De Ommekeer deel 28

De Ommekeer deel 28

Debby en Bram maken het pad naar de schuur sneeuwvrij. Over de weg komt een brommer aanrijden. Achter haar komt een auto, veel te hard, over de gladde weg hun kant op. De brommerrijdster rijdt hun erf op. De bestuurder van de auto begint te remmen, waarbij hij bijna van de weg slipt. De vrouw stapt af en rent naar Bram toe.
“Help mij, hij wil me kwaad doen,” smeekt de vrouw.
De chauffeur van de auto komt het erf oplopen en roept tegen de vrouw: ”Meekomen jij.”
De vrouw blijft angstig staan. De man loopt naar haar toe tot Bram hem de weg versperd. Hij zegt op vriendelijk toon: “Wilt u van mijn erf af gaan.”
“Niet zonder mijn vrouw,” zegt de man agressief.
“Wedden van wel.”
De vriendelijkheid is uit de stem van Bram weg. Een heel andere toon is daarvoor in de plaats gekomen, een waar de man van schrikt. Debby ook, want zo heeft ze Bram nog niet eerder horen praten. Heel even aarzelt de man nog. Bram doet een stap naar voren. De man twee achteruit. Dan draait hij zich om en rent naar zijn auto. Bram kijkt naar de vrouw.
“Kopje koffie?”

Hij helpt mee om haar brommer in de schuur te zetten. Ze heeft haar helm afgedaan, en schud haar donkerblonde haren los. Bram ziet nu haar gezicht, getekend door angst en stress. Zwijgend gaan ze naar de kamer, waar Debby koffie aan het zetten is.
“Geef mij je jas maar.”
Ze geeft Bram haar jas. Debby blijft bij haar in de kamer.
“Ga lekker zitten.”
De vrouw gaat op de bank zitten. Bram stelt Debby en zichzelf voor aan de vrouw.
“Bettie. En bedankt dat u mij geholpen heeft.”
“Daar hebben we het later wel over. Eet je straks mee?”
Bettie, realiseert zich wat haar positie is. Ze zit bij mensen die ze helemaal niet kent. Hiervandaan kan ze nergens veilig heen. Haar familie heeft de kant van haar man gekozen, omdat hij meester is in het manipuleren. Ze moet of zelfmoord plegen of weer terug naar de man die haar lichamelijk en geestelijk mishandelt. Geen van beide opties is aanvaardbaar. Debby en Bram zien haar denken en weten wat er komen gaat. De tranen lopen eerst geluidloos over haar wangen. Debby gaat naast haar zitten, slaat troostend een arm om haar heen en fluistert: “Gooi het er maar uit.”

Nadat ze uitgehuild is, vraagt Bram: “Je bent met de man in de auto, getrouwd neem ik aan.”
“Inderdaad, hij heet Peter.”
“Hou je nog van hem?”
“Heel veel.”
“Dat is mooi, maar niet zoals hij nu is.”
“Nee.”
“Waarom mishandelt hij je?”
“Hoe weet je dat hij mij  mishandelt?”
Daar is de angst weer terug, ziet Debby.
“Dat kan ik aan je zien en je hebt het zelf gezegd.”
“Wanneer dan.”
“Toen je hier aankwam zei je: ’hij wil mij kwaad doen.’”
“Maar zo bedoel ik het niet.”
“Je bent hier volkomen veilig. We waarschuwen je man niet dat hij je moet ophalen of zo. We zetten je ook niet op straat. Als je wil, mag je hier blijven slapen.”

Debby ziet, hoe de vrouw hem onderzoekend aankijkt. Ze zoekt naar tekenen van bedrog, iets wat ze in haar leven maar al te vaak heeft moeten meemaken; ze vindt niets. De rust en de positieve atmosfeer in de kamer doen hun werk. De vrouw kan zich eindelijk ontspannen. Debby ziet haar veranderen in zichzelf. De angst verdwijnt, waardoor haar gezicht een uitdrukking krijgt van kinderlijke verbazing over haar omgeving. Debby en Bram kijken elkaar even aan. Dat is genoeg overleg om het met elkaar eens te zijn, wat de ander ook gaat doen of zeggen.
“Ik kan hier toch niet zomaar blijven, jullie kennen mij helemaal niet.”
“We kennen je voldoende om te weten dat je in gevaar bent, dat is voor ons reden genoeg om je te helpen, óók op langere termijn.”
“Wat bedoelen jullie met langere termijn?”
“Totdat je weer veilig thuis kunt zijn.”
“Daar ben ik nooit veilig.”
“Dan gaan we daar voor zorgen. Wil je ons vertellen hoe het allemaal begonnen is.”
“Dat wil ik wel.”

Hun huwelijk is in het begin prima, zij heeft een baan op een verzekeringskantoor, Peter maakt promotie tot uitvoerder bij het bouwbedrijf waar hij werkt. Alles gaat goed tot de vader van Peter overlijdt. Tot verbazing van Bettie trekt Peter zich dat erg aan, hoewel hij nooit meer contact heeft met zijn vader.

Hij is gemeen tegen haar. Hij beschuldigt haar ervan een verhouding te hebben met iemand van haar werk. In het begin denkt ze dat hij zo doet door het overlijden van zijn vader, hij groeit daar wel overheen hoopt ze. Dat gebeurd niet, het is steeds erger. Ze moet van hem haar baan opzeggen en thuisblijven. Dat weigert ze. Die avond krijgt ze voor de eerste keer klappen. Totaal overrompeld rent ze weg naar haar ouders. Die geloven haar niet, want Peter is zo’n lieve man volgens hen. Ze bellen hem op om te vragen wat er aan de hand is. Hij vertelt, dat hij niet begrijpt waarom ze is weg gegaan. Het zullen haar hormonen wel zijn, ik ga met haar naar de dokter, belooft hij.
“Kom haar maar halen,” zegt haar moeder tegen Peter.
Ze raakt in paniek en wil weglopen. Haar ouders houden haar tegen, want Peter heeft beloofd met haar naar de dokter te gaan.

Zo isoleert hij haar van al haar vrienden en familie terwijl hij de behulpzame echtgenoot van een zieke vrouw speelt en haar de schuld geeft. Het dreigement dat hij haar zal vermoorden als ze wegloopt, neemt ze serieus. Murw geworden, doet ze haar best om hem niet kwaad te maken. Wanneer het eten niet naar zijn zin is, krijgt ze slaag. Het wordt steeds erger, want hij vindt altijd wel wat om haar te kleineren en te mishandelen. Gisteren kon ze er niet meer tegenop en ging met de brommer naar de spoorwegovergang, om daar voor de trein te springen. Peter is die dag eerder thuisgekomen van zijn werk. Hij heeft aangevoeld dat er iets te gebeuren staat met Bettie. Ze heeft zich die morgen anders gedragen dan hij gewend is. Op de tafel ligt een afscheidsbriefje, daarin heeft ze geschreven wat ze gaat doen. Hij springt direct in zijn auto, want hij weet waar ze dat zou kunnen doen. Ze ziet hem aankomen en is radeloos bij Bram het erf op gevlucht.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *