De Ommekeer deel 2

De Ommekeer deel 2

Hoofdstuk 1

Theo zit in zijn auto op het Aalsmeerplein te wachten om de mensen die uit de flat moeten komen te kunnen zien en veraf genoeg om zelf niet gezien te worden. Maandenlang is hij op zoek naar een mogelijkheid om te ontsnappen uit de afschuwelijke situatie waarin hij zit. Er is geen enkele, legale, manier om dit te doen. In plaats dáárvan heeft een plan bedacht om het op een illegale manier te proberen. Daarvoor heeft hij zijn paspoort nodig. Deze ligt in het huis waar de mensen uit moeten komen. Tijdens het wachten kijkt hij af en toe om zich heen. Wat hij ziet, is het volmaakt tegenovergestelde van de afgelopen weken, waarin de zon een hoofdrol speelt. Elke avond zitten er mensen op de bankjes van het plein of voor de kroeg op de hoek. Met als hoogtepunt de avonden in het weekend, dan zitten overal groepjes mensen op de bankjes of staan ze met elkaar te praten. De tafels en stoelen voor het café zijn allemaal bezet. De kroegbaas en zijn vrouw rennen af en aan. De kwinkslagen vliegen door de lucht.
“Hé, gespierde spijker, doe nog maar een rondje,” roept een man vrolijk tegen de kroegbaas die ruim honderdveertig kilo weegt.
“Een half jaar niet eten en ik ben slank en knap, maar die lelijke kop van jou raak je nooit meer kwijt,” jent hij terug.
Er is ook muziek. De Majoor, zoals hij wordt genoemd, een ex-marinier, speelt op zijn trompet en ome Gerrit op zijn accordeon. De tekst van het lied: ‘bij ons in de Jordaan’ is veranderd in: ‘bij ons op het Aalsmeerplein’.

Nu ziet het plein er desolaat en grauw uit in de druilerige motregen. De stinkende pisbak bij de ingang van de begraafplaats ’Huis ter Vraeg’ staat scheef, valt hem nu op. Voor iedereen is het rotweer, voor hem is het ideaal, want zo kan hij ongezien doen waar hij voor komt. Hij kijkt gespannen naar de portiek waar twee mensen rond tien uur uit moeten komen. Het is al kwart over tien en hij heeft ze nog niet gezien. De perfectie van de avond begint barstjes te vertonen. Om halfelf overweegt hij om zijn actie af te breken. Op dat moment komen ze naar buiten. Na een paar minuten, stapt hij uit en loopt naar de portiek waar de mensen uit zijn gekomen. Even aarzelt hij, want er begint zich een slecht voorgevoel te manifesteren; hij negeert het. Voorzichtig opent hij de deur van de portiek. De vage geur van urine en het vuil in de hoeken van de portiek, bezorgen hem, hoewel hij dit gewend is, een gevoel van walging. Zo stil mogelijk loopt hij de trap op. Hij opent de voordeur en stapt de hal van de flat in. Heel even blijft hij staan om zijn zenuwen onder controle te krijgen. Het trillen van zijn handen en het dreunen van zijn hart is langzaam minder. Hij kijkt naar de keuken, waar de afwas van een paar dagen staat te stinken op het aanrecht. Tot het uiterste gespannen, blijft hij in de hal staan. Onder normale omstandigheden hoort hij het geluid niet, maar nu wel. De deur van het trappenhuis gaat open en dicht. Het slechte voorgevoel in de auto explodeert door zijn hele lichaam. Hij is zo verstandig hier nu wel naar te luisteren. In de volgende seconden overziet hij de mogelijkheden om zich te verschuilen. Keuken, huiskamer, slaapkamer, balkon, ze zijn niet geschikt. Dan ziet hij een mogelijkheid. Met drie stappen is hij bij de bezemkast. Hij pakt de sleutel uit het slot en steekt die aan de binnenkant er weer in. Zo stil mogelijk stapt hij de kast in en trekt de deur naar zich toe. Op het moment dat hij de deur van binnenuit op slot doet, gaat de voordeur open. Voorzichtig buigt hij naar voren om door het ventilatieluik te kijken. Hij ziet de twee mensen binnenkomen, die nog geen kwartier geleden zijn vertrokken. Verdomme hoe kan dat nou, ik had naar mijn slechte voorgevoel moeten luisteren, denkt hij.
“Hij komt er zo aan, zullen we in de kamer bespreken wat we gaan zeggen?”
De toon is vragend, maar duldt tegelijkertijd geen tegenspraak.
“Dat is goed,” antwoordt de vrouw timide.
Theo overweegt of hij een poging zal wagen om te vluchten zodra ze naar de woonkamer gaan. Een zacht geklop op de voordeur maakt hier een einde aan. De vrouw opent de deur en laat de bezoeker binnen. Theo buigt zich weer naar het rooster en ziet het gezicht van de bezoeker. Hij kent hem, maar hij weet niet waarvan. De bezoeker hangt met zorgvuldige gebaren, die veel ergernis uitstralen, zijn jas aan de kapstok. Hij loopt achter de vrouw aan naar de woonkamer, waarbij hij op een vriendelijke toon opmerkt: ”We moeten wel opschieten, want ik moet nú al ergens anders zijn.”
Theo krijgt kippenvel van de toon waarop de man het zegt. Hij overweegt weer, nu veel dringender, om te vluchten.
De zin: “Ik pak even wat bier, wil je ook?” die uit de kamer klinkt, maakt een einde aan deze overweging.
“Nee dank je.”
De vrouw pakt in de keuken twee flesjes bier. Theo neemt zich voor om te wachten met vluchten, tot er een betere kans komt. De kamerdeur gaat dicht, waardoor hij niet kan verstaan waar ze over praten. De temperatuur in de kast loopt op. De bedompte atmosfeer, maakt hem misselijk. Een vleugje wrijfwas uit een ver verleden probeert het geheel nog enige stijl te geven.

Het gesprek in de kamer stopt. De deur gaat open, Theo ziet de bezoeker uit de  kamer komen.
“Ik zal alvast wat geld uit mijn jas pakken, de rest regelen we later wel.”
De toon, is weer heel vriendelijk. De woede in het gezicht van de bezoeker, bezorgt Theo een gevoel van afgrijzen. Die uitdrukking, heeft Theo nog nooit bij een levend mens gezien. Het totale gebrek aan inlevingsvermogen in een ander en het niet hebben van een geweten, geeft hem een dierlijke trek op zijn gezicht. Op foto’s die hij bij een bezoek aan oorlogskamp Westerbork heeft gezien, zag hij diezelfde uitdrukking bij de Duitse bewakers. De bezoeker loopt naar zijn jas, pakt daar geen geld uit, maar een pistool met geluiddemper. Het angstzweet stroomt binnen een paar seconden over het hele lichaam van Theo. Alles is betrekkelijk en vaag. In leven blijven is nu zijn enige doel. Binnen tien seconden is het gebeurd, hij hoort een paar kreten uit doodsnood en het twee keer ploffen van het pistool. Daarna is het stil, doodstil. Even later komt de bezoeker met het pistool de kamer uit. Hij kijkt om zich heen en heel lang, voor het gevoel van Theo, in zijn richting. Nog nooit heeft hij zich zo dicht bij de dood gevoeld. De bezoeker draait zich om en gaat de keuken in. In een van de keukenkasten is gerommel te horen, waarna hij weer de hal in komt lopen. De bezoeker pakt zijn telefoon. Theo luistert naar het eenzijdige gesprek.
“Hallo met mij. Ze willen mij chanteren, de varkens.”
“…”
“Ik heb ze opgeruimd. Kom jij hier de boel schoonmaken, want ik heb bloedhaast. Ik ben alleen in de hal en de woonkamer geweest. Het pistool zit in de beschuitbus in het keukenkastje. Denk om de hulzen.”
“…”
“Geen paniek, om een uur of vijf vannacht is prima. We maken er een familiedrama van, man schiet vrouw en vriend dood en daarna zichzelf. Die zelfmoord moet jij morgenochtend, wanneer hij naar zijn werk gaat, met hetzelfde pistool doen, Wel een afscheidsbriefje natuurlijk.”
“…”
“Ik ben weg, de sleutel ligt onder de mat.”

In de hal staat de bezoeker nog even om zich heen te kijken of hij niets vergeten is. Zijn instinct waarschuwt hem dat er iets niet klopt. In de kast smeekt Theo in, gedachten, ga weg. De bezoeker loopt naar de kast toe. Theo gaat héél voorzichtig zoveel mogelijk naar achteren en doet zijn ogen dicht. Hij buigt zijn hoofd naar beneden om het wit van zijn gezicht te verbergen. De bezoeker probeert door het rooster te kijken. Theo is bang dat zijn darmen gaan borrelen door de angst. De bezoeker probeert de kast open te maken.
“Waar is die achterlijke sleutel?” mompelt hij, zoekend naar een eventuele opbergplaats.
“Nou ja, geen tijd meer. Ik zal het me wel verbeelden,” mompelt hij.
Eindelijk stapt de bezoeker resoluut de deur uit en trekt die voorzichtig achter zich dicht.
Een vrouw die met haar hond wandelt, doet net of ze de bezoeker niet ziet.

Theo verlaat de kast, wankelend staat hij in de hal, want de adrenaline zorgt ervoor dat hij nauwelijks kan blijven staan. Een eindeloze zucht, die meer een snik is, geeft hem weer de nodige zuurstof en kracht. De neiging om hard weg te rennen van deze plek, die naar zijn idee de hel moet zijn, onderdrukt hij.
“Ik moet verdomme sterk zijn voor de anderen,” vloekt hij tegen zichzelf, terwijl hij naar de keuken loopt en op een stoel gaat zitten. Zijn verstand kan de gebeurtenissen nog niet in logisch denken ordenen. Small steps, zou zijn vader zeggen. Het uitvoeren van zijn oude plan is nu niet meer nodig en mogelijk, is het eerste logische wat hij kan bedenken. Wat hij komt doen om het plan uit te kunnen voeren besluit hij toch te doen, zijn paspoort pakken uit de kast in de slaapkamer.

Hij moet nu bedenken wat hij moet doen. Naar de politie gaan kan niet, want op het moment dat hij overweegt dat te doen, herinnert hij zich wie de bezoeker is. Nu dringt de volle omvang van het gevaar waarin hij verkeert tot hem door. Hij staat op en gaat naar het aanrecht om zijn gezicht af te spoelen met koud water, waardoor hij kalmeert. Hij gaat weer op de stoel zitten en probeert orde in de chaos in zijn hoofd te scheppen. Ik moet mijn eigen zelfmoord proberen te voorkomen, maar hoe doe ik dat, is zijn eerste gedachte. Vluchten is het eerste idee. Hij probeert alle consequenties van deze oplossing te overzien. Als ik vlucht, nemen ze mijn vader.
“Natúúrlijk, wat ben ik toch een eikel, dat pistool moet weg, dan kan dat helemaal niet,” scheldt hij tegen zichzelf.
Wat daarvan de gevolgen zijn, kan hij absoluut niet overzien, het kan hem ook niets schelen. De bezoeker had al een gevoel dat er iemand in de kast zat. Het is voor hem natuurlijk simpel om te bedenken wie dat is. Wie heeft een sleutel en een reden om daar naar binnen te gaan, terwijl de bewoners er niet zijn?
“Ik,” mompelt Theo in de doodse stilte van de flat.

Hij kijkt op zijn horloge om te zien hoeveel tijd hij heeft voor de handlanger komt. Wat dat is, weet hij van de vele politieseries die hij op de tv heeft gezien. Nog geen elf uur, in minder dan dertig minuten, in plaats van de uren die het lijken, is alles voorbij, denkt hij. Het is de langste dag maar toch is het al bijna donker door de bewolking. Ondanks dat, durft hij de verlichting niet aan te zetten. Hij pakt een plastic zak en steekt zijn hand erin. Hij pakt hij de beschuitbus en doet de zak zorgvuldig dicht.

Nu heeft hij het moordwapen met de vingerafdrukken van de dader in zijn handen. Dat moet toch op de een of andere manier een sterke troef zijn, hoewel hij geen idee heeft hoe hij het kan gebruiken. Hij draalt, net als de bezoeker, nog even om te bedenken of hij niets vergeten is.
Langzaam loopt hij naar de voordeur om weg te gaan. Het tafereel in de huiskamer wil hij niet zien, maar hij kan zich niet beheersen om toch te gaan kijken. Wat hij in de kamer ziet zal voor altijd een foto in zijn brein zijn, die hij later haarscherp en tot in detail tevoorschijn kan laten komen. Het grote nadeel is, dat het beeld ook, af en toe, onbewust tevoorschijn komt. Achteruitlopend verlaat hij de kamer. In de hal durft hij zich weer om te draaien. Zo stil mogelijk verlaat hij de flat. Voor het verstoppen van het pistool heeft hij een perfecte plaats bedacht, waar hij direct naar toe gaat. Daar vandaan loopt hij de honderd meter naar het huis van zijn ouders.

Tijdens deze korte wandeling begint zijn plan om te verdwijnen steeds concreter te worden. Stilletjes doet Theo de voordeur open en gaat naar de slaapkamer van zijn ouders. Zijn moeder wil hij laten slapen, want die wil meteen weten wat er aan de hand is en waarom, denkt hij. Zij neemt nooit genoegen met een beknopte uitleg. De discussie die hierop volgt, kost hem te veel tijd, daarom probeert hij alleen zijn vader wakker te maken, wat uiteraard niet lukt. Hij wil zijn moeder niet kwetsen, daar is ze veel te lief voor, maar nu moet hij wel.
“Mam, ik moet wat met vader bespreken, hij vertelt het weer aan jou, want ik heb ontzettende haast.”
Deze moeder begrijpt wanneer het tijd is om buiten spel te staan.
“Dat is goed hoor, jongen.”
In telegramstijl vertelt hij zijn vader, wat zich in de flat heeft afgespeeld, maar niet wie de moordenaar is.
“Ze willen mij de schuld geven, daarom moet ik verdwijnen. Ik ga zogenaamd zelfmoord plegen, maar in werkelijkheid verdwijn ik. Misschien kom ik ooit terug naar Nederland, maar dat kan héél erg lang duren. Geef me morgenmiddag op als vermist, vertel erbij dat ik erg down ben de laatste tijd.”
In werkelijkheid is hij dat ook. Zijn pogingen om vrolijk en optimistisch over te komen, zijn door zijn familieleden doorzien. Wat zijn vader wél weet, door de opvoeding die ze hem gegeven hebben, dat hij niet alleen een doorzetter is, maar dat ook zijn liefde voor het leven in alle vormen groot is. Zijn vader voelt aan dat wanneer zijn zoon uit deze situatie is, die liefde weer volledig terug zal zijn.
“Ze zullen je vragen waar ik eventueel naar toe zou kunnen gaan om zelfmoord te plegen. Zeg dat je het niet weet. De volgende avond ga je weer naar de politie. Vertel ze, dat ik tijdens een vakantie in de buurt van Calais, een keer gezegd heb dat als ik het leven zat was, ik dan van de Deux Caps naar Engeland zou proberen te vliegen. Daar zullen ze mijn auto vinden, maar mij niet, ik ben meegenomen door de stroming, zullen ze denken.”
Zijn vader heeft hem niet onderbroken tijdens de uitleg over zijn plannen. De twee mannen kijken elkaar aan en terwijl de tranen over hun wangen stromen, omhelzen ze elkaar. Theo fluistert een laatste instructie in het oor van zijn vader: “Zondagavond over een week gaat jullie telefoon een paar keer over. Neem niet op, want even later gaat hij nog een paar keer. Dan weten jullie dat alles goed is met mij. Iemand die jullie telefoon aftapt weet dan niet dat ik gebeld heb.”
“En als je niet belt?”
“Ik bel, de goddelozen zullen deze rit niet winnen.”
De mannen lachen naar elkaar. Tijdens hun gesprek is één ding zorgvuldig vermeden, het afscheid dat Theo nog moet nemen, maar wat hij niet kan doen zonder volledig in te storten.
“We moeten nu zo veel mogelijk geld pinnen van jouw rekening. Dat kan je later van mijn rekening weer terughalen, daar heb je een pasje van. Eerst pak ik wat spullen voor onderweg in mijn rugtas.”
Zo snel mogelijk pakt Theo wat kleding en toiletspullen, een zaklantaarn, een pannetje en een mes en stopt dat bij de spulletjes die er al in zitten voor de vakanties. Zijn vader heeft nog voor 300 gulden Franse Franken liggen die hij aan zijn zoon geeft. Theo gaat naar de slaapkamer van zijn ouders om zijn moeder, misschien wel de laatste keer, een kus te geven.
Samen lopen Theo en zijn vader naar de pinautomaat waar ze duizend gulden kunnen pinnen. Met een laatste zwaai vertrekt Theo naar zijn auto, waarmee hij aan zijn tocht naar Calais begint.

Zodra Theo uit zicht is, stort zijn vader in. Al zijn energie heeft hij gebruikt om zich goed te houden tegenover zijn zoon. Zwalkend als een dronkenman loopt hij naar huis. Op handen en voeten, worstelt hij zich de trap van de flat op. Zijn vrouw staat hem in de traphal op te wachten. Op het moment dat ze hem zo moeizaam de trap op ziet komen, dringt het tot haar door wat Theo met zijn vader besproken heeft, afschuwelijk en heel ernstig moet zijn. Spontaan stromen de tranen over haar wangen uit ongerustheid over haar man, maar ook over wat er met Theo gebeurd moet zijn. Snel loopt ze hem tegemoet. Nog nooit heeft ze iemand gezien met een gezicht zo asgrauw als dat van haar man op dat moment. Binnen een uur is hij veranderd van een jonge man voor zijn leeftijd in een oude man voor zijn leeftijd. Met haar arm om zijn middel sleept ze hem naar boven. Voorzichtig laat ze hem op de bank zakken.
“Wat is er in godsnaam gebeurd?”
“Ze is dood,” weet hij uit te brengen.
“Wie?”
“De vrouw van Theo en die, die, die póóier van haar.”
De verbetenheid waarmee hij dit zegt verontrust haar.
“Toch niet door…”
“Nee, maar hij wil niet zeggen door wie wel.”
“En nu?”
“Hij gaat onderduiken.”

Tot diep in de nacht zitten ze samen op de bank het verleden en de naaste toekomst te bespreken. Langzaam dringt ondertussen de immensiteit en de gruwelijkheid van wat er gebeurd is tot ze door. In bed liggen ze elkaar troostend te strelen tot ze van uitputting in slaap vallen. Om zeven uur maakt een lief stemmetje ze wakker.

De vader van Theo sloft de volgende middag dodelijk vermoeid naar het politiebureau. Dennis, de rechercheur van dienst, hoort zijn verhaal aan. Er gaat een signalement naar de politie met het verzoek om hem, wanneer hij gevonden is, aan te houden.

De volgende dag lezen de ouders van Theo in de krant dat er in Amsterdam een afrekening heeft plaatsgevonden in de drugsscéne. Zo heeft de bezoeker snel en efficiënt zijn probleem opgelost. Theo is op dat moment voor de moordenaar geen direct gevaar meer. Mocht hij ooit met het pistool tevoorschijn komen, dan kan hij altijd nog met hem afrekenen, is zijn standpunt.

De vader van Theo begint een aantal maanden later aan een brief, waarin hij beschrijft wat er met zijn zoon en diens vrouw gebeurd is. Hiervoor gebruikt hij zijn eigen versie van de waarheid. Het is beter iemand te verliezen door de dood, dan niet te weten waar diegene gebleven is, denkt hij tijdens het schrijven. De brief brengt hij naar een notaris. Met de uitleg wat daar, eventueel, in de toekomst mee moet gebeuren.

De eerste stap van Theo, op weg naar zijn tweede leven, is een naam bedenken voor zijn nieuwe persoonlijkheid. Vanaf nu is mijn naam Jean Carpentier.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *