De Ommekeer deel 36

De Ommekeer deel 36

Een man en een vrouw, komen bij het kindertehuis van de Poolse stad Poznan aan. Dit tehuis was ooit een kleine sovjet kazerne. Het ligt in het bos aan de rand van de stad. Het bestaat uit een stenen hoofdgebouw, waar vroeger de officieren sliepen, en twee houten barakken waar de soldaten verbleven. In deze houten keten is nu de voorraad brandhout voor de, oude, kachels opgeslagen. Hier en daar vallen de planken, die al heel lang niet geschilderd zijn, van de balken af. Ze worden door de jongens die in het tehuis wonen, zo goed mogelijk vastgezet. Alles ademt verval en een triestheid die alleen in de zomer een beetje minder is. Twee begeleidsters hebben de leiding over de kinderen. Daarboven staat een directeur die zichzelf goed betaalt. Hij heeft zich, na de val van het communisme, de mogelijkheden van het kapitalisme snel eigen gemaakt. De slachtoffers van zijn hebzucht zijn de kinderen en de begeleidsters. Omdat er zo weinig personeel is, moeten de kinderen veel zelf doen. De jongens hakken zomers hout voor de kachels, de oudere meisjes helpen mee met de verzorging van de kleintjes. Op het grote terrein is ook een moestuin, waar het overgrote deel van hun voedsel, door de kinderen zelf wordt verbouwd. Deze werkzaamheden zorgen voor discipline en plichtsbesef onder de kinderen, het enige positieve aan hun ellendig bestaan.

In de zomer zijn er de zomergroenten, in de winter alleen aardappelen, bonen, uien, koolsoorten en wortelen. Af en toe krijgen ze van mensen uit de stad iets extra’s zoals rijst, macaroni en vlees. Op het middenterrein is een, door vrijwilligers gemaakte, speelplaats. Ze hebben van bomen uit het bos een paar simpele, maar onverwoestbare constructies gebouwd waar de kinderen mee kunnen spelen. De begeleidsters wonen bij de kinderen. Ze worden, af en toe, afgelost door vrijwilligers zodat de leidsters wat tijd voor zichzelf hebben. De directeur woont in een paar kamers in het gebouw.

De man klopt op de deur van het kindertehuis. Een van de leidsters opent de deur.
“Waarmee kan ik u van dienst zijn?”
“Kunnen we de directeur even spreken?” vraagt de man vriendelijk.
“Aan het einde van de gang,” antwoordt de leidster die hem met interesse aankijkt.
Die interesse komt door de uitstraling van een ongekende boosaardigheid door de man. Ze probeert in te schatten waar dat vandaan komt of wat hij er mee gaat doen. Ze kan niets bedenken en staart ze na, terwijl de man en de vrouw door gang lopen. Ze kloppen op de deur met een overdreven groot bord waar, ‘Directeur’ op staat.
“Binnen.”
Ze gaan naar binnen in de behaaglijk warme kamer.
“Wat kan ik voor u doen?” vraagt de directeur.
“Het gaat er om wat wij voor ú kunnen doen. Wij vertegenwoordigen een stichting die zich het lot van weeskinderen aantrekt.”
De directeur denkt, daar zie je niet naar uit, hij zegt: ”Dat is goed nieuws, ze hebben het al moeilijk genoeg.”
“En u natuurlijk ook, want een erg ruim salaris zult u niet krijgen?”
De zweem van sarcasme ontgaat de directeur en hij antwoordt schaamteloos: “Het is maar een klein tehuis met een erg krap budget.”
“Dan wordt het tijd om daar een beetje bij te helpen.”
De directeur is nu écht geïnteresseerd.
“Op welke manier wilt u dat doen?”
“We betalen u een bedrag per maand om uw salaris op peil te brengen. We geven ook elke maand een bedrag aan het tehuis voor de kinderen.
Er is wel een maar.”
Daar was ik al bang voor denkt de directeur, er is altijd een maar.
“Mijn opdrachtgever heeft gezegd dat niemand mag weten wat wij afspreken en doen. Zij zijn anonieme weldoeners.”
“Dat is geen probleem.”
“Dan is er nog iets. We geven een paar kinderen een vakantie. Na deze vakantie worden ze opgevangen in een ander tehuis waar ze het veel beter krijgen. Niemand mag dit weten anders stoppen we daarmee.”
“Welk ander tehuis?” vraagt de directeur, angstig door de veranderde toon van de man.
“Voor hun de hemel,” klinkt het luchtig, maar met een dodelijke ondertoon die de directeur, die toch het een en ander gewend is, misselijk maakt van angst.
“Daar kan ik niet aan meewerken,” protesteert de directeur met het laatste greintje lef dat hij nog heeft.
“Er is in de echte hemel ook plaats voor directeuren van weeshuizen die zichzelf verrijken ten koste van de kinderen, als u begrijpt wat ik bedoel?”
Dat begrijpt de directeur héél goed.
“Dit gesprek is alleen voor ons drieën bestemd. Dáár mag geen enkel misverstand over bestaan.”
“Uiteraard,” beaamt de doodsbange directeur.
“Wij zoeken de kinderen uit voor de vakantie, wij nemen hierover contact met u op,” zegt de vrouw.
De directeur is niet meer in staat te praten van de angst. Hij knikt ter bevestiging dat hij de vrouw heeft begrepen. De directeur heeft nu ook kennis gemaakt met de nadelen van het kapitalisme. De commissaris heeft hiermee zijn lugubere bedrijf uitgebreid met een buitenlandse connectie. Het betekent ook zijn ondergang.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *