De Ommekeer deel 44

De Ommekeer deel 44

Charles is erg enthousiast over het plan om een nieuw paspoort voor Jean te halen.
“Dan heb je weer je eigen identiteit.”
Dat dit belangrijk is voor het grote plan, vertelt hij niet. Om de maandag niet helemaal verloren te laten gaan, vertrekken Jean, Dennis en Wouter zondagmiddag naar Nederland. Voor een groot deel leggen ze om beurten slapend de reis af, waardoor deze verrassend kort lijkt.

In Amsterdam is het voor Jean een dubbel gevoel, de drukte van de stad benauwt hem, het hier weer veilig kunnen zijn is een opluchting. Als eerste gaat hij naar de vrouw van het kerkhof toe. Ondanks zijn baard, herkent ze hem direct.
“Je bent hier weer, wát geweldig.”
“Heb je getwijfeld of ik nog leefde?”
“Nee,” klinkt het resoluut.
“Ik heb alles aan jou te danken. Jij hebt mijn dochter dat boek gegeven.”
“Ik ben maar een klein radertje in de loop van de gebeurtenissen. Zonder mij was het ook gebeurd, alleen anders.”
“De commissaris  is dood.”
“Ik heb het gehoord, ja. Een geschenk voor de mensheid. Alleen jammer dat zijn slachtoffers geen gerechtigheid krijgen.”
“Ik moet nu weg om een paspoort te halen. Later vandaag kom ik terug om hier iets te halen met mijn vrienden.”
“Het moordwapen.”
“Hoe weet jij? Laat maar, ik weet het al, Debby en Bram hebben veel over je verteld. Volgens mij ben jij een échte engel.”
“Ga nu maar, des te eerder kun je terug naar je kind en je nieuwe vaderland.”
De betekenis van haar woorden dringen niet tot Jean door.
“Ik word opa.”
“Een héél erg trotse, zie ik.”

In Frankrijk is Bram vroeg wakker. Debby glimlacht in haar slaap, ziet hij. Hij kan niet meer slapen. Zijn intuïtie stuurt hem uit bed naar buiten, waar Charles hem ziet lopen. Hij wenkt Bram om naar hem toe te komen.
“Ik moet je wat vragen.”
Bij het kasteel staat een pot thee uitnodigend te dampen in de koele ochtendlucht. Charles begint zijn grote plan aan Bram voor te leggen. Bram begrijpt heel goed waarom Charles hem hierover raadpleegt, want in het plan zijn nu ook Debby en hij betrokken.

De volgende dagen zijn hectisch voor Jean. Het pistool is opgehaald. De verklaring van hem, en de vrouw van het kerkhof, zijn afgenomen, hierdoor staat de schuld van de commissaris onomstotelijk vast. Door een meedenkende en creatieve ambtenaar is het nieuwe paspoort en rijbewijs van Jean in orde gemaakt.
Hierin staat zijn eigen naam. Hij twijfelt of hij de voornaam Jean of Theo gaat gebruiken. Hij laat het aan Debby over om te kiezen.
Een aantal dingen wil hij graag doen in zijn geboortestad. Een daarvan is wat Debby voor haar sollicitatiegesprek ook heeft gedaan, een broodje eten op het Hoofddorpplein met een chocolade milkshake, waar een klein scheutje likeur aan is gevoegd. Een moment denkt hij erover om het bedrijf van de broers te bezoeken. Het zou een goede grap kunnen zijn om daar naar binnen te gaan, de aandacht te trekken en dan weer weg gaan zonder te vertellen wie hij is. Hij doet het niet. Wat hij wél doet, is het bedrijf van buiten bekijken. Later krijgt hij van Puk een pak op zijn donder omdat hij niet naar binnen is gegaan, want Puk blijft Puk. Jean sluit de deur van Debby’s flat, waar hij de afgelopen dagen heeft geslapen. Met zijn nieuwe paspoort en rijbewijs op zak, stapt hij in de auto bij zijn vrienden Dennis en Wouter. Hij mag nu als legaal en vrij mens naar de plek, waar de ommekeer in zijn leven is begonnen. Vrijdagochtend om zes uur komen ze bij het kasteel, waar alles ligt te slapen, aan.

Na een paar uur pitten, verzamelen ze zich op het terras van het kasteel.
Trots laat Jean zijn paspoort zien aan Corinne en Charles.
“Vind je het goed dat ik hem even bij me houd om hem straks op mijn gemak te bekijken?”
“Natuurlijk.”

Bram weet wat de echte reden is voor het willen ‘bekijken’ van het paspoort. Charles begint een verhaal over de jachtuitrusting van Jean. Dit is voor Bram een ideale gelegenheid om Jean weg te krijgen, zoals afgesproken is met Charles.
“Dat wil ik wel eens zien.”
“Dat kan.”
“Wel in het bos, dan voel ik mij echt een oermens.”
De rest van het gezelschap valt uit elkaar. Dennis en Wouter gaan met Jean en Bram mee om naar de kunsten van Jean te kijken. Debby gaat even op bed liggen. Corinne en Charles gaan het kasteel binnen om te wachten op de drie personen, waaronder een notaris, waar hij mee afgesproken heeft.

Jean demonstreert zijn werptechniek. De mannen zijn, net als Charles, verbaasd over de afstand die Jean kon gooien en toch trefzeker is. Bram hoort, in de verte, de verwachtte auto het terrein opkomen. Nu moet hij Jean minstens een half uur bezig houden, wat eenvoudig is.
“Mag ik het een keer proberen?”
Ook Bram heeft moeite om te gooien. Hij neemt zich voor, de techniek in de toekomst te leren. De auto vertrekt weer. Bram stelt voor om te stoppen en een biertje te gaan drinken.

Onder het lopen vraagt Bram aan Dennis en Wouter of ze in ieder geval tot dinsdag willen blijven. Dat kan. Dat was één denkt Bram, nu de anderen nog. Dat kan eenvoudig via de telefoon.
“Hallo, Rik.”
“Hallo, Bram.”
“Kunnen jullie tot dinsdag blijven?”
“Heb je daar een reden voor?”
“Een héle goede die strikt geheim moet blijven voor álle anderen.”
“Nee, ik zal niets tegen Puk zeggen, daar kan je op rekenen.”
“Ik weet het, alvast bedankt.”
“Tot zaterdag.”

De rest van de dag zijn ze bezig om de slaapkamers, met badkamers, schoon te maken. Goede vrienden of kennissen heeft zijn voordelen, want twee uur later zijn de bedden bezorgd. Wouter en Dennis verhuizen naar het kasteel, want Corinne vindt dat Debby en Bram rust en privacy nodig hebben.

Vrijdagavond vertrekt een auto met drie gewoon nieuwsgierige mensen, en een opgewonden standje omdat Rik niet wil vertellen waarom ze tot dinsdag blijven. Een doos Ketel 1 jenever en een hele Old Amsterdam in stukken reist mee, dit laatste op verzoek van Bram. De volgende morgen om acht uur komen ze bij het kasteel aan.
“Wat een afstand, waarom zitten die gasten niet in de Belgische Ardennen,” moppert Puk nerveus.
“Zeur niet zo Puk, je hebt verdomme driekwart van de afstand liggen ronken als een kettingzaag. We zijn er nog doof van.”
“Chagrijn.”
Jean hoort ze aankomen en loopt naar de auto toe om ze te verwelkomen.
“Daar heb je pappa, dat zie je zo. Een lekker ding trouwens, vind je ook niet Joke?”
“Zal ik hem vragen voor een triootje vanavond?” plaagt Joke.
“Dan noemen ze mij oversekst.”

Het jennen is een uitlaatklep voor de zenuwen, die vooral het vermogen van Puk zich te beheersen, vrijwel helemaal wegvaagt. Huilend van nervositeit en blijdschap, voor Debby en Bram, omhelst ze Jean.
“Jij móét Puk zijn.”
“Ze heeft vast sterk overdreven over mij,” snottert Puk.
Het voorstellen gaat verder. Vanuit zijn slaapkamerraam ziet Charles het gezelschap knuffelen.
“Corinne kom kijken, daar heb je nog meer van die lieve hyena’s.”
“Hyena’s! Hoe kom je daar nou bij?”
“Ze knuffelen elkaar zo leuk bij het ontmoeten, dat doen die beesten ook.”
“Idioot.”

Jean loopt met ze mee naar Debby en Bram toe. Bram hoort ze aankomen.
“Debby, onze familie komt eraan.”
Met een schok is ze wakker en vliegt overeind, verwilderd kijkt ze om zich heen.
“Nu al! O god, nou zal je het krijgen.”
En dat krijgt ze ook. Puk, die zichzelf weer een beetje hervonden heeft, is zichzelf weer hélémaal kwijt. De mannen proberen een beetje stoer te doen. Het inspireert Joke, in gedachten, tot de volgende zin, de tranen in alle ogen twinkelen als zonlicht in diamanten. Jean kijkt geamuseerd toe en denkt, Bram heeft niet overdreven. Nu de spanning van het kennismaken weg is, kan er een gesprek beginnen. Jean is het slachtoffer van Joke en Puk, want ze vinden hem niet alleen érg charmant, maar ze willen ook weten hoe hij hier terechtgekomen is.
“Zo kan het wel weer Puk, laat Jean even met rust.”
Puk kijkt Rik even aan. Dat is voldoende om hem spijt te laten krijgen van zijn bemoeienis. Charles rijdt het terrein af. Jean weet wat hij gaat doen.
“Er komt zo vers brood aan, eten we hier of…?”

Voor de derde keer binnen een week vertelt Jean zijn verhaal en maakt hij zijn wandeling.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *