De Ommekeer deel47

De Ommekeer deel47

Voor de tweede keer die vakantie heeft Charles een vraag voor Bram.
“Ik heb navraag gedaan naar de vrouw op de miniatuur. Ze woont nog steeds op hetzelfde adres. Volgens mij heeft hij een klein duwtje nodig om hem naar haar toe te laten gaan.”
“Misschien is ze wel getrouwd,” werpt Bram tegen.
“Nee, dát is ze niet.”
Bram denkt, die weet nog meer, maar hij wil niet zeggen wat.
“Dan zal ik het Jean vragen.”

In de buurt van Abbeville zitten een meisje en een vrouw op het terras bij een villa.
“Wat heeft die hond? Ik word gek van hem, hij blijft al dagen rondjes lopen.”
“Ik weet het niet mam. Waar is hij eigenlijk?”
“Hij is met zijn rondje bezig, hij zal zo wel komen.”
Na een half uur is de hond nog weg.
“Ik ga hem zoeken.”
“Ik ga mee.”
“Kijk, hij zit bij de trap.”
“Kom mee, Chien. Hier is niets te zien.”
De hond reageert niet. Als een standbeeld blijft hij zitten.
“Wanneer hij moe is, gaat hij wel slapen op zijn plekje op het terras.”
Dat doet de hond niet, de volgende morgen zit hij nog steeds op zijn plek. Ze proberen hem met water en eten te lokken, waar hij totaal niet op reageert.
“Om vier uur komt er iemand van de elektra langs. Ik hoop niet dat hij hem aanvliegt, als hij opzij  moet.”

Tijdens het ontbijt zitten Debby, Bram en Jean op het terras van de gite. Debby opent, zoals met Bram afgesproken, het onderwerp hond.
“Een béétje kasteelheer heeft een hond. Ga jij Chien nog halen?”
Jean is overvallen door de vraag waar hij de laatste tijd in gedachten veel mee bezig is.
“Eh…, dat weet ik nog niet.”
“Ik heb een leuk idee, paps. We laten Charles uitzoeken of ze daar nog woont. Jij komt voor de hond, dus als ze getrouwd is kan daar niemand over vallen en jij loopt geen blauwtje.”
“Beauty en brains is een gevaarlijke combinatie.”
“Dan heb ik óók een idee. We laten Charles haar bellen met een smoesje over een elektramonteur of zo, dan weet je ook of ze thuis is, want het is een eind rijden.”
Jean weet dat ze hem manipuleren. Het gaat uit liefde en geen bemoeizucht weet hij. Ze hebben de twee problemen waar hij mee worstelt, opgelost voor hem.
“Dat lijken mij twee goed-ideeën.”
Charles maakt, met een smoesje over de elektra, voor de volgende dag om vier
in de middag, een afspraak. Jean vertrek om zes uur die morgen richting Abbeville, een rit van zevenhonderd kilometer. Om drie uur die middag begint Chien, het terras op te rennen en tegen Nina op te springen. Steeds omkijkend, rent hij weer weg. Ze volgen hem niet, dus komt hij weer terug om weer tegen haar op te springen en weg te rennen.
“Lassie, zit,” commandeert Nina tegen beter weten in.
Na een keer of tien geeft Chien het op en gaat weer op zijn plaats bij de trap zitten.
“Die hond is nu echt gek mam. Moeten we niet met hem naar de dierenarts?”
“Dat is misschien een idee.”

Om exact vier uur, belt Jean aan bij de villa. Chien is nu door het dolle heen. Lola, een héél mooi meisje van een jaar of veertien, schat Jean, doet de poort open. Chien begint tegen hem op te springen.
“Chien, zit!” roept Jean.
Hij gaat zitten, elke beweging van Jean volgend. Het meisje met bruin haar en lichtblauwe ogen kijkt verbaasd van de hond naar de man.
“Hoe weet u de naam van onze hond?”
“Die heb ik hem gegeven. Nu kom ik hem halen.”
Het meisje zegt niets, maar neemt hem zéér belangstellend op. Jean krijgt het idee dat het vliegtuig waarin hij naar het zonnige zuiden gaat, per ongeluk op de Noordpool is geland.
“Dan heeft ze dus niet gefantaseerd over ene Jean met zijn lelijke hond.”
“Wie?”
“Mijn moeder.”
“Ah, je moeder.”
“Mijn moeder heeft vertelt dat jij, ooit een keer, de hond zou komen ophalen.”
“Dat klopt, hier ben ik dan.”
“Godzijdank dat haar smaak voor mannen in ieder geval één keer goed is geweest. Ik had het héél veel slechter kunnen treffen.”
Jean staat het meisje onnozel aan te kijken. Hij heeft geen idee wat ze bedoelt.
“Je weet écht niets hé.”
“Nee, ik heb geen idee wat je bedoelt.”
“Ik heb jouw ogen.”
Langzaam begint het tot Jean door te dringen.
“O shit! Dan heb ik in twee weken twee dochters gekregen.”
Nu is het de beurt van het meisje om verbaasd te zijn. Een beetje aarzelend geeft ze Jean een kus.
“Blij je te zien, paps.”
“Ik jou ook, dochter.”
“Ik heet Lola. Kom op, we gaan naar mam, wat zal ze dat geweldig vinden.”
Chien volgt blij, maar met enige reserve vanwege eerdere ervaringen.
“De elektra was een grapje zeker,” zegt het meisje dat niet alleen mooi, ook slim is.
“Een flauw grapje, bedacht door mijn dochter en schoonzoon.”

Chien kan zich niet meer beheersen en rent naar het terras om het goede nieuws aan, het alfa vrouwtje, te vertellen. Nina komt ze al tegemoet lopen, want ze vindt het wel erg lang duren voor de elektra man binnen is.
“Jean, je leeft, wat geweldig.”
“Jij ook zie ik, Lola en ik hebben al kennis gemaakt.”
“Je weet dus….”
“Ja en ik ben nu al ápetrots.”
Lola kijkt van de een naar de ander.
“Wat is dit nou voor een áchterlijke ontmoeting, jullie hebben elkaar veertien jaar niet gezien.”
“Ze heeft gelijk Nina, ze is mijn dochter, dus ze heeft gelijk. We beginnen opnieuw, maar dan in slow motion.”
Ze lopen beiden een stukje terug en beginnen in slow motion naar elkaar te lopen.
“Niiiiiiinaaaaaaa, roept Jean met een lage stem.”
“Jeaaaaaaaaan.”
Lola buigt zich voorover naar Chien.
“Ze heeft dus iemand gevonden die nóg gekker is dan zij.”
Chien vindt het allemaal véél te lang duren. Hij begint weer tegen Jean op te springen.
Die haalt hem aan en zegt: “Rustig maar Chien, ik kom je halen.”
“Mij niet dan?”
Lola kijkt, met een afkeurende blik, naar haar moeder.
Nina negeert haar.
“Natúúrlijk kom ik voor jou. De hond en de elektraman zijn smoesjes.”
“Ik ga met je mee, het kan mij niet schelen waar of hoe je woont.”
“Dan heb ik een verrassing voor je.”
Lola kucht.
“Jij mag ook mee als je wilt.”
“Het kan mij wél schelen hoe je woont, ik ga niet in een woonwagen wonen of zo.”
“Houd je van middeleeuwse kastelen?”

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *