De Ommekeer deel3

De Ommekeer deel3

Het scheelt niet veel of Bram is geboren in de winkel van zijn ouders. Zijn moeder staat daar een vrouw te helpen, wanneer de weeën, die al een tijdje bezig zijn, wel érg snel komen. De vroedvrouw zit in de huiskamer ongeduldig te wachten tot de klant weg is. Met een halfje bruin, vertrekt die zonder het gebruikelijke praatje. Ze doet de winkel op slot en gaat naar de woonkamer toe. Samen met de vroedvrouw gaat ze de trap op en vijf minuten later is Bram geboren. Brian, hun eerstgeborene van vier jaar, is er al op uit gestuurd om zijn vader te halen. Die trapt met zijn bakfiets de kramp in zijn kuiten om op tijd voor de bevalling te zijn. Zijn snelheid mag niet baten, Bram is sneller. Drie jaar later krijgen ze een derde zoon Rik, het gezin is nu compleet vinden ze.

Voor zover de bakkerij het toelaat, voeden ze de jongens met aandacht en liefde op. Zij helpen hun vader zo veel mogelijk met venten tot het tijd is om naar school te gaan, maar dat neemt nauwelijks iets van hun energie voor het uithalen van kattenkwaad weg. Op woensdagmiddag en de hele zaterdag werken ze ook mee.

Regelmatig staan de buurtbewoners op de stoep om te klagen over spelletjes als belletje trekken. Hoewel het meeste kattenkwaad door andere kinderen wordt uitgehaald, krijgen zij heel vaak de schuld. Er wordt dan gedreigd dat, als ze het nog een keer doen, ze hun brood ergens anders gaan halen. Vrijwel altijd weet hun moeder de zaak te sussen en komt de klant weer terug, ook vaak op zondag, hun enige vrije dag. Ze komen dan achterom, zoals dat in die tijd heet en kopen dan boodschappen zoals koekjes voor onverwachte visite. Soms hebben ze daar geen zin in, dan doen ze de gordijnen dicht, zodat men denkt dat ze weg zijn.

Vakantie hebben ze niet, bang dat een andere bakker hun klanten inpikt. De bakkersvereniging komt tot een overeenkomst waarbij alleen in je eigen wijk gevent mag worden. Nu kunnen ze ook afspreken dat bakkers, onderling, hun klanten helpen, terwijl ze een week vakantie hebben. Zo ook de ouders van Bram. Met de fiets gaan ze naar Camperduin voor een week, waar hun vader een klein huisje van een klant heeft gehuurd. De jongens komen in de hemel. Geen gezeur van buren en klanten.

Zo gaan de jaren voor Bram in voorspoed voorbij. Vader en moeder komen op een leeftijd dat ze het rustiger aan willen doen. Ze overleggen met elkaar en besluiten de jongens te vragen of ze de zaak willen overnemen. Geen van drie heeft daar zin in en de bakkerij is aan iemand anders verkocht. Hun vader vindt een baantje op de broodafdeling van een supermarkt. Hij zegt tegen zijn jongens: ”Dit had ik jaren geleden moeten doen.”

Voor het eerst hebben ze de hele zomervakantie vrij. Brian gaat in de vakantie, voor een extra zakcentje, bij een boer op het land werken. Bram heeft hier ook wel zin in, maar moet nog een jaar wachten omdat hij te jong is. Het volgende jaar gaat hij met Brian mee, werken op het land.

Ze beginnen om zeven uur ’s morgens en soms, als de bloemkool naar de veiling moet, om vijf uur. Het eerste werk is meestal bloemkool dekken om ze te beschermen tegen de zon. Bloemkolen die groot genoeg zijn, gaan naar de veiling. De boer kapt ze met een machete, de jongens brengen ze naar de verzamelplaats, waar de trekker met lege kisten al klaarstaat. Daar hakken ze het teveel aan blad weg. Die worden op een hoop gegooid. Brian weet al uit ervaring, dat je niet over deze berg moet lopen; Bram nog niet. Brian vraagt aan hem of hij iets aan de andere kant van de hoop wil pakken. Bram stapt nietsvermoedend op de nieuwe bladeren en zakt, onder smakelijk gelach, tot zijn enkels in de stinkende en rottende drab daaronder. In de sloot, kan hij zichzelf en zijn sandalen wassen.

Bij de boer werkt Gerrit, een oude knecht. Prachtige verhalen over noodweer en andere avonturen die hij beleefd heeft, worden bij de koffie, in het West-Fries, door hem verteld. Aan het eind van de vakantie is het tijd om de aardappelen te rooien. Bram heeft te lange nagels en daar gaan aardappelschillen en aarde onder zitten, wat pijnlijk is. Hij wil zich niet laten kennen en gaat gewoon door. Thuisgekomen probeert hij zijn nagels te knippen, maar vanwege de pijn lukt dat niet. Om het schrijnende gevoel te verzachten, maakt zijn moeder een badje van warm sodawater en na het weken daarin, knipt ze zijn nagels. Zijn vader zit ontroerd en trots toe te kijken hoe mamma die grote lummel vertroeteld.

De volgende dag zit Bram naast Gerrit te rooien. Hij ziet hem met zijn blote handen een brandnetelplant weghalen. Hij heeft niet in de gaten dat Gerrit, door zijn eeltige handen, niets van de stekels voelt en vraagt: ”Brandt dat niet?”
“Nee hoor, je moet je adem inhouden, dan voel je niets,” antwoordt Gerrit serieus.
Even verderop zit Brian zich al te verkneuteren, want vorig jaar heeft hij dat bij hem gedaan. Bram houdt zijn adem in en pakt een Brandnetel. Zijn hele hand staat direct in brand. Gerrit pakt een Weegbree en zegt: ”Wrijf deze maar fijn met je handen, dan gaat het over.”
Inderdaad is het branden direct over.

Zo brengen ze de zomers door met werken en omgaan met hun grote vriendenkring. Op de fiets gaan ze naar het strand, met een door hun moeder gemaakte zak boterhammen. In de winter kaarten de jongens vaak met hun vader. Dat doet hij omdat het dan gezellig blijft, want als de jongens bij elkaar zitten te praten, dan barsten er soms felle discussies los die bijna altijd op ruzie eindigen. Bram heeft heel andere ideeën over politiek, godsdienst en hoe de maatschappij eruit moet zien, dan zijn broers en zijn vader. Deze ruzie is meestal de volgende dag weer over, maar hun ouders vinden het niet leuk.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *