De Ommekeer deel7

De Ommekeer deel7

Om niet de aandacht van de politie te trekken, maakt Jean geen overtredingen. Ondanks de bizarre omstandigheden, voelt hij een rust over zich heen komen die hij sinds zijn kinderjaren niet meer gevoeld heeft. Over het probleem waar alles om begonnen is, hoeft hij zich geen zorgen meer te maken. Zijn ouders doen alles wat nodig is, daar is hij van overtuigd. Zijn enige zorg is uit handen van zijn vijand te blijven. In de auto denkt hij na over zijn toekomst. Op de eerste plaats moet ik mijn zelfmoord in scène zetten dan zie ik wel verder. Voorbij de Belgische grens voelt hij zich opgelucht, Nederland heeft hij kunnen verlaten, het gevaarlijkste deel van zijn reis. Het vrachtverkeer tussen Nederland en de rest van Zuid-Europa gaat ook ’s nachts door. Voor het eerst begrijpt hij waarom de meeste truckers zo van hun werk houden, zonder de zenuwlijders in hun snelle auto’s, heerst er rust op de weg. De vakmensen geven elkaar de ruimte. Bij Antwerpen zijn de druktemakers, helaas, nog wel aanwezig. Voorbij de Kennedytunnel is het weer veel stiller op de weg. In Nederland heeft hij niet getankt uit angst voor ontdekking. Hij neemt zich voor bij Jabbeke, te tanken. De stilte bij het verlaten tankstation is iets wat hij nog nooit eerder heeft meegemaakt. Het licht in de winkel is bijna helemaal gedoofd. De bediende zit zich, achter een glazen scherm, te vervelen. Jean heeft honger, hij zoekt iets eetbaars in de winkel. De bediende roept hem.
“Allez meneer, wat zoekt u?”
“Iets te eten, een broodje of zo.”
“Kom maar naar achteren, de rommel in de winkel is niet te vreten. Ik heb hier een privé voorraadje. Vers stokbrood met ham en kaas, lust u dat?”
“Nou en of.”
De bediende opent de deur en Jean komt in de kassaruimte. Het broodje dat hij van de man krijgt, is het lekkerste wat hij ooit geproefd heeft. Op de vraag waar hij zo laat naar toe gaat, antwoord Jean: “Naar een zieke tante.”
Hij bedankt de bediende uitbundig en vervolgt zijn reis naar de dood. Tot de grens bij Frankrijk komt hij geen enkele auto meer tegen. Omdat de snelweg naar Frankrijk nog in aanleg is, moet hij naar de grenspost van Adinkerken. Langzaam rijdt hij langs het kanaal tot de slagboom. De beambte komt naar buiten om zijn paspoort te controleren. Hij gaat met het paspoort naar binnen. Jean is ongerust, want bij eerdere controles hoefde hij alleen zijn paspoort te laten zien.

Hij zoekt een kans om te ontsnappen, als de douane de opdracht heeft om hem aan te houden. Hij kan alleen uit de auto springen en het kanaal overzwemmen, maar dat zullen ze wel voorkomen. Hij moet rustig wachten, wat hij dan ook doet. Hij neemt de naargeestige omgeving in zich op. De spoorrails en de oude brug zien er verwaarloost uit. De euforie van het broodje bij Jabbeke verdwijnt tijdens het wachten. Met de uitwerking van zijn plannen, waar hij in de auto mee begonnen is, kan hij niet meer verder. Zijn lichaam en geest zijn totaal verlamd. Het kan hem ook niets meer schelen. Hij beseft dat hij zijn machtige tegenstander nooit te slim af kan zijn.
De beambte komt naar buiten en geeft Jean zijn paspoort.
“Prettige vakantie.”
“Dank u wel.”
Met veel moeite, kan hij weg rijden. Bij Duinkerken is het, door de adrenaline veroorzaakte, shaken van zijn handen en benen minder.
“Dit is de tweede keer dat ik bijna dood ben. Nu is het genoeg goddomme,” schreeuwt hij de spanning van zich af. Deze uitbarsting geeft hem weer een beetje ruimte voor andere dingen, zoals het verder uitwerken van zijn plan om te verdwijnen.

Bij de volgende rustplaats stopt Jean. Om spullen te kopen voor zijn tocht is het nog te vroeg. Hij voelt hoe moe hij is en binnen een minuut zit hij achter het stuur te slapen. Na een half uur is hij wakker. Verkwikt, maar nog wazig in zijn hoofd, stapt hij uit zijn auto de frisse ochtendlucht in. Hij loopt naar de wc, die hij niet hoeft te zoeken, want hij kan op de lucht af gaan.

Onder het rijden heeft Jean een aantal problemen gesorteerd, door als politieman te denken. Ik ga beginnen met een zoekactie in de directe omgeving. Tegelijkertijd laat ik ze ook op zee en beneden aan de klif zoeken. Het zoeken zal niets opleveren. Daarna ga ik met speurhonden zoeken. Een speurhond is niet te misleiden, wat ik ook bedenk, hij zal altijd mijn spoor vanaf de klif vinden en dan weten ze dat ik gevlucht ben, overweegt hij.
Hij nadert Calais, maar een oplossing voor zijn probleem heeft hij nog niet, tot hij een neonreclame ziet met de tekst:” Wine en Beers.”
Natuurlijk, dat is het. Ik moet lege bierfusten hebben, dan maak ik daar stelten van. Jean Carpentier je bent een genie.
De zaak is al open. Jean gaat naar binnen, waar een nors kijkende eigenaar hem opwacht.
“Heeft u voor mij twee kleine, lege bierfusten?”
“Eh…”
“Oh sorry, dat klinkt natuurlijk gek, maar het is voor een grap op een verjaardag.”
“Ah.”
Even later komt de winkelier terug met twee, wegwerp, fusten.
“Hoeveel kost het?”
“Niets.”
“Dank u wel.”
“Veel plezier.”
“Au revoir.”
Jean plaatst zijn schat voorzichtig in de auto. Hij moet ervoor zorgen dat de onderkant van de vaten niet zijn geur krijgen.

In een grote supermarkt bij Calais koopt hij proviand voor een paar dagen. Voor zijn fusten koopt hij touw en voor de route die hij wil nemen een gedetailleerde kaart. Een klein bijltje en een paar aanstekers neemt hij mee om onderweg eten te bereiden en om, eventueel, een schuilplaats te bouwen. Nu moet hij wachten tot het nacht is.

Even voorbij de supermarkt rijdt hij zo diep mogelijk een bos in, om daar te wachten en zijn stelten te maken. Van dennentakken maakt hij een bed, dat verassend zacht is. Na een paar uur slaap, is hij verkwikt wakker. Met een handje water uit een fles frist hij zich op. De rest gebruikt hij om zijn enorme dorst te lessen. Het is tijd om aan zijn stelten te beginnen.
Met de schroevendraaier uit de auto en een steen maakt hij gaten in de blikken. Nu wurmt hij het touwtje door het ene gaatje om het aan de andere kant weer tevoorschijn te laten komen. Na vier mislukte pogingen is hij kwaad.
“Kuttouwtje, ga erdoorheen,” moppert hij, het touwtje gaat niet.
Wat zit je nou een drukte te maken, je hebt de hele dag de tijd, vermaant hij zichzelf. Hij gaat op zijn provisorische bed zitten. Rustig laat hij het touwtje door het gat zakken. Hij tilt het op om aan de andere kant te kijken of het voor de opening zit. Prompt vallen de laatste paar druppels bier in zijn gezicht, waar hij om moet lachen.  Het is een bizar schouwspel. Het bos en de dieren daarin, storen zich daar niet aan. De rest van de dag is hij bezig met zijn stelten te maken en erop te leren lopen. Zorgvuldig pakt hij zijn rugtas in. Rustig overdenkt hij zijn strategie. Die nacht is het enige wat belangrijk is om zover mogelijk weg te komen van de plek waar de auto staat. Op de stafkaart bestudeert hij nog een keer zijn route, hoewel hij die helemaal uit zijn hoofd kent. Het bos waar hij zich de volgende dag wil schuilhouden, is ongeveer twintig kilometer lopen. De zang van de vogels maakt hem rustig. Hierdoor kan hij aan de afscheidsbrief voor zijn ouders beginnen.

Wát hij zal gaan schrijven is belangrijk, want zijn tegenstander gaat hem ongetwijfeld lezen. Het belangrijkste is om die te laten denken dat hij veilig is. Mijn familie en ik, zijn hierdoor geen bedreiging meer voor hem. De brief ziet er na een heleboel verschillende versies uiteindelijk zo uit:
“Lieve ouders, bedankt voor het leven. Helaas is dat niet zo gelopen als jullie en ik zouden willen. Tot gisteravond was het nog waard om ervoor te vechten. Toen heb ik iets meegemaakt wat zo verschrikkelijk is dat ik daar niet mee verder kan leven. Ik weet dat jullie over alles wat ik achterlaat zullen waken, daarom durf ik met een gerust hart uit dit vreselijke leven te stappen. Om te voorkomen dat zoiets nog een keer gebeurt, heb ik het dodelijke instrument om dat te doen meegenomen. Dat gaat mee in mijn graf, de oceaan.”
Jullie liefhebbende zoon en pappa.

Om elf uur die avond rijdt hij het bos uit om naar zijn bestemming te gaan. Over de verlaten wegen gaat hij richting de Duex Caps. Hij passeert de enorme supermarkt waar het nu onwezenlijk rustig is. Het oranje licht van de snelwegverlichting zorgt voor een vreemde gloed. Hij bereikt zijn afslag.
Nu is de weg smal en donker. De enige begroeiing is helmgras en laag struikgewas. De voorboden van de zee en zijn zoute wind. Hij begint aan de klim naar het parkeerterrein. Op de klif staat een monument voor een van de grote daden van de mensheid, elkaar op zo groot mogelijke schaal uitmoorden. Eigenlijk is dat hetzelfde als een kathedraal. God, kijk eens hoe goed wij zijn.

Vlakbij de top, komt hem een auto hem tegemoet. Even is er een gevoel van paniek, maar de auto rijdt door. Jean parkeert en stapt uit. Hij loopt om de auto heen, om zijn geurspoor sterk te maken. Het pad naar de klif is goed zichtbaar bij het bleke maanlicht. Rustig lopend verlengd hij zijn geurspoor naar de rand van de klif. Daar blijft hij even staan om te genieten van het uitzicht over de zee. De veerboten met hun felle verlichting geven het geheel iets surrealistisch. Snel loopt hij naar de auto terug, waar hij zijn rugtas omdoet en zijn stelten pakt. Hij kijkt nog even om zich heen of hij iets over het hoofd ziet. De afscheidsbrief legt in het dashboardkastje. In de auto is niets wat hem kan verraden. Hij stapt op zijn stelten en begint te lopen.

Een paar ogen kijken naar Jean, die op zijn idiote stelten wandelt. De eigenaar van de ogen is achter een paaltje weggedoken, waar hij aan vastgebonden is. In die ogen is angst voor, maar ook verlangen naar die man te lezen. Na even twijfelen, krijgt het verlangen naar de man, met een klagende roep, de overhand. Jean stopt en kijkt om zich heen waar het trieste geluid vandaan komt. Een jonge hond komt, met zijn staart tussen zijn benen, achter de paal vandaan. Daarom was die auto hier. Pappa vindt wel een goed plekje voor de hond, zal hij wel tegen zijn kinderen gezegd hebben. Uiteraard kan hij het bange dier niet achterlaten. Op zijn mallotige stelten loopt hij naar de hond. Voorzichtig, om niet zijn geur af te geven, bevrijd hij de hond die tegen hem op springt.
“Af!” roept Jean streng.
De hond is onmiddellijk rustig alsof hij weet dat zijn toekomst hiervan af hangt, wat ook het geval is. Jean begint weer te lopen, de hond volgt gedwee. Na een half uur lopen is hij een bos, waar hij zijn stelten achterlaat onder een laag takken. Nu heeft hij tijd om de hond aan te halen. Dolgelukkig likt hij Jean waar hij kan.
“Ik noem je Chien, dat is Frans voor hond.”
De hond, een bastaard Jack Russel van ongeveer een half jaar, heeft kort haar en hangende oren die hem iets droevigs geven. Hij vindt alles prachtig wat Jean zegt en doet.

Jean begint zo snel mogelijk te lopen. De hond volgt gedwee, tot hij van vermoeidheid niet meer kan. Jean pakt hem op en plaatste hem in zijn nek. Na een half uur laat hij de hond weer lopen. Dankzij de volle maan heeft hij prima zicht. Om halfvijf is hij bij het bos waar hij de dag wil doorbrengen. Ze lopen zo diep mogelijk het bos in. Jean maakt een onderkomen onder een kleine spar. De boom heeft takken tot bijna op de grond. Op de televisie zag hij bij een overleveringsprogramma in de wildernis, dat dit de beste beschutting is bij regen. Dat is ook nodig, want het onweer in de verte, komt snel dichterbij. Op de bodem plaatst hij, net als de dag daarvoor, een dik pak dunne takken als bed. Met zijn hoofd op zijn rugzak valt Jean, volledig uitgeput door de wandeling en de emoties van de laatste tijd, in slaap. De hond kruipt tegen zijn buik aan en slaapt ook. Het onweer maakt ze wakker. Even is Jean bang dat hij niet droog blijft, maar de regen glijdt inderdaad, langs de takken aan de buitenkant naar de grond. De plensbui geeft het bos een aroma van verfrissing en een vleugje schimmel. Onder zijn afdak zit Jean te kijken hoe kleine stroompjes ontstaan, die bladeren en insecten meesleuren. Een drama in miniuitvoering, ziet hij.  Chien blijft slapen, tot Jean eten uit zijn rugzak pakt.

Zo trekken Jean en Chien samen verder, twee verschoppelingen met een goedheid van karakter waar de mensheid eigenlijk geen recht op heeft. Soms slapen ze in het bos en soms in een verlaten schuur of stal. In de kleine dorpjes waar ze door lopen, zoekt Jean in de vuilnisbakken naar etensresten. Het verbaast hem hoeveel hij kan vinden. Bij supermarkten haalt hij groenten, fruit en soms aardappelen. Vlees voor Chien is er in overvloed, de uiterste verkoopdatum zegt hem niets. Bij restaurants neemt hij de overblijfselen van overvloedige maaltijden mee. De volgende morgen maakt Jean zijn eten op een vuurtje klaar voor hij gaat slapen.  Jean merkt dat hij slanker is. Hij voelt zich daar geweldig bij, ook omdat zijn conditie steeds beter is. Bij een meertje of een beekje wast hij zich zo goed mogelijk. Zijn kleding, spoelt hij daar ook uit. Hij neemt aan dat zijn spullen schoon zijn, maar zijn verstand zegt dat het behoorlijk moet stinken.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *