De Ommekeer deel 24

De Ommekeer deel 24

Bram heeft bijna alle mensen die bij het ongeluk betrokken zijn weer ontmoet. Het bezorgt hem een gevoel van ongekende kracht en rust. Nog één familie moet hij ontmoeten, Simon en zijn vrouw. Daar is ook de plek waar Jane en de kleine gestorven zijn. Met Debby heeft hij dit besproken. Zij stelt voor om samen een zeilboot te huren en de tocht die Jane gemaakt heeft samen te doen.
Bram belt naar Simon waarbij het hem opvalt dat het minder moeite kost. Simon is blij met de komst van Bram. Ze spreken af om zondagmiddag langs te komen.

Simon is op de hoogte gebracht door de schoonouders van Bram, dat hij daar geweest is. Het belletje komt dan ook niet als een complete verrassing. Daarna belt Bram zijn schoonouders om te vertellen wat ze gaan doen.
“Dat is een wijs idee van Debby.”
“Dat klopt.”
“Wij regelen het.”
Dat zij hiervoor iets speciaals voor Bram hebben, vertelt ze niet.

Het weekend daarop gaan ze naar Simon. De ouders van Jane zijn al bij de haven aanwezig, om Bram en Debby op te vangen. Zwijgend lopen ze naar de haven waar de boot ligt. Bram herkent direct de zeilboot van Jane.
“Hoe kan dat nou? Ik heb gezegd dat jullie hem konden verkopen.”
“Er is een groot verschil tussen kunnen en willen. Hij is nog steeds van jou, nu kan je beter beslissen wat je er mee wil doen.”

Debby ziet de gezellige haven, waar mensen af en aan lopen met koeltassen en picknickmanden. Ze ziet de herkenning op de gezichten van veel mensen, maar niemand stoort het intieme samenzijn van Bram en zijn schoonouders. Debby kan zich de passie voor het zeilen en de drukte in de haven, heel goed voorstellen. Na een afscheidskus met zijn schoonouders varen ze weg. Debby krijgt op het Alkmaardermeer een stoomcursus zeilen.

Bram is stil, maar Debby ziet dat hij ondanks de herinneringen, toch van de rust op het water geniet. Debby ziet een mogelijkheid om, met de broers, vanuit Den Oever tochtjes te gaan maken op de Waddenzee en het IJsselmeer. Bram vraagt: “Aan wat voor wilde plannen zit je te denken?”
“Dit schip in den Oever neerleggen en dan tochtjes op de Waddenzee maken.”
“Dat klinkt goed. Als je dat met de familie wil doen dan is deze boot te klein.”

Ze zeilen verder in stilte, op een enkele aanwijzing na om de boot op koers te houden. Een meerkoet op zijn drijvende nest, kijkt wantrouwend naar de boot met zijn illustere passagiers. De kleine golven van het meer lijken, samen met het bewegende riet, te dansen op het ritme van de wind. Ze bereiken de aanlegsteiger van Simon die, samen met zijn vrouw, op het eind van de steiger zit te wachten. Na het voorstellen openen ze de koelbox voor een alcoholische versnapering. De reden van hun komst zorgt ervoor dat er af en toe een stilte valt. Ze proberen de juiste opening te vinden om over het moeilijke onderwerp, waarvoor ze ook komen, te beginnen. Debby voelt de spanning van de sympathieke Simon en zijn vrouw. Ze besluit dat het verstandig is dat zij als buitenstaander hierover begint.
”Mag ik jullie een pijnlijke vraag stellen?”
Bram begrijpt meteen wat ze gaat doen en is daar, net als Simon,  dankbaar voor.
”Natuurlijk mag dat.”
“Waar heb je ze gevonden, Simon?”

Zwijgend lopen ze naar de plek die gemarkeerd is door een paar op elkaar gestapelde stenen, met een door de dochter van Simon geplante vetplant ertussen. Het vormt een eenvoudig, maar indrukwekkend monument. Spontaan gaan ze in een kring staan met de armen om elkaar heen en ontladen, zonder terughoudendheid en schaamte, hun pijn en frustraties. De droge grond zuigt hun tranen op. De grond waarop, voor het gevoel van Bram, erg lang geleden zijn vrouw en zoon in het noodweer hun einde hebben gevonden.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *