat kan. We gaan het straks doen, maar nu wil ik nog even genieten van de natuur en de ondergaande zon.”
Greta staat naast haar en bedelt om de toastjes die Bram heeft gemaakt. Het is donker, ze gaan naar binnen om de alfaoefening voor Bram te doen. Bram zit in een makkelijke stoel. Debby begint bij zijn voeten, binnen een paar minuten ziet ze Bram, in alfa raken. Zoals de meeste mensen heeft hij de meeste moeite met zijn nek en schouders. Debby ziet hem worstelen met de knopen in zijn spieren. Na de half uur durende oefening, opent Bram zijn ogen.
“Wat is dat ongelofelijke. En ik maar denken dat ik behoorlijk soepele spieren heb.”
“Daar vergissen veel mensen zich in.”
Bram probeert op te staan om drinken te pakken, het lukt hem niet direct. Hij  lacht om zijn futiele pogingen.
“Je spieren zijn zo ontspannen dat ze nog geen inspanning kunnen leveren. Dat is volkomen normaal.”
Debby geeft Bram  een glas wijn. Voorzichtig pakt hij het van haar aan.
“Wat mij het meest opvalt, is de totale stilte in mijn hoofd.”
“Dat vond ik de eerst keer ook.”
“Ik heb dit  een keer op televisie gezien, maar dan komt er allerlei zweverig gezwam bij, zoals geuren of hummen en van die speciale kleren.”
“Dat doen ze om het onbereikbaar te maken. Dat kan alleen ik je leren, betekent dat. Zo kunnen ze veel geld vragen voor een opleiding om een titel te krijgen. Je wordt dan ‘master’ of ‘goeroe’ of weet ik veel. Mensen die deze therapietjes krijgen, worden er wel beter van, maar ze denken dat het van buitenaf komt. Ze worden afhankelijk van anderen voor die therapie. De techniek die ik gebruik, laat mensen voelen dat zij het zelf hebben gedaan. Ze worden dus niet afhankelijk van mij, maar kunnen, zo veel als ze willen, de training zelf doen. Het is zó simpel, iedereen kan het.
“Mij heb je overtuigd.”
“In de media noemen ze het ook altijd zweverig gedoe, want het is positief en als de media ergens een hekel aan heeft, is het wel positief zijn. Wanneer mensen aan hun gezondheid werken, is dat prima. Verstandig eten, sporten, noem het maar op. Gaat het om je hersens trainen, dan raakt iedereen in paniek en wordt het zweverig genoemd. Het heeft niets met godsdienst of welke vorm van overtuiging dan ook te maken. Met sporten doe je niet anders dan je lichaam tunen om optimaal te presteren, met alfatraining doe je hetzelfde voor je hersens.”
“Geen cartuning maar braintuning dus.”
“Yep.”
“Come on baby, pimp my brain.”
“Mannen worden dus nooit volwassen, hoor ik.”
“Vind je dat erg?”
“Nee hoor.”

Bram heeft Debby, tijdens haar uitleg, aan zitten kijken. Het vuur in haar bruine ogen bezorgt hem een zéér aangenaam gevoel. Hij denkt dat het komt door de bewondering voor haar energie en gepassioneerdheid. De liefde die ze voor elkaar voelen is steeds sterker, maar nog ontkend. Ze gaan ieder naar hun eigen slaapkamer met hun gedachten, waarin de ander wel prominent aanwezig is. In de verte klinkt het geluid van een trekker die bezig is iets vaags te doen op het land.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *