De Ommekeer deel 23

De Ommekeer deel 23

Bram leert alle facetten van de training. Hierdoor krijgt hij een heel andere kijk op zijn omgeving. Hij ziet dat veel mensen ongelukkig zijn, zonder een duidelijke reden. Ze zitten in een cirkel van negatief denken wat hun levensgeluk, prestaties en creativiteit nadelig beïnvloedt. Waarom doen ze daar niets aan, vraagt hij zich af tijdens een van de keren dat hij in alfa is. Hij komt tot de conclusie dat het niets met geld te maken heeft, maar met sporen.
Er zijn twee sporen, een negatieve en een positieve. Iedereen zit bij zijn geboorte op een daarvan. Door een goede opvoeding, zoals hij heeft gehad, kom je op het positieve terecht en heb je geluk. Krijg je een slechte opvoeding, dan kom je op de negatieve en heb je pech. Onderweg zijn er wissels waardoor je, soms buiten je schuld, van spoor verandert of zelf veranderen kan zoals, studie, werk en mensen die komen of weggaan. Mijn negatieve wissel is de dood van Jane en Ab, de goede het tegenkomen van Debby. Als ik die genegeerd had was ik nu nog ongelukkig. Ik heb veel geluk gehad. Iedereen moet die training kunnen krijgen om zijn wissels te kunnen zien en zijn leven aan te passen. Met deze gedachte valt hij in slaap.

Na twee maanden is hun liefde sterk genoeg om Debby aan de ouders van Bram voor te stellen. Zijn broers hebben al wat verteld over haar. Ze hebben gemopperd dat Bram haar nog niet heeft voorgesteld.
“Bram stelt haar voor, wanneer hij vindt dat het tijd is. Daar moeten jullie je mond over houden,” beslist hun moeder.
Dat doen ze dan ook. De broers hebben een heilig ontzag voor de oude dame, die nog steeds streng en rechtvaardig, over haar zonen regeert.

Op een avond stelt Bram voor om naar zijn ouders te gaan. Debby ziet hier tegenop en kijkt ernaar uit. Door de manier waarop de broers en de schoonzussen vertellen over hun ouders, heeft ze zin om ze te ontmoeten. Dat zij, in plaats van Jane, met Bram mee gaat ziet ze tegenop. De liefde en het gevoel welkom te zijn, omhult haar zonder verstikkend te zijn. Wanneer ze met de hele familie samenzijn zegt Debby tegen moeder: “Ik weet waarom jullie zulke leuke zonen hebben, ze zijn net hun vader, maar dan door u opgevoed.”
“Horen jullie dat? Eindelijk iemand die mijn zware taak waardeert.”
“Mam, wij waarderen het ook hoor, Debby is gewoon een walgelijke slijmster.”
De volgende stap is een ontmoeting met de schoonouders van Bram.
Bram belt ze op en vraagt of hij, samen met een kennis, de volgende dag langs mag komen.
Ze vraagt niet wie of waarom, zijn schoonmoeder zegt alleen: “Natúúrlijk, jullie zijn van hartelijk welkom. Tot morgen dan.”
Via de ouders van Bram weten zij al wie die kennis is.

Luchtig babbelend, rijden ze naar zijn schoonouders toe. Dit ‘babbelen’ is een uiting van zijn nervositeit, weet Debby. Hoe dichter hij bij de bestemming komt, hoe stiller hij is. Debby weet dat ze niets anders kan doen dan afwachten, dit is zijn strijd, die moet hij alleen strijden.

Op het moment dat hij uitstapt is alle kleur uit zijn gezicht verdwenen. Debby volgt hem op een kleine afstand. Met een vrolijk: “Hallo, kom binnen,” worden ze verwelkomd door zijn schoonvader. Ze lopen de kamer in waar zijn schoonmoeder op hem zit te wachten. Bram, heeft al duizenden keren bedacht wat hij gaat zeggen als hij zijn schoonouders weer ontmoet. Sinds hij met Debby omgaat, heeft hij hoop dat hij iets zinnigs kan bedenken. In de auto heeft hij nog gezocht naar mogelijkheden. In zijn hersenen heeft hij alles een plaats gegeven. Het gevoel van schuld is er nog wel, hoewel hij weet dat hij haar niet had kunnen verbieden te gaan. Het is haar keuze geweest om, ondanks zijn sterke afraden, toch te gaan. Die eigenwijsheid is een van haar eigenschappen waardoor hij zoveel van haar houdt en waardoor hij haar is kwijtgeraakt. Nu hij zijn schoonouders weer ziet, verdwijnen al die rationele redeneringen, wat overblijft is het schuldgevoel tegenover deze geweldige mensen. Hij zakt op zijn knieën voor zijn schoonmoeder en slaat zijn armen om haar heen. Huilend herhaalt hij: “Het spijt mij zo, het spijt mij zo.”
Zijn schoonmoeder streelt hem over zijn haren en fluistert: “Het geeft niet jongen, het is niet jouw schuld.”
“Het is wel mijn schuld, ik had haar tegen moeten houden.”
“Jane tegenhouden, dat kon niemand, zelfs jij niet.”

Debby verliest het dappere gevecht tegen haar tranen. De vader van Jane ook. Geen van allen heeft de behoefte om op dat moment iets te zeggen.
De gedachte over wat er met Jane en de kleine is gebeurd, verbind ze met elkaar. Het verdriet van Bram maakt plaats voor een gevoel van opluchting over de manier waarop, zijn schoonouders nu met hem omgaan. De moeder van Jane pakt het hoofd van Bram hoofd tussen haar tere handen, met haar duimen veegt ze de tranen van zijn gezicht.
“Stel je ons nog aan je nieuwe vriendin voor? Als ik het goed begrijp, hebben we aan haar te danken dat je weer terug bent.”
“Dat hebben jullie goed begrepen.”

Debby voelt de intense pijn van deze geweldige mensen, maar ook de blijheid over de terugkeer van Bram. Hij stelt Debby voor en vertelt hoe ze elkaar hebben leren kennen en wat de mindtraining voor hem en zijn familie betekent. De moeder van Jane luistert geïnteresseerd en zegt tegen Debby: “Zoiets doen wij ook, we noemen het bidden.”
“Dat is inderdaad, omdat je alleen aan God denkt, ook een techniek om in alfa te raken.”
“Soms is het verdriet of een andere gedachte zo sterk dat het niet lukt om je te concentreren.”
“Dat is het verschil met de methode die wij gebruiken, daar kan je alle gedachten uit je hoofd laten verdwijnen en de rust vinden om weer snel op krachten te komen.”                                                                                                    “Daar zijn we je nu dankbaar voor.”
“Pa, hoe is het met de tuinderij en de kas,” vraagt Bram.
Vroeger hielp hij vaak met tomaten bestuiven en andere klusjes.
“De kas is verpacht, ik heb alleen een klein hoekje zoor mezelf.”
Het prachtige weer dwingt ze naar buiten en ze lopen een rondje door de tuin en de kas. Bij het naar buiten gaan bekijkt Debby, van dichtbij, de foto van Jane en de kleine die aan de muur hangt. Ze neemt zich voor om thuis ook een foto op te hangen.

Met een mandje tomaten en een paar komkommers staan ze weer buiten. De verse en onbespoten lekkernijen zet Bram naast de auto in de schaduw.
“Zullen we naar de haven lopen,” stelt zijn schoonmoeder voor.
Deze wandeling heeft Bram al ontelbare keren gemaakt, omdat het altijd leuk was te doen. Hij vindt zichzelf nog niet toe aan die wandeling, maar voor zijn schoonouders doet hij het graag.

De vrolijkheid waarmee ze, onderweg, vertellen over hoe het gaat met de andere familieleden, verbaast Bram. Debby hoorde al van zijn schoonmoeder, waar dat optimisme vandaan komt. Het is een bewijs van de universele kracht van mindcontrol. Hoe je het ook doet of hoe je het noemt, de uitwerking is altijd hetzelfde.

Het nichtje dat het huis van Bram heeft gekocht, woont er nog steeds. Zij weet ook van het bestaan van Debby. Het bezoek van Bram weet ze niet. Zijn schoonmoeder vindt het beter om Bram eerst met zijn tweeën te ontmoeten, voor ze het verder vertelt. Zo krijgt Debby de kans om, zonder druk van buitenaf, kennis te komen maken. De weg naar de haven gaat langs dat huis waar Bram zo gelukkig is geweest. Ze gaan richting het woud van masten tot ze verderop een paar mensen in de voortuin van een huis zien. Zij zien hen ook aankomen en blijven als standbeelden staan.  Dan zien ze met hun verstand wat hun ogen al eerder hebben gezien en ze komen naar ze toe rennen. Debby is even verbaasd tot ze dichtbij genoeg is om haar te herkennen. Ze denkt, dat is het nichtje van Jane. Ze lijkt sprekend op de foto. Bram steekt zijn armen uit en grijpt de tengere vrouw bij haar middel. Hij tilt haar op en drukt haar tegen zijn borst of ze een pop is. Ze kust hem op zijn lippen en daarna op zijn hele gezicht terwijl de tranen van vreugde over haar wangen lopen.  Voorzichtig probeert Bram haar neer te zetten, maar ze klemt zich aan hem vast. De anderen kijken ontroerd naar de twee. Eindelijk laat ze Bram los, ze kijkt hem zéér boos aan en geeft hem, met haar vlakke hand, een pets in zijn gezicht terwijl ze roept: “Dat wegblijven flik je niet nog een keer!”
“Ik zal het nóóit meer doen,” belooft Bram.
Het meisje keert zich naar Debby: “Jij bent dus de reddende engel, welkom in de familie.”
“Biertje?” vraagt de man van het nichtje.

De wandeling naar de haven is Bram nog even bespaard. Hij trakteert op een etentje, in het restaurant waar hij vroeger met Jane regelmatig kwam. Ook hier is het weerzien ontroerend. Binnen het uur gonst het nieuws door het hele dorp tot in De Wouden aan toe. Bram heeft tegen Debby gezegd dat hij direct na het eten naar huis wil, want door alle emoties is hij doodmoe. Voor ze weggaan maakt Bram een afspraak met zijn schoonouders voor een bezoek aan de polder.
Daar zitten ze na hun terugreis in de tuin met een glas wijn na te praten over hun bezoek aan Akersloot. Debby vraagt waarom er geen foto van Jane en Ab in de huiskamer hangt.
“Ik kon de herinnering niet verdragen.”
“Nu weer wel?”
“Ja, nu weer wel.”
“Dan zoeken we een paar foto’s uit en hangen die op. Zij horen, net als ik, bij je leven.”
De foto’s krijgen een ere plek in de huiskamer.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *