De Ommekeer deel 37

De Ommekeer deel 37

Debby en Bram gaan zwijgend naar bed. Bram overdenkt wat er aan de hand is. Debby is de rest van de avond stil geweest, Bram snapt wel waarom. Ze huilt zachtjes en Bram doet net of hij slaapt, want een gesprek over Jean zou haar nog meer overstuur maken. Hij begint spijt te krijgen van de vakantie, die is bedoeld om Debby, na alles wat ze heeft meegemaakt, rust te gunnen. Ze is door Jean herinnerd aan haar vader. Die herinnering maakt haar verdrietig en dat is helemaal niet de bedoeling. Het huilen van Debby heeft plaatsgemaakt voor een zacht snurken. Bram kan niet slapen, hij denkt aan de invloed die Jean heeft op Debby. Morgenochtend zal ik haar voorstellen om naar huis te gaan of ergens anders een vakantiehuis proberen te vinden, neemt hij zich voor.

Dit voorstel is de volgende morgen zéér resoluut afgewezen. Zijn bezorgdheid is ontroerend en ook zéér gewaardeerd, maar of hij verder zijn kop hierover wil houden, want ze is niet van bordkarton gemaakt. Dat weten we dan ook weer, denkt Bram. Na het ontbijt vertrekken ze naar de ‘Tour de Merle’. Jean zit voor zijn woning in het zonnetje, lui te zijn.
“Stop Bram, ik ga vragen of Jean mee wil.”
Voor hij kan antwoorden, is ze al uit de auto. Hij ziet Jean ernstig aarzelen. Bram weet wat ze nu gaat doen, haar glimlach zijn werk laten doen. Uiteraard werkt het. Jean pakt zijn portefeuille en stapt in de auto.
“De poort uit en dan rechtsaf.”

Jean vertelt over de geschiedenis van de ruïnes. Dat doet hij op een komische en kundige manier.
“Rijke, christelijk families, hebben hier eerst de oorspronkelijke bewoners uitgemoord in de naam van Jezus. Het gebod: ‘gij zult niet doden,’ werd toch al selectief gebruikt, dus dat is geen reden om het niet te doen. De veronderstelling dat God alles ziet, geldt niet voor hun, vinden ze. Later zijn ze elkáár te lijf gegaan, wat alleen maar opruimt. Na de revolutie gaan de overblijvers de guillotine op en is het hele spul verwaarloosd.“

In het souvenirwinkeltje bij de ruïne staat een pop van twee meter hoog, verkleed als ridder. Een klas, achtste jaar, jongeren is iets aan het uitzoeken voor hun ouders en oma en opa. Een knappe brunette is ze aan het helpen. Ze ziet Jean binnenkomen. Direct komt ze achter haar toonbank vandaan om hem met een kus héél hartelijk te verwelkomen. Bram stapt ook de winkel binnen en begroet de ridder met een elegante buiging, geheel passend in de stijl van de bezienswaardigheid.
“Bonjour monsieur, ca va?”
De jeugd vindt het komisch, aan het gelach te horen.

Debby heeft de begroeting van Jean en het meisje, tot haar verrassing, met een dubbel gevoel bekeken. Ze vindt het leuk om te zien, maar ook voelt ze een volkomen ongepaste jaloezie, vind ze zelf. Veel tijd om daar bij stil te staan heeft ze niet, want Jean neemt ze mee naar de oude boomgaard en de groentetuin, die weer in hun oude glorie zijn hersteld. Jean vertelt hoe het kasteel vroeger volledig zelfvoorzienend was. De klim naar de hoge torens, in de slopende hitte, laat Debby over aan Bram en Jean. Ze eten in een eenvoudig restaurant, waar het eten allesbehalve eenvoudig is. Bram staat erop te trakteren, want Jean heeft al zoveel gedaan. Na het bezoeken van de Tour de Merle rijden ze naar huis. Jean vertelt onderweg dat zijn familie bij een ongeluk is omgekomen, waardoor hij geen binding meer heeft met Nederland. Over de moorden en zijn vlucht vertelt hij niets. Hij heeft, tijdens een vakantie, Charles gered. Die heeft gevraagd om bij hem te komen wonen en het kasteel op te knappen.

Debby vertelt over de alfatraining en wat ze daarmee in Nederland doen. Jean herkent het gevoel van rust en ontspanning uit zijn zwerverstijd. Bij hem is het, meestal, toevallig geweest.

Hij vraagt of ze ook aan genezingen doen.
“Nee, wij doen niet aan genezen. Wat we wel doen is de eigen geneeskracht van het lichaam versterken.”
“Is dat niet hetzelfde?”
“Nee, dat is héél wat anders. Ik zal een praktijkvoorbeeld geven.
De broers van Bram hebben een bedrijf. Daar heb ik de training gegeven. De zoon van een van de medewerkers kreeg de ziekte van Hodgkin. De vader van de jongen heeft hem de techniek ook geleerd. Hij vroeg aan mij of dat voldoende was om zijn zoon te genezen. Nee, vertelde ik hem, gebruik het om de medicijnen beter te laten werken. Dat heeft hij gedaan. De jongen moest om negen uur in het ziekenhuis zijn voor zijn laatste, zéér zware kuur. Dat is degene die je krijgt voor je weer, met stamcellen, tot leven wordt geroepen.”

Het gesprek over de zieke jongen is onderbroken door hun aankomst bij het kasteel. Bram nodigt Jean uit voor een biertje op het terras van hun huisje. De stenen van het terras zijn nog warm van de zon. Vlinders zoeken mineralen op het stenen muurtje dat hun terras scheidt van de rest van de tuin. Bram zet een bakje zoutjes, wat blokjes oude kaas en drinken op tafel. Debby kijkt afgunstig naar de flesjes bier, waar snel druppeltjes dauw op zitten. De oude kaas, die Debby en Bram hebben meegenomen, smaakt Jean voortreffelijk.
Ze hebben oude kaas, op de Schager markt, vacuüm laten verpakken en meegenomen. Debby heeft gezegd dat hij te veel meeneemt, nu komt ze daarop terug.
“Ik heb, volkomen onterecht, gezeurd tegen Bram dat we veel te veel mee hebben. Het komt nu goed uit want ik kan je een stuk meegeven voor je verjaardag.”
“Dan moet je wel snel zijn, want Corinne en Charles zijn er ook gek op.”
“Zij krijgen ook een stuk,” belooft Bram gul.
“Ga verder met je verhaal over die zieke jongen, ik ben benieuwd.”

“De jongen komt in het ziekenhuis. Daar nemen ze bloed af om te kijken of hij genoeg witte bloedlichaampjes heeft om de kuur te kunnen krijgen. De zaalarts vindt de behandelingen erg snel achter elkaar gaan. De jongen vertelt dat hij snel geneest en dat zijn behandelend arts het traject heeft vastgesteld. De zaalarts blijft het vreemd vinden omdat hij het niet gewend is. Hij meet de bloeddruk van de jongen, die is te hoog is, vindt de arts. Hij stelt voor om de resultaten van het bloedonderzoek af te wachten en dan een beslissing te nemen. De vader, die de jongen heeft gebracht, hoort het gesprek afwachtend aan. De testresultaten komen binnen; de bloedwaarde is te laag.

“Zie je wel dat het te snel gaat. Ga maar weer naar huis, want je bloeddruk is te hoog en je gehalte te laag,” zegt de dokter.
Dit is een klap voor de jongen, want het vergt enorm veel wilskracht om naar de behandeling toe te gaan. Hij zegt tegen de dokter dat hij zijn lichaam de opdracht zal geven om alles in orde te maken voor de behandeling. De dokter legt tactvol uit, dat zoiets absoluut onmogelijk is. De jongen houdt vol, de dokter ook. Op dat moment grijpt de vader in. Hij stelt voor om het de jongen te laten proberen. Zijn de waarden nog te laag, dan gaat hij weer naar huis, stelt hij voor. Geïrriteerd over zoveel eigenwijsheid gaat de dokter akkoord. De vader gaat werken en komt om zes uur naar het ziekenhuis om zijn zoon op te halen of niet. Om zes uur neemt de dokter bloed af en meet zijn bloeddruk. De bloeddruk is prima. Na een spannend half uur komen de resultaten van de bloedafname binnen. De zaalarts bekijkt ze en schrikt van de resultaten. Om zeker te zijn of het klopt, belt de dokter naar het laboratorium. De test wordt herhaald en weer is de waarde prima. De dokter vraagt wat de jongen in godsnaam gedaan heeft. Die vertelt dat hij in alfa zijn lichaam opdracht heeft gegeven dit te doen. De dokter loopt te mopperen dat hij over zulke dingen niets te horen krijgt tijdens de opleiding. De jongen stelt hem gerust en vertelt dat hij niet de enige is, want zijn behandelend arts en de zusters van die afdeling zeggen dat ook allemaal. De dokter kan dit begrijpen. Hij zegt tegen de jongen dat hij het gelukkig zelf gezien heeft, anders had hij het niet geloofd.

Na het gesprek over de alfatraining met Debby en Bram, loopt Jean in gedachten, met zijn kaas in zijn handen, naar zijn huisje terug. Deze behandeling had mijn vrouw moeten hebben, daarvoor is het is nu te laat, maar ik ga het voor de toekomst gebruiken. Misschien kan ik in alfa bedenken hoe ik het probleem met de commissaris kan oplossen.

Hij begint die avond te oefenen. Het gevoel van totale ontspanning heeft hij tijdens zijn tocht vaker gevoeld, nu kan hij dit bewust oproepen. Hij bedenkt dat hij zonder die momenten van rust in zijn hoofd, de reis nooit had kunnen maken.

Corinne en Charles zitten in de tuin te praten over het grote plan van Charles. Het is de eerste keer, dat hij zijn idee aan Corinne uitlegt. Ze is direct voor, hoewel een aantal zaken moeilijk op te lossen zijn, zoals de identiteit van Jean. Ze spreken af om dit met hun notaris te overleggen.

In bed liggen ze allemaal met hun problemen te worstelen. Bram worstelt met iets, hij weet alleen niet wat, tot hij denkt aan wat zijn neefjes hebben gezegd voor ze op vakantie gingen.
“Wanneer jullie terugkomen, dan vieren we pas onze verjaardag.”
Jean is dus op dezelfde dag jarig als de vader van Debby. Heb ik dat, denkt Bram, moet ik dat nou wel of niet tegen Debby zeggen. Met de gedachte, laat ik maar niets zeggen, wanneer ze het zelf ontdekt zien we wel wat er gebeurt, valt hij in slaap.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *