De Ommekeer deel 21

De Ommekeer deel 21

Eindelijk is het vrijdag. Debby heeft haar koffertje voor het weekend bij de receptie naast zich staan. Rik, Brian en Joke zijn na vijven, opgefokt door Puk, toevallig steeds in de buurt van de receptie, in afwachting van de komst van Bram. Debby doet net of ze het niet merkt, ze vindt de belangstelling vooral vertederend. Een fluitende Bram komt het bedrijf binnen. Puk kijkt, triomfantelijk naar de broers en Joke.
“Het bewijst nog niks,” fluistert Rik in het oor van Puk.
Bram gaat direct naar Debby en geeft haar een kus.
“Kunnen we, of laten die slavendrijvers je nog niet gaan?”
“Die zoeken het maar uit, wij zijn weg,” vrolijk zwaaiend verlaten ze de zaak.
Puk zegt niets, daar is ze door haar ontroering ook niet toe in staat.

“Gaan we weer uit eten Bram?”
“Ja, en we gaan uit.”
“Waar naar toe?”
“Dat is een verrassing.”
“Ik ben benieuwd.”
De rest van de rit praten ze over wat ze de afgelopen week gedaan hebben, waaronder de droom van Bram. Debby vertelt hoe ze in het reine is gekomen met haar moeder en dat Bram ook zoiets heeft meegemaakt, maar dan in een droom.

Bij de boerderij horen ze flarden muziek.
“Daar hebben ze feest,” merkt Debby op.
“Daar gaan wij naar toe. Vandaag is het buurtfeest.”
“Dat lijkt mij leuk.”
“Pas op wat je zegt, want je moet wel iets doen.”
“Zoals?”
“Een gedicht voorlezen of een liedje zingen, dat soort dingen.”
“Dan weet ik wel wat.”
“Wát?”
“Dat zie je vanavond wel. En jij?”
Een smalend lachje is het antwoord van Bram.
“Mm. Ons eerste geheimpje.”
Ze kleden zich om voor het feest. De barbecue ruiken ze al op het erf. Bram heeft een korte broek en een T-shirt aan. Debby trekt haar lingeriesetje aan met een heupbroek en een topje. Het setje heeft ze meegenomen voor het grote moment, als het komt. Nu heeft ze het aangetrokken voor haar optreden die avond. Ze komt tevoorschijn en Bram ziet voor de eerste keer, bewust, de schoonheid van Debby
“Wauw, wat ben jij mooi.”
“Dank je wel, jij ziet er ook uit om de buurmeisjes dol te maken.”
“Alleen de buurmeisjes?”
“Oké, ik beken. Mij ook.”

De woorden van Jane, wordt gelukkig met haar, zijn de hele week door zijn hoofd gemalen. De manier waarop Debby die woorden heeft uitgelegd, is zo logisch dat hij maar tot één actie kan overgaan. Hij kijkt haar aan en vraagt: “Wil jij mijn vriendinnetje worden?”
Debby lacht om zijn serieuze gezicht en antwoordt: “Alleen als ik met je speelgoedautootjes mag spelen.”
Ze bezegelen hun verkering met een vurige tongzoen. Debby fluistert hijgend: “Vanavond kom ik bij je slapen.”
“We kunnen het feest laten schieten,” oppert Bram met een grijns op zijn gezicht.
“Niks daarvan, ik moet vanavond mijn kunsten nog vertonen.”
“Je hebt gelijk, we gaan, ik barst van de honger en de dorst naar bier, emmers bier.”
“Ik ook, hier krijg ik toch niets te drinken.”
“Biertje mee voor onderweg?”
Ze lopen langs de boomsingel, die tussen de smalle weg en het kanaal daarachter loopt. De fazanten duiken weg tussen de varens en het kreupelhout. Vanaf het land vliegen de laatste houtduiven naar hun nesten. De buurman heeft de rest al ingelicht over Debby. Hun Bram met een rasechte Amsterdamse, dat is spannend. Het geintje van Debby over de buurmeisjes blijkt, zonder dat zij dat weet, echt te zijn. Met gepast gejoel is de nieuwelinge ontvangen, maar niet door de twee buurmeisjes die Bram als verloren moeten beschouwen. Een uur later is dat over, want ze vinden Debby véél te aardig.
De manier waarop ze zich ‘zonder stadse fratsen’, gedraagt, vinden de buren geweldig. De saté van de varkenshaas is voortreffelijk, net als het bier uit de pomp. Het wordt donker en ze steken een groot vuur aan. Bram is aan de beurt voor zijn act. Hij leest een gedicht voor over de polder, dat hij zelf heeft geschreven.

De polder

De polder met zijn ruige schoonheid
Sloten kanalen meren water overal

Zijn meedogenloze natuur vol kleuren
De houtwallen vol van leven en hun rovers

Een fazant verdwaald tussen de gewassen
Past op voor het geweer van de jager

Het leven is hier hard en mooi
Ruimte volop het uitzicht oneindig

Niets is gratis of gaat vanzelf
De trekker trekt ploegt de horizon tegemoet

Oogsten is een feest van allemaal
Wegen vol met prut en zweet

Zoet geurt de suikerbiet wachtend op transport
Uien verdringen het drogend op het veld

De winter overleven in het warme huis
De oogst opgeslagen wachtend op een koper

De prijzen zijn bedroevend laag
Alleen de handelaar profiteert

Het tuig wordt hersteld
De dampende mest over de velden

Het voorjaar brengt een nieuwe kans en hoop
De zaden in de grond de schoffel erlangs

Groei bij wind en regen
Aarzelend eerst maar dan op volle kracht

Een scala van geuren waait over de velden
Van hyacint tot koolzaad voor bijen onweerstaanbaar

Zomerse warmte stroomt over het land
Dan vieren de boeren feest in de polder

Een instemmend gejuich is de beloning voor het gedicht. Debby heeft naar hem zitten kijken toen hij het voordroeg. Niet alleen aan de tekst, maar ook aan de manier waarop hij het gedicht voordroeg, is zijn liefde en bewondering voor de hardwerkende mensen in de polder goed te zien. Debby hoort dat zij nu iets moet doen, want háár naam klinkt steeds luider.
Ze vraagt aan de man van de muziek: “Heb je iets ‘Arabischachtigs’?”
“Ik heb een boerenliedje op Turkse muziek.”
“Prima. Als ik een teken geef, start je de muziek.”
Ze zwaait naar de muziekman. Met een soepel gebaar trekt ze haar topje uit. Op de aanzwellende muziek begint ze te buikdansen, iets wat ze ooit van een Turkse buurvrouw heeft geleerd. Haar door Puk genoemde kokosnoten, dansen mee op de maat van de muziek in haar sexy beha.
De dj, moet de muziek veel harder zetten om boven het instemmende gejoel en gefluit uit komen. Debby heeft, op een positieve manier, indruk gemaakt in de polder.

De buurman nodigt Debby en Bram uit om de volgende avond bij de wedstrijd boeren darten te komen kijken.
“Gaan we meteen vaten legen.”
“Vaten legen snap ik, maar wat is in godsnaam boeren darten?”
“Darten met hooivorken.”
“Natúúrlijk! Stomme vraag.”
“Inderdaad ja, dat doen ze in Amsterdam zeker niet?”
“Jawel, in zuidoost, maar dan met messen.”
De zon komt op, een teken om met veel gezoen en gelach het feest te beëindigen. De landbouwers gaan naar bed, de boeren gaan naar de stal om te melken. Koeien feesten niet.

Zingend, lachend en af en toe stoppend voor een kus, lopen ze in het eerste ochtendlicht naar huis. Debby verlangt ernaar om met Bram te vrijen. Ze is op dit gebied niet verwend. Eén keer heeft ze een vriend gehad die zo snel mogelijk dronken werd om haar daarna meer te verkrachten dan met haar te vrijen. Ze heeft hem direct de deur uitgetrapt. Ze weet dat het met Bram anders is, maar zo geweldig, heeft ze niet kunnen bedenken. Zijn handen en mond lijken wel van satijn. Zijn geduld is eindeloos. Totaal bevredigd vallen ze in slaap.

Kreunend van de nadorst zijn ze om twee uur wakker. Samen maken ze ontbijt en drinken daar veel water en thee bij, om weer een beetje mens te worden. Op een plekje in de schaduw van een grote berkenboom, gaan ze in hun blootje liggen zonnen. Debby, kreunt behaaglijk: ”Wat moet je nou met een naaktstrand, als je dit hebt.”
“Dit wilde ik vorige week al doen, maar ik was bang dat jij je dan niet zou kunnen beheersen.”
“Daar kon je nog wel eens gelijk in hebben, nu ook niet.”
De geit denkt er het hare van.

Ze liggen bewusteloos na het vrijen op het kleed en horen niet dat de buurmeisjes het erf op komen fietsen. Zij zien Debby en Bram in de tuin liggen slapen, zo stil mogelijk sluipen ze naar ze toe. Voor het eerst zien ze hun buurman bloot, wat ze een er érg prettig uitzicht vinden. Ondanks dat kunnen ze het niet laten om in het huis een emmer water te vullen en die over hem heen te gooien. Bram geeft een schreeuw van schrik en vliegt overeind. De dames, inclusief Debby, hebben daar veel plezier om.
“We komen jullie halen voor de wedstrijd,” klinkt het honigzoet.
“Smoesjes. Ik weet wel waar jullie écht voor komen.”
“Phoe, kapsones heeft meneer wel.”
“We komen helemaal niet voor jou, we willen Debby wat vragen.”
“Ga jullie gang, ik ga douchen. En nee, jullie mogen niet mijn rug te wassen.”
Onder spottend geroep vertrekt Bram naar de douche.
“Wat willen jullie vragen meiden.”
“Het gaat over die leuke jongens van gisteravond.”
Debby geeft een stukje ‘voorlichting’ over versieren weg. Ze doet er een stukje wijze raad bij: “Kijk in zijn ogen. Zie je daar iets waardoor je twijfelt, wegwezen. Kijkt hij je oprecht en eerlijk aan, dan kan je als je dat wilt, doorgaan met hem.”

Het darten is een leuke wedstrijd, waar die érg leuke jongens aan meedoen, ziet Debby. Door het gemak waarmee Debby met iedereen omgaat en haar extraverte houding, heeft ze snel de buurmeisjes met de érg leuke jongens om zich heen.

De vaten zijn leeg, de restanten van de barbecue op, tijd om naar huis te gaan. Om tien uur die avond is er alleen nog gesnurk te horen. De zondag doen ze weinig. Ze pratend over het verleden en een nieuwe, nog onzekere, toekomst. Zondagavond vertrekken ze alvast naar de flat van Debby om de volgende morgen niet vroeg uit bed te hoeven.

Bram gaat met Debby mee naar binnen, om hun grote nieuws aan de broers en hun vrouwen te vertellen. Puk gloeit van blijdschap en trots, ze krijgt van de broers en Joke bergen complimentjes. Het personeel is nog niet officieel ingelicht, daar is alles nog te vers voor. Puk blijft ‘stralend’ door het bedrijf lopen. Klaas, waar Debby een speciale band mee heeft, weet het wel. De knipoog van Debby is duidelijk genoeg. Puk blijft nog steeds Puk, ze kan niet langer wachten tot Debby vertelt wat ze gedaan hebben, vooral het gedeelte van de seks. Dat ze gevreeën hebben, neemt Puk aan als een katholiek een dogma.
“Hoe was het?”
“Hoe was wat?”
Puk negeert de pesterij van Debby.
“Ik weet dat hij goed is, we hebben wel eens met zijn vieren op een eilandje gevreeën.”
“Jij met Bram?”
“Nee, ik met Rik en Bram met Jane, maar ik heb mijn ogen niet in mijn zak.”
“Hoe goed is Rik?”
“Minstens zo goed en Brian ook.”
“Hoe weet… Laat maar.”
“Hebben wij het met onze mannen getroffen, of hebben wij het getroffen?”
“Wij hebben het getroffen zeikerd.”
“Ik noem ze: het broederschap der goddelijke knotsen.”
“Wat hebben jullie nou weer voor ongein?” vraagt Rik.
“Dat gaat je geen reet aan, en nu opzouten.”                                                                                                                                                                                                                   Die is zo wijs om niet door te vragen. Verwensingen mompelend, verdwijnt hij zo snel mogelijk.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *