De Ommekeer deel 35

De Ommekeer deel 35

De volgende morgen wordt Debby om elf uur wakker. Bram is al uit bed en heeft buiten de tafel gedekt voor het ontbijt. Het brood dat Jean heeft gebracht, legt binnen op de tafel en vult het huisje met een van de geuren van La douche France. Onder het brood ligt een briefje waarop staat: “Achter het kasteel is een kas en een groentetuin, daar mag je pakken wat je hebben wilt, hetzelfde geldt voor de fruitbomen.” Met thee zetten heeft hij gewacht tot Debby wakker is.
Af en toe kijkt Bram of ze al wakker is. Hij blijft dan even staan om van haar schoonheid, die door de zwangerschap een extra dimensie heeft, te genieten. Nu is ze wakker. Hij gaat naast haar op het bed zitten en streelt haar buik, waarbij ze voelen dat de baby zijn hand zoekt.
“Hé, slaapkop.”
“Môgge,” klinkt het schor.
“De tafel is gedekt. Ik ga thee zetten.”
“Lekker, ik heb honger en dorst. Het was gezellig gisteravond.”
“Jazeker, jammer dat jij geen wijn mag drinken.”
“Dat haal ik na de bevalling wel in. We nodigen ze ook een keer bij ons uit.”
“Dát doen we zeker.”
Een beetje aarzelend vraagt Bram: “Waarom vind je Jean zo bijzonder?”
“Hij doet mij héél erg aan mijn vader denken.”
De woorden zijn niet geabsorbeerd en opgeborgen op een plek in de hersens van Bram, ze blijven als een lichtkrant voor hem verschijnen.

Jean zit op het terras met Corinne en Charles. Daar hoeft die vraag, wat vindt je zo bijzonder aan Debby, niet gesteld te worden. Jean vertelt enthousiast over Debby.
“Dat is ook toevallig, Debby heeft dezelfde naam als mijn overleden dochter en ze lijkt ook héél erg op haar.”
Bij Corinne en Charles blijven die woorden ook hangen. Hierdoor is het gedrag van Jean en Debby logisch voor Corinne.

“Zullen we ergens heen gaan, Debby?”
“Niet te ver. Ik ben nog wel moe. Die bron en het stuwmeer, waar Jean het over had gisteren, lijkt mij wel wat.”
“Dan gaan we daar heen, ik zal straks vragen waar het precies is.”
“Samen.”
“Oké, samen. Schiet nou maar op luiwammes.”
Samen met de fluitende bewoners van het bos, eten ze hun ontbijt.

Ze lopen naar Jean om te vragen waar de bron is. Hij wijst ze de weg en vraagt: “Hebben jullie zin om aanstaande donderdag mijn verjaardag te komen vieren.”
“We komen. Wat vraag je voor je verjaardag?”
“Iets wat niet bestaat.”
“Dan nemen we dat mee,” zegt Debby met een lach.
Ze heeft geen idee hoe dicht ze bij de waarheid is.

Ze rijden de doodlopende weg op, die eindigt bij de stuwdam. Onderweg moeten ze de bron tegenkomen. Ze vinden hem en drinken van het zuivere, koele water dat uit de rotsen stroomt. In het stuwmeer zien ze scholen vis in het heldere water zwemmen. De hitte van de zon weerkaatst op het beton, waardoor het nog veel warmer is dan bij hun huisje. Met zijn arm om haar schouder, staan Bram en Debby samen te genieten van het uitzicht over het meer en de omringende bossen.
“Lieve Debby, zullen we in het dorp een kopje koffie drinken?”
“Lekker.”

Ze rijden over de smalle, verlaten wegen en absorberen de schoonheid van de natuur om zich heen. Op een tiental meters voor ze duikt een roofvogel in de berm. Automatisch remt Bram. De vogel mist zijn prooi en vliegt weg.
“Wat een schoonheid. Ik kon hem bijna aanraken,” fluistert Debby, ontroerd door deze onverwachte ontmoeting.

Ze drinken koffie op een terrasje, in de schaduw van een enorme boom. Op het dorpsplein spelen een aantal mannen petanque. Bram bewondert de precisie waarmee ze de ballen gooien. Debby vindt het te warm om daarop te letten. Ze verlangt naar de rust en de koelte van hun huisje. Bram ziet het.
“We gaan naar huis.”
“Graag.”
Bij een bakker nemen ze stokbrood mee voor het avondeten. Bram bakt een paar eieren met plakjes tomaat uit de kas die niet naar water, maar naar echte tomaten smaken.

Na het eten lopen Debby en Bram een rondje over het uitgestrekte terrein van het kasteel. Ze bekijken de grote schuur, waar de houtvoorraad voor de winter ligt opgestapeld in drie oneindig lange rijen. De vrolijke stemming van Jean, over het aanwezig zijn van Debby, is die middag omgeslagen in een depressie, veroorzaakt door het gemis van zijn familie. Vroeger speelde hij zijn lievelingsmuziek af op zijn stereo-installatie, wanneer hij zich, door de omstandigheden, down voelde. Nu speelt hij het zelf.

Debby is de eerste die het hoort. Ze is, door de prachtig gespeelde muziek, die zowel hoopgevend als triest klinkt, aangetrokken.
“Bram, hoor je die muziek?”
“Prachtig, wie speelt daar?”
“Ik weet het niet, het komt bij Jean vandaan.”
Ze lopen naar het geluid van het pianospel toe, dat uit het huisje van Jean komt. Voorzichtig gaat Debby naar binnen, het kan haar niets schelen wat Bram of Jean daarvan vinden, ze moet naar die betoverende muziek toe. Jean ziet haar niet, hij is gefocust op de piano en de muziek. Debby voelt dat er tranen over haar wangen lopen van ontroering. Bram heeft, in mindere mate dan Debby, ook een gevoel van ontroering. Corinne en Charles komen, aangetrokken door het spel van Jean, ook aanlopen. Van Corinne heeft Jean de beginselen van het pianospel geleerd. Hij was de lerares snel voorbij. Ze heeft erop gestaan dat hij les krijgt van een kennis van haar, die een bekende pianiste is. Ze treedt niet meer op, maar geeft les aan begaafde leerlingen. Zo staan ze met zijn vieren te luisteren naar het spel waar zoveel emoties in zitten. Jean stopt met spelen. Hij schrikt van het applaus dat hij krijgt. Bram ziet het verdriet in zijn ogen, maar ook de vreugde door de schoonheid van de muziek. Debby en Bram zien de miniatuur van Nina hangen, de vrouw waar Jean op zijn reis zoveel liefde van heeft gekregen, ze trekken uit de aanwezigheid hiervan de verkeerde conclusie.
“Dat is prachtig Jean. Dat is het lievelingsmuziekstuk van mijn vader.”
“Het mijne ook, ik ben blij dat je het mooi vindt, Debby”
“Ik heb hier veel uitvoeringen van gehoord, maar dit is veruit de mooiste.”
Bram heeft de muziek wel vaker gehoord, maar heeft geen idee wie de componist is.
“Van wie is die muziek, Jean?”
“Het is Le Gymnopedia van Erik Satie.”
De woorden van Debby, ‘hij doet mij héél erg aan mijn vader denken,’ verschijnen weer als op een bioscoopdoek voor Bram. Ze praten nog even na over wat ze gezien hebben die dag. De roofvogel is het hoogtepunt van de trip.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *