De Ommekeer deel20

De Ommekeer deel20

Bram droomt die nacht over Jane en de kleine Ab. Hij ligt in het water, Jane en de kleine zitten in hun zeilboot. Hij verwacht dat ze hem oppikken, maar ze varen door terwijl Jane roept: “Wordt gelukkig met haar, wij zijn het ook.”
Hij is alleen op het grote meer. In de verte verdwijnt de boot, waarvan de inzittenden niet meer omkijken. Hij is zo moe dat hij dreigt te verdrinken, waardoor Bram wakker schrikt. Hijgend van benauwdheid gaat hij rechtop zitten. Het verdriet om Jane en zijn zoon is weer in volle hevigheid terug, behalve het schuldgevoel. De woorden van Jane herhalen zich in zijn hoofd: “Word gelukkig met haar, wij zijn het ook.”
Ondanks het verdriet voelt hij zich opgelucht, want hij weet dat het verwerken daarvan, nu echt is begonnen. Met de gedachte, die training is iets wonderlijks valt hij weer in slaap. De volgende morgen zit hij in tweestrijd, zijn droom wel of niet aan Debby vertellen; ik wacht, besluit hij.

De volgende morgen is de zon verdwenen, maar de temperatuur nog wel aangenaam. Tijdens het ontbijt, stelt Bram voor om naar het strand van Callantsoog te gaan voor een strandwandeling. Debby is direct voorstander. Ze denkt terug aan de tijd dat ze met haar vader en haar grootouders af en toe naar het strand van IJmuiden gingen. Ze heeft het altijd heerlijk gevonden. De laatste keer dat ze naar het strand is geweest, is ongeveer vijftien jaar geleden.

Vanaf de zee komt zeedamp het land op, die bij het parkeerterrein oplost. Ze gaan via het voetpad naar het strand. Het eerste wat Debby op de top van het duin ziet, is het strandpaviljoen.
“Koffie Bram?”
“We komen om te wandelen, niet om te gaan zitten slempen.”
“Weet je wat, jij gaat wandelen en ik begin alvast te slempen. Kom me maar halen wanneer je klaar bent met je idiote bezigheid.”
“Dat kun je vergeten, hup lopen.”
Debby krijgt een duwtje in haar rug en is razendsnel beneden. Ze voelt zich weer kind, maar nu met een onbezorgde jeugd. Ondanks de kille mist, is het druk op het strand. Bij de strekdammen zoeken ze in de kleine poeltjes, tussen de stenen, naar leven. Op de terugweg krijgt Debby toch haar koffie. Ze bekijken geamuseerd de passanten, waarna ze richting het dorp gaan. Daar is een snackbar waar ze de frieten zelf snijden en voorbakken. Minstens zo lekker als op het Damrak, vindt Debby. Langs de kust rijden ze naar Den Helder, waar ze kijken naar het uitvaren van de Texelse boot.
Die avond doen ze de tweede oefening. De veilige plek voor Bram is het eilandje in het Alkmaardermeer, waar hij en Jane samen met Puk en Rik zo veel plezier hebben gehad. De herinneringen zijn niet pijnlijk meer, maar plezierig. Na de oefening gaan ze direct naar bed.

De volgende morgen, na een broodje en een kop thee, rijden ze naar Amsterdam, waar Puk al bij de deur staat te trappelen van ongeduld. Met een snelle kus, nemen ze afscheid. Onderweg hebben ze afgesproken om het volgende weekend verder te gaan met de training.

Debby en Bram missen elkaar. Ze maken zichzelf wijs dat het komt door de vele dingen die ze gemeen hebben, maar het is gewoon liefde, weet Puk. Ze hoort Debby deskundig uit, zonder iets te forceren. Zij in ieder geval, weet Puk nu volkomen zeker. De droom komt niet meer terug, hoe graag Bram het ook wil. Met die ene goedkeuring van Jane moet hij het doen.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *