De ommekeer

De ommekeer

Proloog

Debby en Bram hadden voor drie weken een huisje in Frankrijk gehuurd met de bedoeling rust te nemen na de hectiek van de laatste tijd. Bram had een tip gekregen van iemand die het eerder gehuurd had.
“De locatie is uniek. De gite ligt op het terrein van een middeleeuws kasteel. Het wordt gerund door een Nederlands sprekende man, maar hij is niet de eigenaar. Dat zijn twee leuke Franse mensen, waar je wordt uitgenodigd om een keer te komen eten,” vertelde de kennis enthousiast.
Met enige reserve over de kwaliteit, want niet iedereen vindt hetzelfde mooi, arriveerden ze daar op een warme julidag. Ze werden door Jean opgewacht, de beheerder van het vakantiehuisje. Hij had ze horen aankomen en liep direct naar de auto toe waar, naar zijn schatting, een man van achter in de dertig begin veertig, uitstapte. De man liep naar hem toe en stelde zich, in het Frans, als Bram van Schagen voor.
“Jean Carpentier,” met een glimlach voegde hij daar in het Nederlands aan toe: “Uw Frans is prima.”
“Maar ongetwijfeld niet zo goed als uw Nederlands,” repliceerde Debby terwijl ze uitstapte en Jean een hand gaf.
“Mijn vrouw Debby,” stelde Bram haar voor.
Jean keek naar haar buik.
“Nog drie maanden.”
“O! Wordt het een tweeling?” plaagde Jean haar. Direct was er een sfeer van genegenheid tussen de drie mensen, vooral tussen Debby en Jean. Jean liep voor de auto uit naar het huisje toe.
Hij wees ze de parkeerplek bij de gite, waar Bram de auto uit de zon kon neerzetten.
“Het huisje is nog mooier dan op de foto,” gaf Debby een compliment aan Jean.
“Dat is leuk om te horen.”

Jean leidde ze binnen rond en vertelde hoe alles werkte.
“Als jullie iets nodig hebben of iets willen weten van de omgeving, dan kun je mij in de kleine schuur bij het kasteel vinden. Wanneer jullie te moe zijn om te koken, kunnen jullie vanavond bij ons komen eten.”
“Dat lijkt mij heerlijk, dan kan ik eerst nog even slapen,” nam Debby de uitnodiging aan. Met de woorden: “We eten op het terras achter het kasteel,” nam Jean afscheid.
Zo begon de vakantie die Bram later zou omschrijven als volkomen krankzinnig en Debby als een surrealistische droom.

Theo

Hoofdstuk 1

Theo had zijn auto op een strategisch punt op het Aalsmeerplein geparkeerd. Dichtbij genoeg om de mensen die uit de flat moesten komen te kunnen zien en veraf genoeg om zelf niet gezien te worden. Maandenlang was hij al op zoek naar mogelijkheden om uit de onmogelijke situatie waarin hij verkeerde te kunnen ontsnappen. Geen enkele normale manier was afdoende om zijn probleem op te lossen. Nu had hij een plan bedacht om het op een abnormale en illegale manier te proberen. Daarvoor had hij zijn paspoort nodig en dat lag in het huis waar de mensen waar hij op wachtte uit moesten komen. Tijdens het wachten keek hij af en toe om zich heen. Wat hij zag, was het bijna volmaakt tegenovergestelde van de paar afgelopen weken waarin de zon een hoofdrol speelde. Elke avond zaten er wel een aantal mensen op de bankjes van het plein of voor de kroeg op de hoek, met als hoogtepunt de avonden in het weekend, dan zaten overal groepjes mensen op de bankjes of stonden ze met elkaar te praten. De tafels en stoelen voor het café waren allemaal bezet. De kroegbaas en zijn vrouw renden af en aan. De kwinkslagen vlogen door de lucht.
“Hé, gespierde spijker, doe nog maar een rondje,” riep een man vrolijk tegen de kroegbaas die ruim honderd en veertig kilo woog.
“Een half jaar niet eten en ik ben slank en knap, maar die lelijke kop van jou raak je nooit meer kwijt,” repliceerde de kroegbaas.
Er werd zelfs muziek gemaakt. De Majoor, zoals hij genoemd werd, een ex-marinier, speelde op zijn trompet en ome Gerrit had zijn accordeon meegenomen. De tekst van het lied: ‘bij ons in de Jordaan’ werd veranderd in: ‘bij ons op het Aalsmeerplein’.
Nu zag het plein er desolaat en grauw uit in de druilerige motregen. De stinkende pisbak bij de ingang van de begraafplaats ’Huis ter Vraeg’ stond scheef, viel hem nu pas op. Voor iedereen was het rotweer, voor hem was het ideaal, want zo kon hij ongezien en dus zonder lastiggevallen te worden doen waar hij voor kwam. Hij keek gespannen naar het portiek waar twee mensen rond tien uur ’s avonds uit moesten komen. Het was al kwart over tien en hij had ze nog niet gezien. De perfectie van de avond begon barstjes te vertonen. Om halfelf begon hij te overwegen om zijn actie af te breken. Op dat moment kwamen ze naar buiten. Na drie minuten te hebben gewacht, stapte hij uit zijn auto en liep naar het portiek waar de twee mensen net uit waren gekomen. Even aarzelde hij, want er begon zich een slecht voorgevoel te manifesteren; hij negeerde het. Voorzichtig opende hij de deur van het portiek. De vage geur van urine en het vuil in de hoeken van het portiek, bezorgden hem, hoewel hij dit gewend was, een gevoel van walging. Zo stil mogelijk liep hij, met de sleutel in zijn hand, de trap op. Hij opende voorzichtig de voordeur en stapte de hal van de flat in. Heel even bleef hij staan om zijn zenuwen onder controle te krijgen. Het trillen van zijn handen en het dreunen van zijn hart werden langzaam minder.

Hij passeerde de keuken, waar de afwas van een paar dagen stond te stinken op het aanrecht. Tot het uiterste geconcentreerd, waardoor al zijn zintuigen op scherp stonden, bleef hij in de hal even staan. Onder normale omstandigheden had hij het geluid zeker niet gehoord, maar nu wel. De deur van het trappenhuis ging open en dicht. Het slechte voorgevoel dat in de auto was begonnen, werd in een deel van een seconde véél sterker. Hij was zo verstandig hier nu wel naar te luisteren. In de volgende seconden overzag hij de mogelijkheden zich te verschuilen. Keuken, huiskamer, slaapkamer, balkon, ze waren niet geschikt. Dan zag hij een mogelijkheid. Met een paar sprongen was hij bij de bezemkast in de hal van de flat. Hij pakte de sleutel uit het slot van de kastdeur en stak die aan de binnenkant er weer in. Zo stil mogelijk stapte hij de kast in en trok de deur naar zich toe. Op het moment dat hij die van binnenuit op slot deed, ging de voordeur open. Voorzichtig boog hij naar voren om door het ventilatieluik in de deur te kunnen kijken. Hij zag de twee mensen binnenkomen die nog geen kwartier geleden waren vertrokken. Verdomme hoe kan dat nou, had ik nou maar naar mijn slechte voorgevoel geluisterd, dacht hij.
“Hij komt er zo aan, zullen we in de kamer bespreken wat we gaan zeggen?” vroeg de mannelijke helft van de twee mensen in de hal.
De toon was vragend, maar duldde tegelijkertijd geen tegenspraak.
“Dat is goed,” antwoordde de vrouw timide.
In de kast overwoog Theo of hij een poging zou wagen om te vluchten zodra ze de woonkamer waren binnengegaan. Een zacht geklop op de voordeur maakte een einde aan die overweging. De vrouw opende de deur en liet de bezoeker binnen. Theo boog zich weer voorover naar het rooster en zag het gezicht van de bezoeker.
Hij kende hem, maar hij wist niet waarvan. De bezoeker hing met zorgvuldige gebaren, waar veel ergernis uit bleek, zijn jas aan de kapstok. Hij liep achter de vrouw mee naar de woonkamer, waarbij hij op een vriendelijke toon opmerkte: ”We moeten wel opschieten, want ik moest al ergens anders zijn.”
Theo kreeg kippenvel van de toon waarop het gezegd werd. Hij overwoog weer, nu veel dringender, om te vluchten.
De zin: “Ik pak even wat bier, wil je ook?” die uit de kamer klonk, maakte een einde aan deze overweging. De vrouw pakte in de keuken drie flesjes bier. Theo nam zich voor om te wachten met vluchten, tot er een betere kans zou komen. De kamerdeur ging dicht, waardoor hij niet kon verstaan waarover de drie mensen met elkaar praatten. De oplopende temperatuur en de bedompte atmosfeer in de kast, waar een vleugje boenwas uit een ver verleden probeerde het geheel nog enige stijl te geven, maakten hem misselijk.

Het gesprek in de kamer stopte. De deur ging open en Theo zag de bezoeker de kamer uitkomen en zich omdraaien naar de mensen in de kamer.
“Ik zal alvast wat geld uit mijn jas pakken, de rest regelen we later wel.”
De toon waarop dit gezegd werd, was weer heel vriendelijk. Het van ingehouden woede vertrokken gezicht van de bezoeker bezorgde Theo een gevoel van afgrijzen. Op het gezicht van de bezoeker was nu een uitdrukking die Theo nog nooit bij een levend iemand gezien had. Het volkomen gebrek aan inlevingsvermogen in een ander en het niet hebben van een geweten, gaf hem een dierlijke trek op zijn gezicht. Op foto’s die hij ooit bij een bezoek aan oorlogskamp Westerbork had gezien, had hij diezelfde uitdrukking gezien bij de Duitse bewakers. De bezoeker liep naar zijn jas, pakte daar geen geld uit, maar een pistool met geluiddemper. Het angstzweet stroomde binnen een paar seconden over Theo zijn hele lichaam. Alles werd betrekkelijk en vaag. In leven blijven was nu zijn enige doel. Binnen tien seconden was het gebeurd, hij hoorde een paar kreten uit doodsnood en het twee keer ploffen van het pistool. Daarna was het stil, doodstil.

Even later kwam de bezoeker met het pistool de kamer uit. Hij keek even om zich heen en heel lang, voor het gevoel van Theo, in zijn richting. Nog nooit had hij zich zo dicht bij de dood gevoeld. De bezoeker draaide zich om en ging de keuken in. Even werd er in een van de kasten in de keuken gerommeld voor hij weer de hal in kwam lopen. Hij ging de huiskamer in en liet de deur open. Hierdoor kon Theo horen dat hij aan het telefoneren was. Hij hoorde de eenzijdige conversatie aan.
“Hallo met mij. Ze wilden mij chanteren, de varkens.”
“…”
“Ik heb ze opgeruimd. Kom jij hier de boel schoonmaken, want ik heb bloedhaast. Ik ben alleen in de hal en de kamer geweest. Het pistool zit in de beschuitbus in het keukenkastje. Denk om de hulzen.”
“…”
“Geen paniek, om een uur of vijf vannacht is prima. We maken er een familiedrama van, man schiet vrouw en vriend dood en daarna zichzelf, die zelfmoord moet jij morgenochtend met hetzelfde pistool doen, wanneer hij naar zijn werk gaat. Wel een afscheidsbriefje natuurlijk.”
“…”
“Ik ben weg, de sleutel ligt onder de mat.”

In de gang stond de bezoeker nog even om zich heen te kijken of hij niets vergeten was. Zijn gescherpte instinct waarschuwde de bezoeker dat er iets niet klopte, maar hij kon niets vinden. In de kast werd gesmeekt of hij wegging. De bezoeker liep naar de kast toe. Theo ging héél voorzichtig zoveel mogelijk naar achteren en deed zijn ogen dicht. Zijn hoofd draaide hij naar beneden om het wit van zijn gezicht te verbergen. De bezoeker probeerde door het ventilatierooster te kijken. Theo was doodsbang dat zijn darmen zouden gaan borrelen door zijn angst. De bezoeker probeerde de kast open te maken. “Waar is die achterlijke sleutel?” mompelde hij, om zich heen kijkend naar een eventuele opbergplaats.
“Nou ja, geen tijd meer. Ik zal het me wel verbeelden,” mompelde hij.
Eindelijk stapte de bezoeker resoluut de deur uit en trok die voorzichtig achter zich dicht. Theo bleef nog even staan, om zeker te zijn dat hij niet weer naar binnen kwam om te kijken of er iets uit de kast zou komen. Die angst was niet ongegrond maar wel overbodig, want de bezoeker liep snel naar zijn auto en reed weg. Een vrouw die met haar hond wandelde, deed net of ze de bezoeker niet zag lopen.

Eindelijk durfde Theo de kast te verlaten, wat hem niet direct lukte, want de spanning zorgde ervoor dat hij nauwelijks kon blijven staan. Een eindeloze zucht, die meer een snik was, gaf hem weer de nodige zuurstof en kracht om wankelend de kast uit te stappen. De neiging om hard weg te rennen van deze plek, die naar zijn idee de hel moest zijn, onderdrukte hij.
“Ik moet verdomme sterk zijn voor de anderen,” vloekte hij tegen zichzelf, terwijl hij naar de keuken liep en daar op een stoel ging zitten. Zijn verstand kon de gebeurtenissen nog niet in logisch denken ordenen. Small steps, zou zijn vader zeggen. Het uitvoeren van zijn oude plan was nu niet meer nodig en mogelijk, was het eerste logische wat hij kon bedenken. Wat hij kwam doen om het plan uit te kunnen voeren, besloot hij toch te doen: zijn paspoort pakken uit de kast in de slaapkamer.

Zijn volgende zet was bedenken wat wel of niet moest gebeuren. Naar de politie gaan kon niet, want op het moment dat hij overwoog dat te doen, herinnerde hij zich wie de bezoeker was. Nu pas drong de volle omvang van het gevaar waarin hij verkeerde tot hem door. Hij stond op en liep naar het aanrecht om zijn gezicht af te spoelen met koud water, waardoor hij kalmeerde. Hij ging op een stoel in de keuken zitten en probeerde orde in de chaos in zijn hoofd te scheppen. Ik moet mijn eigen zelfmoord proberen te voorkomen, maar hoe doe ik dat, was zijn eerste gedachte. Vluchten was zijn eerste en logische idee. Hij probeerde alle consequenties van deze oplossing te overzien tot hij tot de conclusie kwam dat ze dan zijn vader in zijn plaats zouden kunnen nemen. Als een bliksemflits kwam er een idee in zijn hoofd.
“Natúúrlijk, wat ben ik toch een eikel, dat pistool moet weg, dan kan dat helemaal niet,” mopperde hij op zichzelf.
Wat daarvan de overige consequenties waren, kon hij absoluut niet overzien, het kon hem ook niets schelen. De bezoeker had al een gevoel gehad dat er iemand in de kast zat. Het was voor hem natuurlijk simpel om te bedenken wie dat was. Wie had een sleutel en wie had een motief om daar naar binnen te gaan, terwijl de bewoners er niet waren?
“Ik,” mompelde Theo in de doodse stilte van de flat.
De stank van bloed vermengde zich met die van de rook uit het pistool.

Theo keek op zijn horloge om te zien hoeveel tijd hij had voor de handlanger de flat schoon kwam maken. Wat dat was, wist hij van de vele politieseries die hij op de tv had gezien. Nog geen elf uur, alles was gebeurd in minder dan dertig minuten in plaats van de uren die het leken. Ondanks dat het bijna de langste dag was, werd het nu snel donker in de flat, maar licht aansteken durfde hij niet. Hij pakte een plastic zak en stak zijn hand erin. Hiermee pakte hij de beschuitbus en deed de zak zorgvuldig dicht. Nu had hij het moordwapen met de vingerafdrukken van de dader in zijn handen. Dat moest toch op de een of andere manier een sterke troef zijn, dacht hij, hoewel hij geen idee had hoe hij het zou kunnen gebruiken. Hij draalde nog even om te bedenken of hij niets was vergeten. Langzaam liep hij naar de hal om weg te gaan. Het tafereel in de huiskamer wilde hij niet zien, maar hij kon zich niet beheersen om toch te gaan kijken. Wat hij in de kamer zag zou voor altijd een foto in zijn brein zijn, die hij later haarscherp en tot in detail tevoorschijn kon laten komen. Het grote nadeel was dat het beeld ook onbewust tevoorschijn kwam. Achteruitlopend verliet hij de kamer. In de hal durfde hij zich pas weer om te draaien. Zo stil mogelijk verliet hij de flat. Voor het verstoppen van het pistool had hij een perfecte plaats bedacht, waar hij direct naar toe liep. Hiervandaan liep hij de honderd meter naar het huis van zijn ouders.
Tijdens deze korte wandeling begon zijn plan om te verdwijnen steeds concreter te worden.
Stilletjes deed Theo de voordeur open en sloop naar de slaapkamer van zijn ouders. Zijn moeder wilde hij laten slapen, want die zou meteen willen weten wat er gebeurd was en waarom, dacht hij. Zij zou nooit genoegen nemen met een beknopte uitleg. De discussie die hierop zou volgen, kostte hem te veel tijd, daarom probeerde hij alleen zijn vader wakker te maken, wat uiteraard niet lukte. Hij wilde zijn moeder niet kwetsen, daar was ze veel te lief voor, maar nu moest hij wel.
“Mam, ik moet wat met vader bespreken, hij vertelt het weer aan jou,  want ik heb ontzettende haast.”
Deze moeder begreep wanneer het tijd is om buiten spel te gaan staan.
“Dat is goed hoor, jongen.”
In telegramstijl vertelde hij wel wat, maar niet wie hij gezien had tegen zijn vader.
“Ze willen mij de schuld geven, daarom moet ik verdwijnen. Ik ga zogenaamd zelfmoord plegen, maar in werkelijkheid verdwijn ik. Misschien kan ik ooit terugkeren naar Nederland, maar ik ben bang dat dit lang kan duren, héél erg lang. Verzin maar een verhaal voor de rest van de familie. Geef me morgenochtend op als vermist, vertel erbij dat ik erg depressief ben de laatste tijd.”

In werkelijkheid was hij dat ook. Zijn pogingen om vrolijk en optimistisch over te komen waren door zijn familieleden doorzien. Wat zijn vader wel wist, door de opvoeding die ze hem gegeven hadden, was dat hij niet alleen een doorzetter was, maar dat ook zijn liefde voor het leven in alle vormen groot was. Zijn vader voelde aan dat, wanneer zijn zoon uit de situatie was waar hij nu in dreigde te stikken, die liefde weer volledig terug zou zijn.

“Ze zullen je vragen waar ik eventueel naar toe zou kunnen gaan om zelfmoord te plegen. Zeg dat je het niet weet. De volgende dag ga je weer naar de politie. Vertel dat ik tijdens een vakantie in de buurt van Calais een keer gezegd heb dat, als ik het leven zat was, ik dan van de Deux Caps naar Engeland zou proberen te vliegen. Daar zullen ze mijn auto vinden, maar mij niet, ik ben meegenomen door de stroming.”
Zijn vader had hem geen enkele keer onderbroken tijdens zijn uitleg over zijn plannen. De twee mannen keken elkaar aan en terwijl de tranen over hun wangen stroomden, omhelsden ze elkaar. Theo fluisterde een laatste instructie in zijn vaders oor: “Zondagavond over een week gaat jullie telefoon een paar keer over. Neem niet op, want even later gaat hij nog een paar keer. Dan weten jullie dat alles goed is. Iemand die jullie telefoon aftapt weet dan niet dat ik gebeld heb.”
“En als je niet belt?”
“Ik bel, de goddelozen zullen deze rit niet winnen.”
De mannen lachten naar elkaar. Tijdens hun gesprek werd één ding zorgvuldig vermeden: het afscheid dat Theo nog zou moeten nemen, maar wat hij niet kon doen zonder volledig in te storten.
“We moeten nu zo veel mogelijk geld pinnen van jouw rekening. Dat kan je later van mijn rekening weer terughalen, je hebt daar een pasje van. Eerst pak ik wat spullen voor onderweg in mijn rugtas.”
Zo snel mogelijk pakte Theo wat kleding en toiletspullen, een zaklantaarn, een pannetje en een mes en stopte dat bij de spulletjes die er al in zaten voor de vakantie. Zijn vader had nog voor 300 gulden Franse Franken liggen die hij aan zijn zoon gaf. Theo ging de slaapkamer van zijn ouders binnen om zijn moeder, voor misschien wel de laatste keer in haar leven, een kus te geven.
Samen liepen Theo en zijn vader naar de pinautomaat waar ze duizend gulden konden pinnen. Met een laatste zwaai vertrok Theo naar zijn auto, waarmee hij begon aan zijn tocht naar Calais.

Zodra Theo uit zicht was, stortte zijn vader in. Al zijn energie had hij gebruikt om zich goed te houden tegenover zijn zoon. Zwalkend als een dronkenman liep hij naar huis. Op handen en voeten worstelde hij zich de trap op naar zijn huis. Zijn vrouw stond in de trappenhal hem op te wachten. Op het moment dat ze hem zo moeizaam de trap op zag komen, drong het tot haar door dat wat haar zoon met zijn vader besproken had afschuwelijk en heel ernstig moest zijn. Spontaan stroomden de tranen over haar wangen uit ongerustheid over haar man, maar ook over wat er met haar zoon gebeurd moest zijn.  Snel liep ze hem tegemoet. Nog nooit had ze iemand gezien met een gezicht zo asgrauw als dat van haar man op dat moment. Binnen een uur was hij veranderd van een jonge man voor zijn leeftijd in een oude man voor zijn leeftijd. Met haar arm om zijn middel sleepte ze hem naar boven. Voorzichtig liet ze hem op de bank zakken.
“Wat is er in godsnaam gebeurd, Theo?”
“Ze is dood,” wist hij uit te brengen.
“Wie?”
“De vrouw van Theo en die, die, die pooier van haar.”
De verbetenheid waarmee hij dit had gezegd verontrustte haar.
“Toch niet door….”
“Nee, maar hij wil niet zeggen door wie wel.”
“En nu?”
“Hij gaat onderduiken.”

Tot diep in de nacht zaten ze samen op de bank het verleden en de naaste toekomst te bespreken. Langzaam drong ondertussen de immensiteit en de gruwelijkheid van wat er gebeurd was tot ze door. In bed lagen ze elkaar troostend te strelen tot ze van uitputting in slaap vielen. Om zeven uur werden ze al weer gewekt door een lief stemmetje.

De vader van Theo slofte de volgende morgen dodelijk vermoeid naar het politiebureau waar Dennis, de rechercheur van dienst, zijn verhaal aanhoorde. Op bescheiden schaal werd een signalement verspreid onder de politie met het verzoek om hem, wanneer hij gevonden werd, aan te houden.

De volgende dag lazen de ouders van Theo in de krant dat er in Amsterdam een afrekening had plaatsgevonden in de drugsscéne. Zo had de bezoeker snel en efficiënt zijn probleem opgelost. Theo was op dat moment voor de moordenaar geen direct gevaar meer. Mocht hij ooit met het pistool tevoorschijn komen, dan kon hij altijd nog met hem afrekenen was zijn standpunt. Theo werd in een map gestopt in zijn hersenen onder de naam: nog op te ruimen zodra hij in beeld komt.

De vader van Theo begon een aantal maanden later aan een brief waarin hij beschreef wat er met zijn zoon en diens vrouw gebeurd was. Hiervoor gebruikte hij zijn eigen versie van de waarheid. Een voornaam aspect van het verhaal in de brief was, dat een eventuele reünie met zijn familie altijd op initiatief van zijn zoon moest zijn. Het is beter iemand te verliezen door de dood, dan niet te weten waar diegene gebleven is, dacht hij tijdens het schrijven. De brief bracht hij naar een notaris met de uitleg wat daar, eventueel, in de toekomst mee moest gebeuren. Theo zijn eerste stap op weg naar zijn tweede leven was een naam bedenken voor de nieuwe persoonlijkheid die hij zou gaan aannemen.
“Vanaf nu heet ik Jean Carpentier,” bedacht hij.
Bram

Hoofdstuk 2

Het had niet veel gescheeld of Bram werd geboren in de bakkerijwinkel van zijn ouders. Zijn moeder stond in de winkel een vrouw te helpen, toen de weeën, die al een tijdje bezig waren, wel érg snel kwamen. De vroedvrouw zat in de huiskamer ongeduldig te wachten tot de cliënt weg was. Met een halfje bruin vertrok die, zonder het gebruikelijke praatje. Brams moeder deed de winkel op slot en ging de kamer binnen. Samen met de vroedvrouw strompelde ze de trap op en vijf minuten later was Bram geboren. Brian, hun eerstgeborene van vier jaar, was er al op uit gestuurd om zijn vader te halen. Die trapte met zijn bakfiets de kramp in zijn kuiten om op tijd voor de bevalling te zijn. Zijn snelheid mocht niet baten: Bram was sneller. Drie jaar later kregen ze nog een zoon Rik, het gezin was nu compleet vonden ze.

Voor zover de drukke bakkerij het toeliet, werden de jongens met aandacht en liefde opgevoed. Ze hielpen zo veel mogelijk hun vader en ventten het brood uit tot het tijd was voor school, maar dat nam nauwelijks iets van hun energie voor het uithalen van kattenkwaad weg. Op woensdagmiddag en de hele zaterdag werkten ze ook mee. Na het avondeten mochten ze nog even buiten spelen.

Regelmatig stonden de buurtbewoners op de stoep om te klagen over het belletjestrekken en het met een touw vastbinden van twee deurknoppen tegenover elkaar in een koepeltje, waarna ze bij beiden aanbelden. Hoewel het meeste kattenkwaad door andere kinderen werd uitgehaald, kregen zij toch heel vaak de schuld. Er werd dan gedreigd dat, als ze het nog een keer deden, ze hun brood ergens anders gingen halen. Vrijwel altijd wist hun moeder de zaak te sussen en kwam de klant weer terug, ook vaak op zondag, hun enige vrije dag. Ze kwamen dan achterom, zoals dat in die tijd genoemd werd en kochten dan boodschappen, zoals koekjes, voor onverwachte visite. Soms hadden ze daar geen zin in en deden dan de gordijnen dicht, zodat men dacht dat ze weg waren.

Vakantie hadden ze nooit, bang dat een andere bakker hun klanten zou inpikken. De bakkersvereniging kwam tot een overeenkomst waarin niemand in een ander zijn wijk brood zou uitventen. Nu konden ze ook afspreken dat de een de ander zijn klanten zou helpen, terwijl ze een week vakantie hadden. Zo ook de ouders van Bram. Met de fiets gingen ze naar Camperduin voor een week, waar hun vader een klein huisje van een klant had gehuurd. De jongens kwamen in de hemel! Geen gezeur van buren, ze konden gewoon spelen aan het strand en in de duinen.

Zo gingen de jaren voor Bram in betrekkelijke voorspoed voorbij. Vader en moeder kwamen op een leeftijd dat ze het rustiger aan wilden doen. Ze overlegden en besloten de jongens te vragen of ze de zaak wilden overnemen. Geen van drie had daar zin in en de bakkerij werd aan iemand anders verkocht. Hun vader vond een baantje op de broodafdeling van een supermarkt.

Voor het eerst hadden ze de hele zomervakantie vrij. Brian ging, voor een extra zakcentje, bij een boer op het land werken in de vakantie. Bram had hier ook wel zin in, maar moest nog een jaar wachten vanwege zijn leeftijd, want dertien jaar was toen de minimumleeftijd hiervoor. Het volgende jaar mocht hij met zijn oudste broer meewerken op het land.

Ze begonnen om zeven uur ’s morgens en soms, als de bloemkool naar de veiling moest, om vijf uur. Het eerste werk ’s morgens was meestal bloemkool dekken om ze te beschermen tegen de zon die ze anders vergeelde. De oude bladen, die al op de kool lagen, moesten ze optillen, dan een vers blad van de plant trekken, die op de kool leggen en het oude loof dáár weer op; vreselijk werk voor je rug. Bloemkolen die groot genoeg waren, werden door de boer gekapt voor de veiling. Dit gebeurde altijd op woensdag, ze begonnen dan om vijf uur om ze op tijd op de kar te krijgen. De boer kapte ze met een machete en Bram en zijn broer brachten ze naar de verzamelplaats, waar de trekker met lege kisten al klaarstond. Daar werd het teveel aan loof met een kapmes eraf gehakt en de bloemkolen in kratjes gedaan. Die bladeren werden op een hoop gegooid. Brian wist al uit ervaring dat je niet over deze berg moest lopen, Bram nog niet. Brian vroeg aan Bram of hij iets aan de andere kant van de hoop wilde pakken. Bram stapte, nietsvermoedend, op de nieuwe bladeren en zakte, onder grote hilariteit, direct tot zijn enkels in de stinkende en rottende drab daaronder. In de sloot langs de kant, moest hij zichzelf en zijn sandalen wassen.

Bij de boer werkte Gerrit, een oude knecht. Prachtige verhalen over noodweer en andere avonturen die hij beleefd had, werden bij de koffie, in het Westfries, door hem verteld. Aan het eind van de vakantie moesten de eerste aardappelen gerooid worden. Gerrit deed het met een riek en voor de jongens werden de regels gelicht. Dit ging met een soort ploeg, die onder de rij aardappelplanten doorgaat. Zij duwden daarna hun handen achter een plant en trokken de aardappels, met loof en al, boven de grond. Bram had veel te lange nagels en daar gingen aardappelschillen en aarde onder zitten, wat veel pijn deed. Hij wilde zich niet laten kennen en ging gewoon door. Thuisgekomen probeerde hij zijn nagels te knippen, maar vanwege de pijn lukte dat niet. Om het schrijnende gevoel te verzachten, had zijn moeder een badje van warm sodawater gemaakt en na het weken daarin, zijn nagels geknipt. Zijn vader zat ontroerd en trots toe te kijken hoe die grote lummel van een zoon door zijn mamma werd vertroeteld.

De volgende dag zat Bram naast Gerrit te rooien. Bram zag hem een brandnetelplant weghalen met zijn blote handen. Hij had niet in de gaten dat Gerrit, door zijn eeltige handen, niets van de stekels voelde en vroeg: ”Brandt dat niet?”
“Nee hoor, je moet je adem inhouden, dan voel je niets,” antwoordde Gerrit serieus.
Even verderop zat Brian zich al te verkneuteren, want vorig jaar had de oude boer tegen hem hetzelfde gezegd. In zijn naïviteit, hield Bram zijn adem in en pakte een brandnetel. Zijn hele hand stond direct in brand en wéér werd hij uitgelachen. Gerrit pakte een weegbree en zei: ”Wrijf deze maar fijn met je handen, dan gaat het over.”
Inderdaad was het branden direct over.

Zo brachten ze de zomers door met werken en omgaan met hun grote vriendenkring. Op de fiets naar het strand met een zak boterhammen, door hun moeder gemaakt. Zomers hadden ze geen tijd, want ze waren altijd buiten bezig, maar in de winter kaartten de jongens vaak met hun vader. Dat deed hij omdat het dan gezellig bleef, want als de jongens bij elkaar zaten te praten, dan barstten er soms erg felle discussies uit die bijna altijd op ruzie eindigden. Bram had heel andere ideeën over politiek, godsdienst en hoe de maatschappij eruit zou moeten zien, dan zijn broers en zijn vader. Deze ruzie was meestal de volgende dag al weer over, maar hun ouders vonden het niet leuk.

Hoofdstuk 3

Bram werd zestien en kocht van het geld dat hij bij de boer had verdiend, zijn eerste brommer. Met een vriend maakte hij tochtjes door Noord-Holland. Brian kreeg verkering en trouwde als eerste van de broers.
Samen met Rik stroopte Bram, op hun brommer, vaak de kermissen in de omgeving af. Daarbij werd een stevig pilsje gedronken en veel gelachen. Af en toe brachten ze een meisje naar huis, maar verkering werd het nooit, want ze waren te veel aan hun vrijheid gehecht.

Bram maakte zijn ULO af en studeerde verder boekhouden en economie op de avondschool, terwijl hij werkte op een makelaarskantoor in Alkmaar. Dit werk beviel hem niet want het bood geen uitdaging voor zijn rusteloze brein. Op een dag hoorde hij van een vriend over een bedrijf in Amsterdam dat een leerling- boekhouder zocht. Hij kocht een treinkaartje en ging naar het bedrijf toe zonder een afspraak te maken. Bij de receptie vertelde hij waar hij voor kwam. Een beetje overdonderd door zijn zelfverzekerde houding, wilde het meisje achter de balie hem niet direct wegsturen en ze belde naar personeelszaken. Na een gesprek van een kwartier kon hij de volgende maandag beginnen.

Rond zijn achttiende verjaardag kreeg hij verkering met een meisje uit de buurt. Na een maand was hij de bezitterigheid en jaloezie van haar beu en nam zich voor de rest van zijn leven vrijgezel te blijven. Hij werd eenentwintig en dat was reden voor een groot feest. Hij ging naar de boer waar ze gewerkt hadden en vroeg of hij van zijn schuur gebruik mocht maken om dit feest in te vieren en dat mocht. Een vriend van hem speelde bij een beginnend, bandje, ‘De Ramons’. Bram nodigde ze uit om op zijn feest te komen spelen. Na enig tegensputteren, want ze waren eigenlijk nog niet zover vonden ze zelf, besloten ze toch een paar nummers te gaan spelen. De rest van de muziek zouden zij dan, als diskjockey, regelen. Het optreden was een groot succes en het begin van een carrière als succesvolle lokale band.

Een rustige tijd brak aan. Bram pendelde elke dag van Alkmaar naar Amsterdam met de trein. Hij haalde zijn rijbewijs en in plaats van een treinabonnement kocht hij een oude Renault R4, omdat zijn baas hem de verantwoordelijkheid gaf om ook zijn klanten te bezoeken, wat voor iemand van zijn leeftijd bijzonder was.
Aan die rustige tijd kwam met een schok een einde, want op een dag stapte een meisje zijn kantoor binnen, met een aktetas onder haar arm. Het was niet zomaar een meisje. Met haar lange, blonde krullen leek ze wel engeltje, maar in haar grote groene ogen was heel wat anders te zien en dat zag Bram direct. Tijdens het over de afdeling lopen, had ze al de nodige aandacht getrokken. Nu werd er door de collega’s in de directe omgeving gelet op de reactie van Bram. Veel meisjes op kantoor hadden met hem geflirt, maar zonder resultaat. Iedereen ging er vanuit dat hij te verlegen was om op de avances in te gaan, of dat hij homoseksueel was. Hij werd daar af en toe mee gepest, maar hij gaf daar geen reactie op. Nu stond deze schoonheid voor zijn neus en ze wachtten af wat die vermeende verlegenheid met hem zou doen. Hij ging staan, stak zijn hand uit en stelde zich voor. Ze heette Jane en voor een kort ogenblik keken ze elkaar aan. Dat was voor Bram voldoende, dit meisje was degene met wie hij ging trouwen. Jane was ook zeer onder de indruk van Bram, zij dacht nog niet aan trouwen, maar een avondje uit zag ze wel zitten.
Bram had geen enkel verlegenheidprobleem met Jane, tot teleurstelling van de omstanders die toevallig iets op een bureau vlak bij hem moesten neerleggen. Bram nodigde het meisje uit te gaan zitten en vroeg: “Wat kan ik voor je doen?”
Ze pakte een stapeltje papieren uit de tas en overhandigde die aan Bram. Hij keek er even naar en zei toen: “We gaan het regelen.”
“Stuur ze maar per post wanneer het klaar is,” zei Jane en ging staan.
Nu kwam er een moeilijk moment. Hij kon haar een kopje koffie aanbieden zodat ze wat langer kon blijven, maar daar had hij met al die bemoeials om hem heen geen zin in. Hij moest iets anders bedenken waardoor hij bij haar kon zijn en dat had hij snel gevonden, want hij zei: “Ik kom ze wel brengen, want het is vertrouwelijke informatie.”
Jane wist direct wat hij van plan was en vond hem nog veel aantrekkelijker worden, nu hij zo zijn best deed om haar weer te zien. Met een wel érg verleidelijke glimlach zei ze: “Dat is een goed idee, ik zie je wel verschijnen.”
De wandeling over de afdeling naar Bram toe was al gracieus, nu leek ze ook te zweven. Het duurde even voor het kippenvel, die haar glimlach had veroorzaakt, verdwenen was.

Uiteraard hadden de collega’s gezien wat er gebeurd was met hun Bram en het gepest begon meteen. Tegen de pestkoppen zei hij: “Het is allemaal jaloezie, ik ga haar veroveren, let maar op.”
Een gejoel steeg op, en het jennen ging verder met opmerkingen als: ‘Zo’n knappe meid gaat echt niet met een simpel boekhoudertje’ en ‘praatjesmaker je durft er niet eens naar toe te gaan.’
Lijdzaam liet hij de pesterijen over zich heen komen en dacht: wacht maar af, stelletje eikels.

Jane kwam terug op kantoor. Ze probeerde het effect van de ontmoeting met Bram niet te laten merken. Puk, het collegaatje waar ze mee samenwerkte, kende haar zo goed, dat ze direct zag dat er iets aan de hand was met Jane.
“Wat loop jij te stralen?” wilde ze dan ook weten.
“Dat komt door het mooie weer.”
“Het giet van de lucht, halve gare! Vertel op, wat is er aan de hand met je?”
“Niets,” klonk het aarzelend, want eigenlijk wilde ze het wel vertellen, maar de afspraak was zo vaag dat ze het liever geheim hield.

Hun gesprek van die morgen kwam weer in de gedachten van Puk. Jane was begonnen door te zeggen: “Ik ben al drieëntwintig, waar blijft die eikel op zijn witte paard?”
“Hoe kom je daar nou opeens bij,” antwoordde Puk, lachend om het serieuze gezicht van Jane.
“Hormonen denk ik. Het wordt voor jou ook de hoogste tijd trouwens.”
Puk begon te lachen: “Ik ben nog maar eenentwintig, oud besje.”
Het gesprek werd steeds meliger tot het stopte, omdat Jane weg moest naar Bram de boekhouder.

“Volgens mij heb je eindelijk je prins op het witte paard ontmoet,” begroette Puk, Jane na terugkomst van haar bezoek aan Bram.
“Als je belooft het niet verder te vertellen.”
“Je kent mij toch.”
“Precies, daarom moet je het extra beloven.”
Jane vertelde wie ze ontmoet had en wat hij beloofd had. Puk dacht ondanks een steekje jaloezie: ik hoop dat hij echt komt. Ze achtte de kans buitengewoon klein, alleen al omdat dat hij nooit in hun kantoor zou kunnen komen. Puk kon het, gezien haar karakter, natuurlijk niet laten: ze praatte haar mond ‘per ongeluk’ voorbij. Jane werd, net als Bram, slachtoffer van pesterijtjes. De ijzeren maagd is verliefd, gonsde het door het kantoor. Ze reageerde nergens op, waardoor de volgende dag de lol er al vanaf was. De collega’s vergaten het voorval, behalve Jane en Bram. Elk moment dat hij niet druk met iets bezig was, dacht Bram aan haar. De kunst was nu een manier te vinden om de papieren persoonlijk af te geven. Een bijna onmogelijke opgave, want hij zou niet eens voorbij de portier komen. De postkamer was de plek waar hij zijn papieren ongetwijfeld zou moeten afgeven.

De volgende morgen kreeg hij hét idee. Hij zou zich als koerier voordoen en op de enveloppe schrijven: strikt vertrouwelijk, persoonlijk afgeven en laten aftekenen. Hij ging naar de postkamer om daar een vrachtbrief van het koeriersbedrijf waar ze zaken mee deden te vragen. Hij had geluk, want de medeweker van de postkamer, waar hij goed mee kon opschieten, was aanwezig. Die wilde wél weten wat hij van plan was. Bram overwoog een leugen, maar daar was hij niet zo goed in, dus hij vertelde zijn plan. Omdat hij al genoeg gepest was vanwege zijn eerste ontmoeting met Jane, hield de postkamerman zijn mond. Samen vulden ze de vrachtbrief in met rode letters: ‘persoonlijk afgeven’.
Bram stopte een paar uur eerder met werken en vertrok met de papieren naar Jane. Zo veel mogelijk uit het zicht van de ingang, parkeerde hij zijn auto en ging de enorme hal binnen. Daar zat, als op een eilandje in een oneindige oceaan, een chagrijnig kijkende oudere vrouw, die ooit een lekker ding geweest kon zijn. Deze wetenschap was niet aan Bram besteed, hij had maar één interesse: langs die dragonder zien te komen. Zijn zorgvuldig uitgewerkte plan kon hierop nog weleens stuklopen, dacht hij. Na een korte aarzeling stapte hij vastberaden op de dame achter de desk toe en zei, terwijl hij de naam op de enveloppe liet zien: “Ik heb een pakketje voor…”

De dame achter de desk liet hem niet uitpreken en wees naar een deur in de verte.
“In die gang is de postkamer. U kunt het daar afgeven,” klonk het uit oneindige hoogte.
Zo had Bram het voorzien, maar niet de vrouw.
“Neemt u mij niet kwalijk mevrouw,” zei hij, “maar er staat op dat ik het persoonlijk moet afgeven en laten aftekenen.”
Eén moment overwoog de ideale schoonmoeder, zoals Bram haar in gedachte begon te noemen, hier een strijd van te maken. De houding van Bram leek een en al beminnelijkheid en begrip voor de medemens, maar haar levenservaring zei haar ook dat ze die strijd kon gaan verliezen. Ze koos voor een andere optie en pakte de telefoon.
“Een ogenblik, ik zal Jane even bellen.”
Jane en Puk zaten te praten over wat ze het komende weekeinde zouden kunnen gaan doen, toen de telefoon ging.
“Met Jane,” klonk het nors, vanwege de verstoring van hun gesprek.
“Hier is iemand van het boekhouderkantoor De Rijke, om iets aan jou persoonlijk af te geven.”
Bram was even weggezakt naar diepere regionen in Jane’s hersenen, daardoor had ze niet direct in de gaten dat het Bram was.
“Wie, van wat?” klonk het nog steeds nors. Tijdens het stellen van die vraag drong het tot haar door wie het was.
“Sorry, ik weet het weer, stuur hem maar door,” klonk het nu véél vrolijker.
Héél even was er iets van triomf geweest in de fletse ogen van de dame achter de desk op het moment dat Jane vroeg: “Wie, van wat.”
Nu kon ze nog maar één ding doen. Ze wees naar de liften, terwijl ze met ingehouden woede oreerde: “Daar zijn de liften, het is op de vierde verdieping, kamer 17.”
Vanwege de blijdschap om het lukken van zijn list kon Bram de neiging om door de hal te rennen en af en toe de spiegelende tegels als glijbaan te gebruiken, nauwelijks onderdrukken. In de lift veranderde, tijdens het wegtellen van de verdiepingen, zijn enthousiasme in nervositeit. Tijdens de wandeling door de eindeloze gang begon hij te oefenen wat hij tegen Jane zou zeggen. Hij kwam bij kamer 4-25, de twijfel begon nu de overhand te krijgen. Zou ze hem niet uitlachen om zijn actie, dacht hij. Nog tien meter, ik kan nog terug, overwoog hij. Hij haalde diep adem en stapte het kleine kantoor binnen. Achter een enorme ficus benjamin zat Jane op hem te wachten. De enige die hij zag was Puk. Shit, dacht hij, dat is haar niet. Puk zag zijn aarzeling omdat hij Jane nog niet gezien had, ze liet deze kans om te kunnen pesten niet voorbijgaan.
“Geef maar aan mij, want ze is er niet,” zei Puk, terwijl ze haar uiterste best moest doen om niet te gaan lachen.
Jane begon nu te lachen en kwam achter haar oerwoud vandaan.
“Ik had beloofd de papieren persoonlijk te brengen. Asjeblieft, hier zijn ze.”
Jane keek naar de enveloppe, ze was erg onder de indruk van de moeite die hij genomen had om haar te zien. Puk zag en voelde wat er gebeurde tussen de twee en maakte zich onzichtbaar door bijna met haar neus op haar bureau te gaan zitten. Ze had, wat Jane en Bram betreft, naakt op haar bureau kunnen gaan dansen, dan was ze nog niet opgevallen. Jane had al een paar dagen zitten piekeren over wat ze zou zeggen als Bram kwam. Mocht hij niets zeggen, dan had ze haar plan gereed, want ze wilde hem nog een keer zien om wat leuks te gaan doen. Bram had uiteraard wel iets geregeld, maar aarzelde even om het te zeggen. Beiden begonnen ze tegelijkertijd over hun voorstel voor dit weekend te praten. Ze lachten om de onverstaanbare tweespraak.
“Lady’s first,” zei Bram beleefd.
“Ik zoek nog een fokkenmaat om zondag mee te gaan zeilen, als je zin hebt?”
“Dat lijkt mij geweldig, hoewel ik nog nooit gezeild heb.”
“Dat hindert niet, ik leer je het zo.”

Het motto van Puk was: a dirty mind is a joy forever en ze dacht: een fuckmaat zal ze bedoelen.
Nu was het de beurt aan Bram om zijn voorstel te doen.
”Een vriend van mij speelt in de Ramons, ze geven zaterdagavond een openluchtconcert in Bergen, heb je zin om mee te gaan?”
“De Ramons zijn geweldig, ik ga met je mee,” antwoordde Jane enthousiast.
“Dan is dat afgesproken. Waar moet ik je ophalen?”
“Ik woon tijdelijk in het huis van mijn oma, kom me daar maar ophalen.”
Jane schreef het adres en haar kantoortelefoonnummer op een papiertje dat ze aan Bram gaf. Even was daar een verlegen stilte, tot Bram aanstalten maakte om weg te gaan. Puk dacht: ik ga een geintje uithalen.
“Ik ben ook fan van de Ramons, heb je niet een leuke broer, dan ga ik ook mee?”
“Ik zal het hem vragen.”
Voor Puk wat terug kon zeggen was Bram weg, de meisjes overdonderd achterlatend. Bram kon het niet laten één keer te glijden in de hal. Het leverde hem een vernietigende blik op vanachter de desk. Bij het passeren van de poortwachter gaf hij haar een handkus. Sinds lange tijd verscheen er een glimlach op haar gezicht.

Jane en Puk keken, na het plotselinge vertrek van Bram, elkaar aan en begonnen te lachen.
”Misschien leer je het zo af om altijd te treiteren,” merkte Jane droog op.
Puk begon daar meteen mee. Ze zei op haar ergste pesttoontje: “Ik woon tijdelijk in het huis van mijn oma. Met andere woorden, kunnen we ongestoord, je weet wel, wat een slet ben jij.”
“Zo de waard is, vertrouwt hij zijn vrouw,” repliceerde Jane.
“Dáár heb je gelijk in. Ik heb een idee voor het weekend. We gaan eerst zaterdagavond naar het concert. Dan blijven we met zijn vieren in jouw huis slapen. De volgende middag gaan we een uurtje zeilen om daarna weer naar jouw huis te gaan om in
bed uit te rusten. ”
“Over slet gesproken, dat gaat dus niet door.”
“Mm. Jammer.”

Die avond kwam Bram fluitend thuis. Hij was van nature al een vrolijk mens, maar nu stonden zijn ouders en zijn broer Rik toch even verbaasd te kijken. Als een wolf at hij zijn avondeten. Na het eten vroeg hij aan Rik om met hem mee naar buiten te gaan.
Buiten vroeg Bram aan Rik: ”Heb jij zin om zaterdagavond mee te gaan naar de Ramons?”
“Natuurlijk.”
“En met een leuk grietje?”
Rik keek zijn broer schaapachtig aan en dacht: Bram en grietjes dat is niks voor hem, hij beweert altijd dat hij zijn hele leven vrijgezel wil blijven. Hij antwoordde: “Om jou een plezier te doen, ga ik mee.”
Bram vertelde wat hem die dag was overkomen. Met stijgende verbazing, voor zover dat mogelijk was, hoorde Rik het verhaal aan.
Met de woorden: “Niets tegen pa en ma zeggen,” beëindigde Bram zijn verhaal.
“Waarom niet?” vroeg Rik verbaasd.
“Je weet toch hoe ze reageren, bij de eerste afspraak ben je al verloofd.”
“Bij jou kan ik mij dat voorstellen, ze willen wel van je af.”
“Nee Rik, je bent niet de leukste thuis”
“Hoe ziet die van mij eruit?”
“Die van jou weegt honderd kilo en is godslelijk.”

De volgende dag belde Bram naar Jane met de mededeling dat zijn broer zaterdag meeging.
“Dat is leuk, ik zal het tegen Puk zeggen.”
Net voor de verbinding verbroken werd, hoorde Bram ze lachen. Zaterdagochtend waren Bram en Rik al vroeg uit bed om het oude karretje van Bram, een Renault 4, te gaan poetsen en de binnenkant schoon te maken met de stofzuiger. Zijn ouders snapten daar niets van, want meestal sliep hij uit tot een uur of twaalf.
“Waarom ben jij zo vroeg uit bed?” vroeg zijn moeder op neutrale toon, want ze wist dat er iets met Bram aan de hand was. Zijn gedrag was anders dan normaal. Zo lang hij zelf niet met een officiële mededeling kwam, waren zijn tenen érg lang en zij érg voorzichtig. Daarin leek hij erg op zijn vader.
“Rik en ik gaan uit vanavond,” was zijn antwoord.
“Veel plezier,” zei zijn moeder terwijl ze dacht: onze Bram heeft een meisje.
Moeders zijn niet zo makkelijk te bedriegen. Ze bewaarde het geheim nog even voor zijn vader, zo ging dat in de familie.

Debby

Hoofdstuk 4

Krachten van buitenaf waren, zonder dat zij daar enig benul van had, bezig met een ommekeer in haar leven.
Debby stond voor het raam naar de bij haar in de straat staande bomen te kijken waar af en toe nog een blad uitviel.
De storm van de vorige dag had de meeste er al afgeblazen. Tijdens de rukwinden was er die dag van de begraafplaats Huize ter Vraeg een deken van bladeren in de straten van haar buurt terechtgekomen. Het weer was daarna veranderd van herfst naar nazomer. De zon gaf een gevoel van warmte op haar huid, dat heel prettig aanvoelde. Waar blijft die glazenwasser nou, die ramen zien er niet uit, dacht ze.

Haar uiterlijk werd negatief beïnvloed door de manier waarop ze zich voelde, depressief en slonzig. Lange, onverzorgde, bruine haren accentueerden haar fijne witte gezicht. De grote, bruine ogen, waar jaren geleden het levensvuur uit kon spatten, waren nu de doffe spiegels van haar negatieve geest. Iemand die haar niet kende, zou haar leeftijd hoger schatten dan de eenentwintig die ze was.

Door hun kleuren gaven de door de straten van Amsterdam dwarrelden bladeren, iets feestelijks aan de grauwe straten en stoepen. Haar vader en haar opa vertelden, toen ze nog een kind was, dat in de herfst, wanneer de bladeren van de bomen vallen, de engeltjes nieuwe vleugels krijgen en de oude op de aarde vallen. Ze moest goed zoeken tussen de bladeren, dan kon ze er een vinden, maar dat was haar uiteraard nooit gelukt. Nu nog zocht ze, uit gewoonte, af en toe naar die vleugels, waarvan het uiterlijk altijd geheim was gebleven.
“Nou pap, als ik er nu geen kan vinden, dan vind ik ze nooit,” mompelde ze.
De herinnering aan haar verdwenen vader bezorgde haar binnen een minuut een aanval van migraine. Deze aanvallen waren begonnen nadat ze werkeloos was geworden. Tijdens het, vergeefs, solliciteren naar een nieuwe baan kreeg ze steeds vaker de aanvallen. Haar huisarts bekend met haar omstandigheden kon niets anders doen dan een sterke pijnstiller voorschrijven, want elke andere vorm van hulp weigerde ze. Zo kwam ze in de bijstand terecht bij de groep hopeloze gevallen. De enige activiteit die ze ontplooide, was doelloos door de stad en de parken zwerven en tv kijken. In bed lag ze uren te piekeren over wat er van haar vermiste vader geworden was en wie haar moeder vermoord had. Steeds kwam ze tot de conclusie, dat de verdwijning van haar vader, iets met de dood van haar moeder te maken had. Negen jaar geleden was haar vader verdwenen en haar moeder, samen met de man waar ze toen mee omging, vermoord, ze bleef als enig kind over. Ze ging bij haar grootouders wonen en kreeg heel veel liefde en aandacht van ze. Het gemis van haar vader bleef, al werd het met de jaren minder.

Twee jaar geleden, een maand na haar negentiende verjaardag, verloor ze haar grootouders, de laatste familie die nog had, door een auto-ongeluk in Zuid-Frankrijk. Het was de eerste keer dat ze niet mee was gegaan vanwege haar examen voor kapster, een opleiding die door haar opa en oma was gestimuleerd om op eigen benen te kunnen staan. Even leek het dat ze de flat van haar opa en oma moest verlaten, maar door bemiddeling van Dennis, een rechercheur bij de politie, en jeugdzorg, mocht ze daar blijven wonen. De pijnstiller die Debby had genomen tegen de migraine, begon te werken, de hoofdpijn verdween langzaam, ze keek om zich heen en dacht, ik moet eigenlijk nodig behangen. De hele inrichting van de flat, inclusief het behang, was oud en vrijwel onveranderd sinds haar intrek hier. De bank waar ze op zat, was van donker eiken en leer. Het wandmeubel, de tv-kast en de eethoek waren in dezelfde stijl, alleen het seniorenbed week af. De vloerbedekking was nog in prima staat, de kleur was wel ernstig gedateerd. Het behangen hing samen met het vernieuwen van de vloerbedekking en het schilderen van de deuren en kozijnen, vond ze. Ze had, toen ze nog werkte geen tijd en nu ze werkloos was geen geld om dit te doen, dus ze liet het zoals het was. Op dat moment stopte de oude koelkast met zijn irritante gerammel. Bierviltjes onder de pootjes en andere probeersels konden het geluid niet dempen. Op het roestige gasstel stond het restant van de maaltijd van de vorige dag, macaroni met een beetje geraspte kaas en wat ketchup, in een pannetje geduldig te wachten op de vuilnisbak.

Debby schrok wakker uit haar overpeinzingen door de deurbel en mompelde: “Als dat de Kerstman niet is, dan laat ik mij hangen.”
Het gevoel voor humor dat ze had geërfd van haar vader, kwam ondanks de ellende waar ze in zat, op dit soort momenten toch naar boven.
Het was de postbode met een aangetekende brief van een notariskantoor.
“Asjeblieft wijfie, denk je an me as je erdoor binnenloop?”
“Als het wat kost, jij aan mij?” repliceerde ze in hetzelfde sappige Amsterdamse accent van de illustere mailman.
In haar handen hield ze een enveloppe, de eerste stap in de grote ommekeer.

Samen met haar vader, die deze voorliefde weer van zijn vader geërfd had, ging Debby vaak wandelen op de buiten gebruik zijnde begraafplaats Huize ter Vraag, gelegen langs de Rijnsburgstraat in Amsterdam. Deze betoverende plek lag vlak bij waar haar ouders en grootouders woonden. Regelmatig gingen haar opa en oma mee om te wandelen en soms te picknicken. Debby vond de rust en de serene stilte heerlijk, want thuis was er altijd het geschreeuw en gezeur van haar moeder, tot die een bepaald niveau van dronkenschap had bereikt. Dan nam Debby’s vader haar mee en genoten ze van het rustige samenzijn. Ze wandelden het hof binnen waar de vogels en de geesten van de lang geleden overledenen de dienst uitmaakten. Op deze manier werd het gebrek aan moederliefde, waar Debby zoveel behoefte aan had, zoveel mogelijk gecompenseerd. Oma maakte voor de picknick heerlijke broodjes en een thermoskan koffie. Voor Debby nam ze een fles met zelfgeperste sinaasappelsap mee.

In het voorjaar kwaakten de kikkers in de slootjes in het park. De paarden, in de wei naast het hof, kregen van Debby stukjes brood en de wortels die oma voor ze had meegenomen. Zodra ze haar vrolijke stem hoorden, kwamen ze direct naar het hek tussen de begraafplaats en het weiland om hun traktatie in ontvangst te nemen. Debby slenterde en rende, haar prachtige bruine haren achter haar aan dansend, door de laantjes die gevormd werden door de keurig onderhouden ligusterhaagjes. Toen ze op school leerde lezen, begon ze de teksten op de grafstenen te ontcijferen en kwam dan met haar nieuwverworven kennis aanrennen om dit aan haar vader te vertellen, of te vragen wat het betekende.

Debby werd tien en begon te veranderen van kind naar tiener. De grote, bruine ogen en het lange, bruine haar had ze van haar moeder geërfd. De fijne trekken van haar knappe gezichtje van haar oma. De ouders van haar vader maakten zich steeds meer zorgen om Debby en hun zoon. Ze raadden hem aan om te gaan scheiden, om Debby niet langer bloot te stellen aan het gedrag van haar moeder. Debby’s vader had dit zelf ook vaak overwogen, maar er was altijd een kans dat ze dan de volledige of gedeeltelijke voogdij over Debby zou krijgen. Dat was veel erger, want dan was hij niet bij haar om haar te beschermen. De regeling die ze nu hadden, was volgens hem het beste voor allemaal. Op schooldagen, was Debby bij haar grootouders die haar naar school brachten en weer ophaalden. In het weekend was ze samen met haar vader thuis of wandelden ze door het Vondelpark of op hun geliefde begraafplaats. Zo leefden ze in een soort gewapende vrede met elkaar, tot Debby’s moeder op een ochtend naar de supermarkt ging om drank te halen.

Hoofdstuk 5

Debby zat op de bank naar de enveloppe te staren die de vriendelijke postbode haar gebracht had en dacht, dit moet bij mijn opa vandaan komen, misschien zal ik er nu achter komen wat er werkelijk gebeurd is met mijn ouders. Met haar pinknagel begon ze de enveloppe open te maken. Stel nu dat het slecht nieuws is, dacht ze en stopte met het openen.
“Ze zijn dood kan het erger worden trut,” schold ze tegen zichzelf.
Na een half uur overwegen of ze wel of niet zou kijken besloot ze naar haar lievelingsplekje op de begraafplaats te gaan om daar de brief open te maken. De herinneringen aan haar overleden familie benauwde haar in huis. Op deze plek had ze met haar vader en grootouders altijd plezier gehad.

Rustig slenterend, bereikte ze de bankjes bij het hek dat het weiland met paarden naast de begraafplaats afsloot. Ze opende de enveloppe waarin wéér een brief zat waarop iets stond geschreven. Ze herkende het handschrift van haar opa en las de woorden: voor mijn allerliefste Debby. Voor de tweede keer die dag werd ze ziek van verdriet, wat zich nu uitte in een huilbui. Even verderop was een vrouw bezig de paden met een hark bladerenvrij te maken. Debby’s haalde een paar keer diep adem, keek naar de vrouw en dacht, mevrouw, doe voorzichtig met die hark, denk om de engelenvleugels. Ze glimlachte om haar rare gedachten en haar verdriet was weer op een verdraagbaar niveau. Voorzichtig opende ze de kleine enveloppe en begon te lezen. Door de paar bladeren die nog aan de bomen zaten danste de zon warme stralen op haar gezicht. De enveloppe in haar hand werd op dezelfde manier belicht. Ze keek er even naar voor ze hem opende en begon te lezen.
“Deze brief is kort na het verdwijnen van je vader en het overlijden van je moeder geschreven. De gebeurtenissen zijn zo vreselijk dat ik heb gewacht tot je eenentwintig was voor ik je ze wilde vertellen. Ik hoop dat je nu volwassen genoeg bent om met deze verschrikkelijke dingen om te gaan. Bij leven zou ik het je zelf verteld hebben en bij dood door middel van deze brief. Ik ben nu dus dood, dat is je wel duidelijk.”
Debby moest, ondanks de dreiging inhoudende woorden, glimlachen om het taalgebruik van haar opa, het paste zo heel erg bij hem en zijn gevoel voor humor. Ze vervolgde het lezen.

“Door de vreselijke opvoeding in pleeggezinnen en een gesticht, wist je moeder niet wat liefde was. In die keiharde wereld waar alleen plaats was voor overleven, in plaats van leven, golden eigen regels. De voornaamste daarvan was dat niemand iets deed voor een ander zonder dat daar iets voor terugverwacht werd. Was iemand aardig tegen je, dan zat er altijd wat achter. Op een kwade dag, maar ook een goede dag, omdat jij daardoor uiteindelijk bent ontstaan, ontmoette je vader je moeder. Hij was, zoals je weet, klusjesman en moest een verbouwing uitvoeren in het huis waar je moeder toen verbleef. Een heel mooi meisje met grote, bruine ogen en donkerbruin haar zag je vader bezig, ze zag ook dat hij haar wel erg leuk vond. Met haar vlijmscherpe geest voor pogingen om te ontsnappen aan haar situatie, zag ze direct haar kans. Je vader was na twee dagen al helemaal verliefd op haar en een gewillig slachtoffer. Ze begon een praatje met hem waarin ze vertelde dat ze dit stiekem deed omdat ze niet met hem mocht omgaan van de leiding van het huis. Direct was zijn medelijden gewekt en dat liet hij ook blijken. Ze vertelde hem dat ze een plekje wist waar ze elkaar ongezien konden ontmoeten. Om ‘s avonds stiekem weg te kunnen gaan moest ze, vanwege de leiding van het gesticht, haar kamergenoten omkopen. Bij een eventuele controle zouden zij zeggen dat ze naar de wc was. Van je vader kreeg ze sigaretten en snoep om dat te doen. Ze kroop dan door het raam naar buiten waar hij stond te wachten. In een verlaten gebouwtje, dat ooit een theehuis was geweest, zaten ze uren te praten met elkaar en je vader vertelde haar dat hij van haar hield. Dat zijn liefde oprecht en onbaatzuchtig was, kon ze zich uiteraard niet voorstellen en ze zocht naar iets om met hem te ruilen voor die liefde en aandacht. Het ideale ruilmiddel bleek seks. Je vader vertelde ons later dat hij daar spijt van had, maar dacht dat zij ook van hem hield.

Op een dag werden Je vader en moeder betrapt bij het tehuis. Wij zijn met je vader naar het tehuis gegaan om over de situatie te praten. Wij waren niet blij met de ontstane toestand, je vader wuifde elk bezwaar dat wij maakten weg. Toen we merkten dat hij zó verliefd was, zijn we achter hem gaan staan om hem te steunen. Wat er allemaal besproken is tijdens die ontmoeting zal ik hier niet herhalen, het resultaat was dat je moeder en je vader tijdelijk bij ons kwamen wonen tot je moeder achttien was. Na twee maanden was ze zo oud en konden ze trouwen. De stichting waar je moeder woonde, bemiddelde bij de huisvesting en kort na hun trouwen kregen ze een huis.

De problemen waar wij bang voor waren, kwamen gelukkig niet. Ze waren gelukkig samen en je moeder werd zwanger. Beetje rare zin, maar goed, je begrijpt wel wat ik bedoel. Je moeder leek helemaal los te komen van haar afschuwelijke jeugd, totdat jij een half jaar werd. Haar oude ik kwam weer naar boven en volgens je vader begon je moeder zich af te vragen waarom wij zo lief voor haar en Debby waren. Hij vertelde haar dat wij van haar hielden, maar dat kon volgens haar niet zonder een tegenprestatie. Je vader werd er wanhopig van, hij stelde voor om met dit probleem naar de huisarts te gaan om een oplossing te zoeken. Ze werd kwaad en begon te schelden dat hij haar weer in het tehuis wilde laten opnemen en haar kind van haar afpakken. Hoe je vader en wij ook ons best deden, ze was niet te overtuigen. Wij lieten je al zoveel mogelijk met rust om de situatie niet nog erger te maken. Wat je vader ook voorstelde en aanbood om haar gerust te stellen. Haar getraumatiseerde denkwijze bleef bij de gedachte dat we logen en haar kind op een onbewaakt moment van haar wilde afnemen om haar op te laten sluiten. Jij werd heen en weer geslingerd tussen je ouders in een strijd die door niemand gewonnen kon worden.”

Dat kan ik mij nog goed herinneren, dacht Debby. Die eeuwige strijd en ruzie, wat had ik een medelijden met mijn vader die niets goed kon doen en altijd vals werd beschuldigd. Tranen van frustratie en van gemiste liefde en kansen in haar vroege jeugd, voelde ze gloeien op haar wangen, wat haar het lezen moeilijk maakte.

“Je moeder raakte steeds meer in een psychisch isolement. Ze ontdekte de alcohol, waardoor ze kon ontsnappen uit haar door angsten en depressiviteit beheerste leven. Zodra ze op een bepaald niveau van dronkenschap was beland, had ze totaal geen interesse meer voor jou. Je vader en wij namen je opvoeding steeds meer over. Hij ging werken, wij brachten en haalde je van en naar school.”

Dat was inderdaad een veel betere tijd. Zo weinig mogelijk bij dat krijsende monster zijn, kan ik mij nog wel herinneren.

“Met deze toestand was te leven vonden wij en je moeder ook, tot ze een gevaarlijke man leerde kennen, die haar leerde drugs te gebruiken en om die verslaving te kunnen betalen liet hij haar als prostitué werken.”
Aha, daarom was ze ‘s avonds en ‘s nachts zo vaak weg. Waarom heb je niets gezegd pappa, dacht Debby. “Nee natuurlijk niet, dom wicht,” mopperde ze tegen zichzelf.
“Je moeder raakte steeds meer onder de invloed van die man. Als je moeder nog geen drugs gebruikt had, dan zocht ze ruzie met je vader. Ze vertelde dat haar ‘vriend’ Debby zou laten ontmaagden door een pedofiel voor veel geld. Dan hoefde zij niet meer te werken. In het begin hechtte je vader geen geloof aan haar verhalen en ondanks onze waarschuwingen wilde hij ze niet serieus nemen, tot hij een keer op straat door die man werd aangesproken. Hij vertelde je vader dat hij moest verdwijnen uit je moeders leven en dat Debby weer volledig bij haar moeder ging wonen. Uiteraard weigerde je vader en die vertelde aan mij wat er aan het gebeuren was. De situatie werd gevaarlijk dus we gingen naar de politie. Uiteraard werden we niet serieus genomen, want er was nog niets gebeurd zei de inspecteur. Het enige wat we konden doen, was afwachten en heel goed op Debby passen in de hoop dat het bluf was van de man. Verschillende keren zagen we hem bij de school staan. Dat was reden genoeg om wéér naar de politie te gaan, maar hij mocht daar staan, dat was geen misdaad, zeiden ze. Ze beloofden wel, om met de man te gaan praten.

We zagen hem twee weken niet en haalden opgelucht adem, want de politie had hem gewaarschuwd weg te blijven en daar gehoorzaamde hij aan, dachten we. Nu de situatie van Debby zo bekend was bij de politie nam hij het risico niet om haar wat aan te doen, dachten wij, tot je vader op een dag verdwenen was. We zijn direct naar de politie gegaan en die heeft wel gezocht, maar ze konden hem niet vinden. De rechercheur die de zaak onder behandeling had, suggereerde dat je vader voor de huwelijksperikelen gevlucht was. Hoe we ook op hem inpraatten, hij veranderde zijn visie niet, maar er kwam wel een opsporingsbericht. Meer konden ze niet doen, zei hij. Een paar weken later kregen we een brief van je moeder waarin stond dat ze weer helemaal beter was en weer volledig voor je kon zorgen.

Jean

Hoofdstuk 6

Om niet de aandacht van de politie te trekken, hield Jean zich zo goed mogelijk aan de verkeersregels. Ondanks de bizarre omstandigheden, voelde hij een rust over zich heen komen die hij sinds zijn kinderjaren niet meer gevoeld had. Over het probleem waar alles om begonnen was, hoefde hij zich geen zorgen meer te maken. Zijn ouders zouden alles wat nodig was regelen, daar was hij van overtuigd. Zijn enige zorg was uit de handen van zijn vijand te blijven. Hoe hij dat zou doen begon hij in de auto te bedenken, maar eerst moest hij zijn zelfmoord in scène zetten. Voorbij de Belgische grens voelde hij zich opgelucht, Nederland had hij kunnen verlaten, het veruit gevaarlijkste deel van zijn reis. Het vrachtverkeer tussen Nederland en de rest van Zuid-Europa ging ook ’s nachts door. Voor het eerst begreep hij waarom de meeste truckers zo van hun werk hielden. Zonder de zenuwlijders in hun snelle auto’s, heerste er rust op de weg. De vakmensen op de weg gaven elkaar de ruimte. Jean paste zijn rijgedrag aan de omstandigheden aan. De rust die hij voelde werd nog intenser. Bij Antwerpen waren de druktemakers helaas nog wel aanwezig. Voorbij de Kennedytunnel werd het nog veel stiller op de weg. In Nederland had hij niet getankt uit angst voor ontdekking. Hij nam zich voor bij Jabbeke, voor de splitsing naar Frankrijk, de benzine in te nemen die hij voor de reis nodig had. De stilte bij het vrijwel verlaten tankstation was iets wat hij nog nooit eerder had meegemaakt. Het licht in de winkel was bijna helemaal gedoofd. De bediende zat zich achter een glazen scherm te vervelen. Jean had honger en hij zocht iets eetbaars in de winkel. De bediende riep hem.
“Allez meneer, wat zoekt u?”
“Iets te eten, een broodje of zo.”
“Kom maar naar achteren, die rommel in de winkel is niet te vreten. Ik heb hier een privé voorraadje. Vers stokbrood met ham en kaas, lust u dat?”
“Nou en of.”
De bediende opende de deur en Jean stond in de kassaruimte. Het broodje dat hij van de man kreeg, was het lekkerste wat hij ooit geproefd had. Dit zo simpele gebaar van een medemens bracht op dat moment de ommekeer in zijn leven. Op de vraag waar hij zo laat naar toe ging, antwoordde Jean: “Naar een zieke tante.”
Hij bedankte de bediende uitbundig en vervolgde zijn reis naar de dood. Tot de grens bij Frankrijk kwam hij geen enkele auto meer tegen. Omdat de snelweg naar Frankrijk nog in aanleg was, moest hij naar de grenspost van Adinkerken. Langzaam reed hij langs het kanaal tot de slagboom. De beambte kwam naar buiten om zijn, paspoort te controleren. Bij eerdere controles kon hij zo doorrijden, maar nu nam de douanier zijn paspoort mee naar binnen.

Jean onderzocht een manier om te ontsnappen, mocht de douane opgedragen zijn om hem aan te houden. De enige mogelijkheid was uit de auto springen en het kanaal overzwemmen, maar dat zouden ze wel voorkomen. Hij moest rustig wachten, wat hij dan ook deed. Hij nam de naargeestige omgeving in zich op. De spoorrails en de oude brug zagen er verwaarloost uit. De euforie van het broodje bij Jabbeke verdween tijdens het wachten. Met de uitwerking van zijn verdere plannen, waar hij in de auto mee begonnen was, kon hij niet meer verder. Zijn geest en lichaam waren totaal verlamd. Het kon hem ook niet meer schelen, wat dacht hij wel wie hij was om te denken zijn tegenstander te slim af te kunnen zijn. De beambte kwam naar buiten en gaf Jean zijn paspoort.
“Prettige vakantie.”
“Dank u wel.”
Met de grootste moeite wist Jean zijn spieren weer op te laden om weg te rijden. Bij Duinkerken begon het, door de adrenaline veroorzaakte, shaken van zijn handen en benen minder te worden.
“Dat is de tweede keer dat ik bijna dood was. Nu is het genoeg goddomme,” schreeuwde hij de spanning van zich af. Deze uitbarsting gaf hem weer een beetje ruimte in zijn hersenen voor andere dingen, zoals de verdere uitwerking van zijn plan om te verdwijnen.
Bij de volgende rustplaats stopte Jean. Het was nog te vroeg om naar een winkel te kunnen gaan, om de dingen die hij voor zijn tocht nodig had te kunnen kopen. Hij voelde nu hoe moe hij was en binnen een minuut zat hij achter zijn stuur te slapen. Na en half uurtje werd hij wakker. Verkwikt, maar nog erg wazig in zijn hoofd, stapte hij uit zijn auto de frisse ochtendlucht in. Hij liep naar de wc, die hij niet hoefde te zoeken, want hij kon op de lucht af gaan.

Onder het rijden had Jean een aantal problemen gesorteerd, door zich te verplaatsten in de positie van de politie. Ze zouden beginnen met een zoekactie in de directe omgeving. Tegelijkertijd zouden ze ook op zee en beneden aan de klif gaan zoeken. Het zoeken zou niets opleveren, want hij was gevlucht. Nu zou ik met speurhonden gaan zoeken. Een speurhond is niet te misleiden, wat ik ook bedenk, hij zal altijd mijn spoor vanaf de klif vinden en dan weten ze dat ik gevlucht ben, overwoog hij.
Hij naderde Calais, maar had nog geen idee hoe hij zijn probleem moest oplossen, tot hij een neonreclame zag met de tekst:” Wine en Beers.”
Natuurlijk, dat is het. Ik moet een paar lege bierfusten van vijf liter hebben daar maak ik stelten van, dacht hij opgelucht.
“Jean Carpentier je bent een genie,” riep hij erg tevreden met zichzelf over deze oplossing. De zaak was al open. Jean parkeerde zijn auto en ging naar binnen, waar een nors kijkende eigenaar hem opwachtte.
“Heeft u voor mij twee lege bierfusten van vijf liter?”
De man stond Jean aan te kijken of hij een bijzonder vies windje had gelaten.
“Eh….”
“Oh sorry, dat klinkt natuurlijk gek, maar het is voor een grap op een verjaardag.”
“Ah.”
Even later kwam de winkelier terug met twee fusten.
“Hoeveel kost het?”
“Niets.”
“Dank u wel.”
“Veel plezier.”
“Au revoir.”
Jean plaatste voorzichtig zijn schat in de auto. Hij moest ervoor zorgen dat de onderkant van de vaten niet zijn geur kregen.

In een grote supermarkt bij Calais kocht hij proviand voor een paar dagen. Voor zijn fusten kocht hij touw en voor de route die hij wilde nemen een zeer gedetailleerde kaart. Een klein bijltje, een pannetje en een paar aanstekers nam hij mee om onderweg eten te kunnen bereiden en om eventueel een schuilplaats te kunnen bouwen. Nu moest hij wachten tot het nacht werd.

Even voorbij de supermarkt richting Duinkerken reed hij over een karrenpad zo diep mogelijk een bos in, om daar te wachten en zijn stelten af te maken. Van dennentakken maakte hij een bed, dat verassend zacht was. Na een paar uur slaap werd hij verkwikt wakker. Met een handje water uit een fles friste hij zijn gezicht op. De rest gebruikte hij om zijn enorme dorst te lessen. Nu werd het tijd om aan zijn stelten te beginnen.
Met de schroevendraaier uit de auto en een steen maakte hij gaten in de blikken. Nu wurmde hij het touwtje door het ene gaatje om het door het gaatje aan de andere kant weer tevoorschijn te laten komen. Na vier mislukte pogingen werd hij kwaad. “Kuttouwtje, ga erdoorheen,” mopperde hij, maar het touwtje ging niet.
Wat zit je nou een drukte te maken, je hebt de hele dag de tijd, dacht hij.
Hij ging op zijn provisorische bed zitten. Rustig liet hij het touwtje in het vat zakken. Hij tilde het op om aan de andere kant te kijken of het touwtje voor de opening zat. Prompt kreeg hij de laatste paar druppels bier in zijn gezicht, waar hij om moest lachen.

Voor een buitenstaander moest het een bizar schouwspel hebben opgeleverd. Daar zat een volwassen man in een bos een touwtje door een leeg biervat te wurmen, terwijl hij zat te lachen om het feit dat hij bier in zijn gezicht kreeg. Het bos en al de dieren daarin, stoorden zich daar niet aan. De rest van de dag was hij bezig met zijn stelten te maken en erop te leren lopen. Zorgvuldig pakte hij zijn rugtas in. Rustig overdacht hij zijn strategie. Die nacht zou het uitsluitend gaan om zover mogelijk weg te komen van de plek waar zijn auto stond. Op de kaart bestudeerde hij nog een keer zijn route, hoewel hij die helemaal uit zijn hoofd kende. Het bosje waar hij zich de volgende dag zou schuilhouden, was ongeveer tien kilometer verder. De zang van de vogels maakte hem rustig. Hierdoor was hij in staat om aan de afscheidsbrief voor zijn ouders te beginnen. Zorgvuldig overwoog hij wat hij zou gaan zeggen, want zijn tegenstander zou hem ongetwijfeld lezen. Het belangrijkste was om hem te laten denken dat hij veilig was. Jean en zijn familie waren hierdoor geen bedreiging meer voor hem. De brief zag er na een heleboel verschillende versies uiteindelijk zo uit: Lieve ouders, bedankt voor het leven. Helaas is dat niet zo gelopen als jullie en ik zouden willen. Tot gisteravond was het nog waard om ervoor te vechten. Toen heb ik iets meegemaakt wat zo verschrikkelijk is dat ik daar niet mee verder kan leven. Ik weet dat jullie over alles wat ik achterlaat zullen waken, daarom durf ik met een gerust hart uit dit vreselijke leven te stappen. Om te voorkomen dat zoiets nog een keer gebeurt, heb ik het dodelijke instrument om dat te doen meegenomen. Dat gaat mee in mijn graf, de oceaan.

Om elf uur die avond reed hij het bos uit om naar zijn bestemming te gaan. Over de verlaten wegen reed hij richting de duex caps. Hij passeerde de enorme supermarkt waar het nu onwezenlijk rustig was. Bij de terminal van de kanaaltunnel werd het wat drukker. Een mooi staaltje van menselijk vernuft. De wereld wordt overgenomen door criminelen en daar kunnen ze niets aan doen, maar ze kunnen wel een volkomen overbodige tunnel graven, wat een ras, dacht hij verbitterd. Het oranje licht van de snelwegverlichting gaf alles om hem heen een vreemde gloed. Hij bereikte zijn afslag, waar een van de boren die de tunnel hadden gegraven, stond opgesteld.

Nu werd de weg smal en donker. De enige begroeiing was helmgras en laag struikgewas. De voorboden van de zee en zijn zoute wind. Hij begon aan de klim naar het parkeerterrein. Op de klif stond een monument voor een van de grote daden van de mensheid, elkaar op zo groot mogelijke schaal uitmoorden. Eigenlijk is dat hetzelfde als die boor langs de weg of een kathedraal. God, kijk eens hoe goed wij zijn, dacht Jean sarcastisch.

Vlakbij de top kwam hem een auto tegemoet. Even was daar een gevoel van paniek, maar de auto reed door. Jean parkeerde en stapte uit. Het pad naar de klif was goed zichtbaar bij het bleke maanlicht. Rustig lopend ging hij naar de rand van de klif. Daar bleef hij even staan om te genieten van het uitzicht over de zee. De veerboten met hun felle verlichting gaven het geheel iets surrealistisch. Snel liep hij naar de auto terug, waar hij zijn rugtas omdeed en zijn stelten pakte. Hij keek nog even om zich heen of hij iets over het hoofd zag. De afscheidsbrief lag in het dashboardkastje. In de auto was niets wat hem kon verraden. Hij stapte op zijn stelten en begon te lopen.

Een paar ogen keken naar Jean, die daar op zijn idiote stelten wandelde. De eigenaar van de ogen was achter het paaltje weggedoken, waar hij aan was vastgebonden. In die ogen was angst voor, maar ook verlangen naar die man te lezen. Na even twijfelen, kreeg het verlangen naar de aandacht van de man, met een klagende roep, de overhand.
Jean stopte en keek om zich heen waar dit trieste geluid vandaan kwam.
Een jonge hond kwam angstig met zijn staart tussen zijn benen achter zijn paal vandaan. Jean zag hem en dacht, daarom was die auto hier. Pappa vindt wel een goed plekje voor de hond, zal hij wel tegen zijn kinderen gezegd hebben. Uiteraard kon hij het bange dier niet achterlaten. Op zijn mallotige stelten liep hij naar de hond. Voorzichtig, om niet zijn geur af te geven, bevrijdde hij de hond die tegen hem begon op te springen.
“Af,” riep Jean streng.
De hond was onmiddellijk rustig alsof hij wist dat zijn toekomst hiervan af hing, wat ook het geval was. Jean begon weer te lopen, de hond volgde gedwee. Na twee uur lopen, kwam hij bij een bos waar hij zijn stelten achterliet onder een laag takken. Nu had hij even tijd om de hond aan te halen. Dolgelukkig likte hij Jean waar hij kon.
“Ik noem je Chien, dat is Frans voor hond.”
De hond, een bastaard Jack Russel van ongeveer een half jaar oud, met kort haar en hangende oren die hem iets droevigs gaven, vond alles prachtig wat hij zei en deed.

Jean begon zo snel als hij kon te lopen. De hond volgde gedwee, tot hij van vermoeidheid niet meer kon. Jean pakte hem op en plaatste hem in zijn nek. Na een half uurtje liet hij de hond weer lopen. Dankzij de bijna volle maan had hij prima zicht. Om halfvijf was hij bij het bos waar hij de dag wilde doorbrengen. Ze liepen zo diep mogelijk het bos in, waar Jean een onderkomen onder een kleine spar maakte. Deze boom had zijn takken nog tot bijna op de grond. Op de televisie had hij bij overleveringsprogramma’s in de wildernis gezien dat dit de beste beschutting was bij regen. Dat was ook nodig, want het onweer in de verte kwam snel dichterbij. Op de bodem plaatste hij, net als de dag daarvoor, een dik pak dunne dennentakken als bed. Met zijn hoofd op zijn rugzak viel Jean, volledig uitgeput door de wandeling en de emoties van de laatste tijd, in slaap. De hond kroop tegen zijn buik aan en sliep even later ook. Het onweer maakte ze wakker. Even was Jean bang dat hij niet droog zou blijven, maar de regen gleed inderdaad, zoals hij op de televisie gezien had, langs de takken aan de buitenkant naar de grond. De plensbui gaf het bos een aroma van verfrissing met een vleugje schimmel er doorheen. Onder zijn afdak zat Jean te kijken hoe kleine stroompjes ontstonden die bladeren en insecten meesleurden. Een drama in miniuitvoering, dacht hij.  Chien bleef ongeïnteresseerd slapen, tot Jean eten uit zijn rugzak pakte.

Zo trokken Jean en Chien samen verder, twee verschoppelingen met een goedheid van karakter waar de mensheid eigenlijk geen recht op had. Soms sliepen ze in het bos en soms in een verlaten schuur of stal. In de kleine dorpjes waar ze door liepen, zocht Jean in de vuilnisbakken naar etensresten. Het verbaasde hem hoeveel er werd weggegooid. Bij supermarkten haalde hij groenten, fruit en soms aardappelen. Vlees voor Chien was er in overvloed, de uiterste verkoopdatum zei hem niets. Bij restaurants nam hij restanten van overvloedige maaltijden mee. De volgende morgen maakte Jean zijn eten op een vuurtje klaar.
Jean merkte dat hij magerder werd. Hij voelde zich daar geweldig bij, mede door het steeds beter worden van zijn conditie. Bij een meertje of een beekje waste hij zich zo goed mogelijk. Zijn kleren spoelde hij hier ook uit. Voor zijn gevoel waren hij en zijn spullen schoon, maar zijn verstand zei dat hij behoorlijk moest stinken.

Bram

Hoofdstuk 7

Om zeven uur vertokken Bram en Rik, nogal nerveus, naar Akersloot om de meisjes op te halen, die minstens zo zenuwachtig zaten te wachten. Ieder met een bosje bloemen in de hand stonden ze voor de deur. Jane liet ze binnen en ze stelden zich aan elkaar voor. Voor Puk was het een aangename verrassing, want Rik was niet alleen leuk om te zien, maar ook beleefd en dat was ze niet gewend van haar vroegere vriendjes.
De conversatie verliep in eerste instantie een beetje stroef, maar tijdens het drinken van een kopje koffie kwamen ze los en werd er gelachen. Hun gevoel voor humor was het eerste wat de vier onmiddellijk met elkaar verbond, de muziek die Jane draaide de tweede. Na een uurtje samen doorgebracht te hebben, vertrokken ze richting Bergen. Onderweg klonk de muziek uit de radiocassetterecorder van de auto. Luid meezingend bereikten ze hun bestemming, waar het al heel druk was. Ze kochten kaartjes en liepen door het bos naar het openluchttheater. De hele vriendenclub van de broers waren ook naar het concert toe. Het grote nieuws dat Bram met een meisje uitging, was door Rik verspreid. Dat wilden ze allemaal zelf zien. Ze hadden onderling afgesproken om elkaar te ontmoeten op de plek waar ze dat altijd deden: rechts naast de ingang. Tijdens het wandelen naar het theater kwamen de broers en hun dames al de nodige vrienden tegen. Al wandelend werden ze aan elkaar voorgesteld. Het viel Puk en Jane op dat de sfeer zo prettig was met de vrienden en vriendinnen onderling en ook ten opzichte van hen. Het feit dat Bram met een meisje uit ging was al bijzonder. Dat het een ‘gruwelijke spetter’ was, maakte het af. De groep werd steeds groter naarmate de tijd verstreek. Jane en Puk waren niet alleen verbaasd over de prettige sfeer, maar ook over de omvang van de vriendenclub. Om de beurt werd er drinken gehaald. Bram hield het bij cola, want hij vond autorijden en alcohol drinken onverantwoord.

Jane bewonderde zijn wilskracht hierover, want verschillende vrienden probeerden hem over te halen toch een paar biertjes te drinken. Het concert was om elf uur afgelopen. De vriendenclub viel nu uit elkaar. In groepjes vertrokken ze naar ander gelegenheden om uit te gaan. Een van de vrienden en zijn meisje nodigden de jongens uit om mee te gaan naar een schuurfeest. Bram en Rik overlegden hierover met Jane en Puk. Zij vonden het een leuk idee. Met zijn zessen liepen ze naar het parkeerterrein. Het idee achter deze schuurfeesten was om een grote party te kunnen organiseren zonder dat dit veel geld kostte. Iedereen die naar het feest toe kwam, nam eten of drinken mee. Uiteraard hadden Bram en Rik hier niet op gerekend, maar ze wisten wel een oplossing. Het feest werd in een dorp in de buurt georganiseerd. Daar waren Bram en zijn familie een paar keer op vakantie geweest. Tijdens deze vakanties gingen ze regelmatig een avondje uit naar een café, annex slijterij, in het dorp. Ook buiten deze vakanties kwamen ze daar regelmatig, om na een dagje strand iets te eten en te drinken. Daar gingen ze nu naar toe om drinken te halen. De vrienden hadden geen vervoer, dus zij moesten ook in de Renault 4.
Met veel gelach en gestuntel werd iedereen, in het autootje gepropt. Bij elkaar op schoot zittend paste het net. Zingend reden ze van het concert naar het café, daar dronken ze eerst nog wat. Ze kochten een paar flessen jenever en een kratje bier om mee naar het feest te nemen. Tegen vijf uur was het feest afgelopen en vertrokken ze naar Akersloot. Met een kus namen ze afscheid. Ze spraken af om de volgende middag te gaan zeilen.

Jane en Puk zaten nog even na te praten. Puk zei: ”Het zijn wel heren. Eén woord en ik was met hem in bed gekropen en daar had ik misschien wel spijt van gekregen. En zoals ik mij nu voel, heb ik spijt dat ik het niet gedaan heb.”
“In de koelkast ligt nog wel een komkommer, neem die maar mee naar boven.”
Proestend van het lachen kropen ze in bed.

Om twee uur ’s middags stonden de ‘heren’ weer voor de deur. Bram en Rik trakteerden, voor ze vertrokken, op een paar broodjes in de kantine van de zeilvereniging. De rest van het eten en drinken voor die dag, hadden Jane en Puk mee. De wind was helaas niet meer dan drie beaufort, dus het zeilen zelf was een beetje saai. Na een paar uur varen op de meren, besloten ze een plekje op te zoeken om wat te eten en te drinken. Jane voer naar een van de kleine eilandjes in het riet. Met het anker op het gras werd de boot vastgezet. Het eten en drinken werd uitgeladen en op een meegenomen deken geplaatst. Ze zaten met zijn vieren om het kleed heen en Puk zei: ”Wat een mooi plekje. Hier kan je ongestoord in de buitenlucht…”
“Eten ja,” onderbrak Jane haar, want ze wist al wat Puk zou gaan zeggen.
“Ik denk niet dat Puk dat bedoelde,” zei Rik, “maar eten kan ook.”
“Zullen wij nog een stukje zeilen Jane, dan kunnen Puk en Rik even rustig met elkaar praten,” stelde Bram voor om Puk te pesten.
“Niks daarvan, ze moet zich maar een beetje leren beheersen,” zei Jane gedecideerd, maar met een glimlach. Ze zeilden nog een rondje over het meer en gingen naar huis. Die avond was de kus van de vorige avond wat uitgebreider. Met een afspraak voor volgende week in hun zak, vertrokken de broers naar huis.
Dat weekend gingen ze nog een keer samen uit, daarna ging ieder zijn eigen weg. Puk en Rik gingen nu meer in Amsterdam uit, waar Puk woonde. Jane en Bram gingen liever zeilen en stappen in de buurt van Akersloot. Na een steeds langer durende kus, namen ze elke keer afscheid van elkaar. Hun liefde werd steeds sterker en op een avond besloten ze niet uit te gaan. Ze praatten over hun toekomstvisie, draaiden muziek en dansten met elkaar, wat overging in kussen. Ze voelden van elkaar aan dat het die avond voor de eerste keer in hun leven ging gebeuren. Aarzelend hadden ze aan elkaar verteld dat ze nog nooit eerder gevreeën hadden. Ze stopten met dansen en gingen naar de slaapkamer. Zenuwachtig over wat er komen ging, kleedden ze elkaar uit. Aftastend en elkaar verkennend, gingen ze steeds verder, tot hun uitputting een einde maakte aan het spel.

De volgende maandag zaten Jane en Puk op kantoor. Puk had al aan Jane gezien wat er gebeurd was. Haar uitstraling was voor Puk even duidelijk als een vuurtoren in absolute duisternis. Jane probeerde het aankijken van Puk zo veel mogelijk te vermijden. Ze wist dat Puk zat te wachten tot zij ‘het’ zou vertellen, maar daar had ze geen zin in, dacht ze. Puk keek af en toe naar Jane om haar te pesten en uit te dagen. Jane probeerde het zo lang mogelijk uit te stellen, tot Puk met een uitgestreken gezicht opmerkte: “Je denkt toch niet dat ik achterlijk ben. Jullie hebben geneukt, stelletje viezeriken.”
“En lekker dat het was,” zei Jane uit volle overtuiging.
Hun schaterlachen trok de aandacht van de collega’s in het kantoor naast hen, die even kwamen kijken wat er aan de hand was.
Jane werd door de veel meer ervaren Puk zorgvuldig uitgehoord. Hier en daar gaf ze een tip ter verbetering. Aan het einde van de dag waren alle details over hun wederzijdse seksuele escapades doorgelicht. Ze spraken af om het volgende weekend naar het eilandje te gaan, waar ze de eerste keer met zijn vieren waren geweest, tijdens het zeilen. Kunnen we gezellig picknicken, zei Puk er schijnheilig bij. Jane, aangestoken door het seksvirus van Puk, leek het wel spannend. Voor de eerste keer bleef Bram dat weekend bij Jane slapen, wat hun liefde weer een stap dieper maakte. De volgende stap was de kennismaking met de wederzijdse ouders. De ouders van Bram zagen hun nestje sneller leeg worden, dan waar ze op hadden gehoopt. Brams moeder zei vaak met een glimlach: “Het zijn schatten van jongens, maar ik word stapelgek van ze.”

De liefde werd steeds serieuzer. Af en toe werd er door de broers en hun vriendinnen over trouwen gesproken. Elk excuus om een feest te vieren werd aangegrepen, dus ook het verloven. Uiteraard werd er, volgens familietraditie, zeer fors gediscussieerd over hoe dat aan te pakken. Wie mocht het eerst, was de vraag. Hun vader bemoeide zich er niet mee, want dat zou de dezelfde uitwerking hebben als een bronstige merrie op een hengst. Hij wachtte rustig af tot zijn vrouw ingreep.
”Doe het dan tegelijk, stelletje kinderachtige zeurpieten,” zei hun bijna altijd geduldige en rustige moeder boos.
Beschaamd zaten de jongens naar haar te grijnzen. Zo, die weten het weer, dacht hun vader content. Het voorstel van mams, zoals ze haar liefkozend noemden, was natuurlijk de oplossing. Direct werd er een ontmoeting geregeld met de zoons en de meisjes in het huis van Jane, daar kon niemand zich met hun zaken bemoeien. De Ramons verzorgden de muziek, dat stond als eerste vast. De plaats waar, was wat moeilijker. Het werd na overleg, om logistieke redenen en uit eerbied voor het verleden, het café in Egmond. Het werd een feest waar nog lang over werd nagepraat. Na een zomer met zeilen en uitgaan, trouwden de broers.
Omdat hun gezamenlijk verloving zo schitterend was verlopen, besloten ze ook tegelijkertijd te gaan trouwen. Dit feest werd in de kantine van de zeilvereniging gevierd. De huwelijksvoltrekking vond plaats op het starteiland in het Alkmaardermeer, met als back-up vanwege het weer, de loods van de zeilvereniging.
Met de grote boot van een rederij in Alkmaar, voeren ze naar het eiland.
Voor de oma van Jane hadden ze iets speciaals georganiseerd. In overleg met het verplegend personeel van het verzorgingstehuis en haar oma, was besloten dat ze naar de trouwerij zou gaan. De vaste verpleegster van oma had haar verteld dat de inspanning haar leven zou kunnen verkorten.
“Noem je dit leven,” had oma gezegd, “het kan mij niet schelen, ik wil mijn Jane en haar lieve vriend getrouwd zien worden. Dan kan ik daarna met een gerust hard doodgaan.”
Met een ziekenwagen werd ze naar de haven gereden en vandaar met een speciale boot naar het eiland gebracht. Samen met oma vertrokken talloze andere boten en bootjes van vrienden naar het eiland. De zon genoot mee van het prachtige gezelschap.

Een week na de trouwerij overleed oma in haar slaap. Zo lang ze nog kon praten, herhaalde ze telkens hoe blij ze was dat ze de trouwerij had gezien. Jane en Bram kochten het huis van oma. Samen pendelden ze naar hun werk in Amsterdam. Puk en Rik hadden een huis gekocht in Amsterdam, waar Rik ging werken bij zijn schoonouders, die een klein reisbureau hadden. Door zijn harde werken en commercieel inzicht, groeide het bedrijf snel. De drie broers hadden nu ieder een eigen plekje en de ruzies uit het ouderlijke huis waren verdwenen. Zij maakten plaats voor plezier, wanneer ze bij elkaar waren. In de zomer werd er veel gezeild en het intieme eilandje werd af en toe bezocht: voor een picknick hield Puk vol. De ouders van de jongens en van Jane genoten op afstand van het geluk van hun kinderen. Regelmatig namen ze hun ouders mee naar plaatsen waar die graag heen wilden, maar zelf niet konden komen.
Bram werd lid van de zeilvereniging. De voorzitter van de vereniging polste Bram of hij penningmeester wilde worden. Dat wilde Bram wel. In de snel belegde ledenvergadering werd de aanstelling van Bram unaniem goedgekeurd. De haast waarmee hij werd benoemd, verbaasde Bram tot hij de administratie onder ogen kreeg. De vorige penningmeester had die tot een chaos van papieren en cijfers gemengd, waar niemand nog enige zinvolle informatie uit kon krijgen. Een ding was wél duidelijk: er dreigde een faillissement. Bram nam contact op met de belasting en de leveranciers van de vereniging. In ruil voor reclame in het clubblad, in de kantine en bij wedstrijden werden de schulden voor het grootste deel kwijtgescholden. Zijn volgende stap was sponsors zoeken, wat hem door zijn commerciële talent met klanten van zijn werk makkelijk af ging. Binnen drie maanden was de vereniging weer gezond en zat er een aardig bedrag in de kas.
Jane was gevraagd of zij voorzitster wilde worden van de activiteitencommissie, iets wat ze met veel plezier deed.

Hoofdstuk 8

De ouders van Puk besloten zich toe te leggen op hun hobby: reizen. Ze verkochten de zaak aan Puk en Rik en vertrokken voor hun eerste trip. Puk en Rik konden nu helemaal vrij, hún ideeën voor de zaak toepassen. Het bedrijf groeide daardoor razendsnel. De oudste broer Brian, werkte voor een bedrijf waar hij managementopleidingen gaf. De cursussen die hij gaf waren, naar zijn idee, veel te ouderwets. Hierover had hij al eens gepraat met de directie, die het allemaal geen bal interesseerde. De mensen kwamen, betaalden en daarmee was het, volgens dit in slaap gesukkelde groepje zakkenvullers, wel goed. Het bedrijf werd overgenomen, waarbij Brian door zijn kritische houding zijn baan kwijtraakte. In eerste instantie was hij teleurgesteld en kwaad, maar na een maand besefte hij met hoeveel tegenzin hij daar gewerkt had de laatste tijd. Rik zag een kans nu zijn broer werkloos was geworden. Hij stelde Brian voor om cursussen en seminars te geven op de manier waarop Brian dat graag wilde. Brian zag het direct zitten. Ze brachten ieder evenveel geld in en startten een bedrijf buiten het reisbureau. Later voegden ze hier nog een sectie toe in gespecialiseerde groepsreizen. Bram deed de boekhouding voor de twee bedrijven. Af en toe kwam hij bij ze om zaken door te nemen of papieren te halen of te brengen. Het bedrijf van Brams broers werd sponsor van de roei en zeilvereniging. In een familieoverleg maakten ze de afspraak dat hun sponsorschap een bepaald doel moest hebben. Jane wist dat er in het dorp mensen woonden waarvan de kinderen graag lid wilden worden van de vereniging, maar die door hun financiële thuissituatie dat niet konden.
Daar werd een speciaal potje voor gemaakt waar de broers hun bijdrage instortten. Bram had de directie van het bedrijf waar hij werkte, overtuigd om hier ook aan mee te doen. Zo konden de kansarme jongeren ook meedoen met wedstrijden en alle andere activiteiten die Jane organiseerde.

Jane en Bram startten, met veel plezier, pogingen om een kind te krijgen, wat na een half jaar lukte. Het werd een zoon, die ze de voornaam gaven van de op veel te jonge leeftijd overleden opa van Jane: Jan. Door de geboorte van Jan veranderde Bram. Hij kon vroeger door het geluid van een pneumatische hamer heen slapen. Nu was hij direct wakker bij elk geluid dat de kleine maakte. Bram had drie weken verlof genomen na de geboorte van Jan om samen met Jane de eerste moeilijke tijd door te komen. De borstvoeding wilde niet lukken, waardoor ze over moesten schakelen op flesvoeding. Om de beurt gingen ze uit bed om de kleine Jan eten te geven, of te verschonen. Het geluidsniveau van het boeren na het eten, was elke keer weer reden voor hilariteit. Ze gaven hem alle liefde en aandacht die ze hadden en dat was heel veel. Hun opvoeding was consequent en met strikte grenzen die steeds meer verlegd konden worden. Kleine Jan wist altijd waar hij aan toe was en groeide blij en gelukkig op. De opa’s en oma’s waren trots, ze verwenden hem net zo erg als de zoons van Joke en Brian. Na een tijdje ging Jane weer parttime werken en haar ouders mochten dan op hun zoon passen, wat ze met veel plezier deden. Jane’s vader had een gezegde over hoe zij het oppassen vonden: die kleine kost ons een ons energie, maar hij levert een pond op.
Jane en Bram probeerden een tweede kind te krijgen. Bram had hoop op een dochter, want de beroemde vaderdochter relatie leek hem geweldig.
Zo gingen er twee jaar voorbij waarin er tijd was voor genieten en plezier maken met de kleine, tot op een dag in augustus.

Alles voelde die zaterdag klam aan door de vochtige hitte. Op die dag was ‘s avonds het openingsfeest van het jaarlijkse, zeilweekeinde georganiseerd. Het hoogtepunt van dit evenement was de meerdaagse zeilwedstrijd. Iedereen was nerveus voor de strijd. Ze probeerden hun boot in zo goed mogelijke conditie te krijgen, ook Jane en Bram. Een vriend van ze, die op het eiland De Wouden woonde, had beloofd om zondag de Valk na te kijken om hem eventueel aan te passen voor de race. Door drukte op het werk en allerlei vervelende dingen om te doen, hadden ze nog geen tijd gehad de boot naar het eiland te brengen.
Voor die avond was kans op onweer voorspeld. De lucht hing nu al vol met een statische elektriciteit, die je op onverwachte momenten kippenvel bezorgde. Vanwege de onweersdreiging, haastten zich de laatste boten naar de haven, waardoor het onwezenlijk rustig was op het water. De hele familie van Bram en Jane was uitgenodigd voor het feest dat op het eiland De Wouden gehouden werd. Ze waren verspreid om nog wat laatste dingen te regelen voor ze naar het feest konden gaan. Ze hadden afgesproken dat ieder voor zich naar het feest kwam. Bram had beloofd om Brian op te halen bij zijn ouders in Alkmaar, want hij had geen vervoer. Bram en Jane waren in een discussie verwikkeld over wanneer hun boot naar het eiland De Wouden gevaren moest worden.
De eigenwijze Jane hield vol dat het nu nog makkelijk kon, maar Bram vond de dreiging van het onweer te groot.
“Doe het nou niet, straks gaat het onweren. Boven zee is het al donker, ik beloof je dat ik de Valk morgenvroeg wegbreng,” probeerde Bram haar te overtuigen.
Ze wuifde zijn bezwaren weg met de woorden: “Het duurt nog uren voor dat onweer hier is, als het al hier komt. Met een half uur ben ik in de Wouden, want ik heb de wind mee. Morgenochtend willen ze vroeg beginnen met de boot klaar te maken voor de grote wedstrijd. Op het feest zie ik je wel weer.”

Door de manier waarop Jane haar beslissing had verteld, wist Bram dat verder discussiëren overbodig was. Normaal gesproken had ze ook gelijk, maar zijn intuïtie zei dat de omstandigheden niet normaal waren. Hij gaf zich over en nu was snelheid geboden. Met de auto reden ze naar de haven.
Snel liepen ze naar de boot, waar Jane de kleine Jan zijn zwemvest aandeed. De klamheid in de lucht verdween, door een frisse wind. “Zie je nu wel, het onweer komt hier niet, anders was die wind er niet geweest.”
“Schiet nu maar op eigenwijs,” mopperde Bram, een beetje gerustgesteld door haar opmerking.
Jane startte de buitenboordmotor en vrolijk zwaaiend, voer ze de haven uit. Bram wachtte tot ze buiten de dammen was en hij het zeil in de mast omhoog zag gaan. Zijn gevoel van ongerustheid werd weer sterker, tijdens de rit naar zijn broer Brian in Alkmaar.

Debby

Hoofdstuk 9

De brief die de ouders van Debby’s grootouders kregen van haar moeder, stelde ze voor een onmogelijke keus, las Debby in de brief van haar grootvader.
“We konden twee dingen doen: de voogdij over jou proberen te krijgen of een andere oplossing die ik je verderop in de brief vertel. We zijn naar de kinderbescherming gegaan, maar daar lieten ze direct doorschemeren dat wij weinig kans maakten op de voogdij. We vertelden wat er met je zou gebeuren als je terugging naar je moeder, maar we kregen te horen dat er ‘geen signalen’ waren dat er iets mis was met haar. Wij vertelden dat ze aan de drank en de drugs was en met wie ze dat samendeed, maar een meewarig hoofdknikken was de enige reactie. Met de woorden: “U kunt altijd een schriftelijk verzoek indienen,” werden we, vriendelijk doch dringend, verzocht te vertrekken. We beseften dat jij verloren was, maar daar wilden we ons niet bij neerleggen. Het was nu tijd om de tweede mogelijkheid te benutten. Ik schreef een brief aan je moeder waarin we vertelden dat we een week op vakantie zouden gaan en je daarna kwamen brengen. Ik hoopte dat de politie deze brief zou vinden om ons nog beter vrij te pleiten voor wat ik zou gaan doen. Ik boekte een ‘last minute’ huisje en we meldden de school dat jij ziek was.”

De geliefde begraafplaats van Debby, waar ze de brief van haar opa zat te lezen, begon een boosaardige atmosfeer te krijgen. De zon die het geheel zo’n vriendelijke uitstraling had gegeven was verdwenen achter donkergrijze wolken. De vrouw was gestopt met het harken van de paden en was naar binnen gegaan. Debby borg de brief in de grote enveloppe en liep snel naar huis. Daar zette ze de televisie aan om niet meer te hoeven denken aan het laatste deel van de brief, die een toon had gekregen waar ze bang voor was geworden. Het lukte haar niet, de vragen die ze niet uit haar hoofd kreeg waren: wat bedoelt mijn opa met de tweede mogelijkheid en wat had de politie daar mee te maken? Ze borg de brief in een kast. Langzaam werd het rustiger in haar hoofd en ze ging naar bed. Die nacht kreeg ze een nachtmerrie waarin haar vader aan het verdrinken was in een groot kanaal.

Ondanks de boze droom werd ze verkwikt wakker. Ze liep naar het raam en keek naar buiten waar kinderen met de bladeren aan het spelen waren. Met veel kabaal kwam een veegwagen ze opruimen, een onzinnige bezigheid want achter hem vielen de bladeren al weer neer. Ze nam een douche, waardoor ze zich nog beter voelde. Ze zette een pot thee en maakte vier boterhammen met kaas die ze op de salontafel zette en pakte de brief uit de kast. Ze nam een hap brood en een slok thee voor ze begon te lezen.

“Voor we naar onze vakantiebestemming gingen, heb ik in Antwerpen een pistool met geluiddemper gekocht en in Amsterdam een beetje heroïne.
Vanuit een telefooncel in Putten heb ik je moeder gebeld met het voorstel om alvast wat spullen te brengen en om over de overdracht van Debby te praten. Ik had één eis: de vriend van je moeder moest erbij zijn. In dat telefoongesprek deed ik net of ik afstand had genomen van je vader zijn bekrompen ideeën over jouw opvoeding. Hier trapten ze gretig in en ik was hartelijk welkom. Omdat mijn auto zou kunnen opvallen, heb ik er een gehuurd in Putten en ben naar het huis van je moeder gereden. In een tas met spullen van jou heb ik het pistool en de heroïne verstopt. Ik begroette ze onderdanig en alleen door de gedachte aan mijn plan, was ik in staat om de vreselijke overwinningsgrijns op het gezicht van die twee te verdragen. Zo snel als ik kon, ging ik naar binnen, om de kans dat de buren mij zouden zien of horen, zo klein mogelijk te maken. De buren wisten wat er aan de hand was, dus in geval van herkenning zouden ze zwijgen tegen de politie, daar was ik wel van overtuigd, maar ik nam liever het risico niet.”

Debby liet de brief even in haar schoot liggen en fluisterde: “Mijn god opa, wat heb je gedaan.”
Ze pauzeerde even om haar broodjes op te eten en de kop thee leeg te drinken. De angst van gisteren kwam weer terug, maar de wil om te weten wat er gebeurd was, was sterker nu.

“Met de tas waar jouw spullen in zaten op schoot, ging ik tegenover ze zitten. Nu kwam een moeilijk probleem: ik wilde weten of zij iets met de verdwijning van je vader te maken hadden. Vanaf het eerste moment dat ik ze ontmoette, heb ik het bange burgermannetje gespeeld. Iets wat criminelen, gesteund door hun advocaten en het justitieel apparaat, van ons verwachten. Kijk maar bij de bordjes in de supermarkt waarop staat: ‘Pas op! Zakkenrollers winkelen ook.’ Er zou moeten staan: ‘Zakkenrollers pas op, camera’s houden u in de gaten en bij betrapping riskeert u een verplichte heropvoeding van minstens vijf jaar.’
Sorry, ik dwaal af, maar ik wil dat je weet hoe ik daarover denk om te begrijpen wat ik ging doen. Ik vroeg op smekende toon: ’Weten jullie misschien waar mijn zoon is?’
De blaaskaak trapte onmiddellijk in de val en volgens mij wilde hij het ook graag zeggen. Hij vertelde dat ze hem met een smoesje naar de begraafplaats, waar we zo vaak kwamen, hadden gelokt. Daar hadden ze hem vermoord en onder een grafsteen gelegd. De details hierover gaan met mij mee het graf in: het is voor jou niet van belang dit allemaal te weten.”
Debby had het gevoel of een hand haar keel dichtkneep en viel flauw op de bank. Op het kerkhof, waar haar vader zou liggen, vielen de bladeren als een deken over de overledenen. Een vrouw veegde de bladeren van de stenen op de paden om ze daarna weg te harken, terwijl ze dacht aan het meisje dat hier de vorige dag zo verdrietig op het bankje had gezeten. Debby kwam weer bij en ging een glas water drinken. Ze nam zich voor vanaf nu sterk te zijn en door te lezen.

“Nu wist ik dat je vader dood was en meer hoefde ik niet te weten. Uit de tas pakte ik het pistool en richtte dat op hem. Hij begon te lachen en zei: ‘Doe niet zo dramatisch, ouwe.’
Ik schoot hem in zijn hart en zijn hoofd. Je moeder begon te smeken om genade en zei dat ze je met rust zou laten. Door de gedachte dat ze binnen de kortste keren weer een pooier en leverancier zou hebben voor haar verslaving en dat alles dan weer opnieuw zou beginnen, nam ik geen enkel risico en heb haar op dezelfde manier doodgeschoten.”

Hoe kan dat nou, dacht Debby, in de kranten stond dat het een afrekening was in het criminele drugscircuit. Hoe heb je dat voor elkaar gekregen opa?

“De heroïne die ik gekocht had, heb ik aangelegd met zuiveringszout en in een plastic zakje op tafel gelegd met wat losse poeder eromheen. Nu zou de politie denken dat het om het oplichten van een drugskoper zou gaan die wraak had genomen. Ik heb gewacht tot het nacht was en vanuit een telefooncel in Amsterdam de politie anoniem getipt dat er een drugsdeal zou plaatsvinden op het adres van je moeder. Daarna ben ik met de tas met jouw spullen naar ons vakantiehuisje gereden. Daar heb ik mij verkleed en alle kleren in de open haard verbrand, terwijl jij sliep. Het pistool heb ik de volgende morgen verstopt op een plaats die niemand ooit zal vinden. Wij werden uiteraard niet verdacht. We deden een aanvraag voor de voogdij over jou, die direct werd gehonoreerd. De politie-inspecteur waar we de eerste keer waren om over de verdwijning van je vader te praten heeft ons, vanwege zijn slechte geweten, daarbij geholpen.”

Debby stopte met lezen en dacht: hoe kan dat nu? Mijn lieve opa die regenwormen uit de zon oppakte en ze in het gras deed om ze voor uitdrogen te behoeden, knalt op een avond twee monsters van mensen van de wereld, alleen om mij te beschermen. Een gevoel van trots en dankbaarheid zorgde ervoor dat ze begon te gloeien. Ook kwam de vraag in haar op: wat moet ik met deze wetenschap? De brief was nog niet uit en dus komt er misschien een antwoord op deze kwestie, dacht ze en ze begon weer te lezen.

“Toen alle drukte over het overlijden van je moeder over was, hebben je oma en ik overlegd wat we moesten doen met je vader. Hij lag op de plek die hem het dierbaarste was op de hele wereld en we besloten hem daar te laten liggen. We hopen dat je ons kunt vergeven voor wat we hebben gedaan. Maak iets moois van je leven.”
Je oma en je opa.

Hoofdstuk 10

Langzaam nam, na het volledig uitlezen van de brief, een intense woede, die Debby nog nooit eerder gevoeld had haar rationele denken over. Het drong in volle omvang door wat haar grootouders was aangedaan. Deze lieve mensen die zo goed voor haar waren en nooit iets of iemand kwaad hadden gedaan, werden door een stel criminelen beroofd van hun zoon. Daarna zouden ze haar kleinkind laten verkrachten door een monster dat kinderen diep in zijn binnenste haat, om de reinheid die zij zelf niet hebben. Deze verachtelijke wezens houden maar van één persoon: zichzelf. Zij manipuleren, meestal kwetsbare kinderen, zo dat het lijkt of ze vrijwillig met ze mee gaan voor hun gruwelijke daden. Ze laten hun misdaden door middel van kinderporno via Het Internet aan iedereen zien. Ieder mens, dus ook een pedofiel, weet hoe deze verschrikking gemaakt wordt. Iemand die oprecht van kinderen houdt zou hiervan de grootste vijand moeten zijn. Debby’s grootouders hadden haar hiertegen beschermd met een onvoorstelbaar groot persoonlijke offer: het gedwongen nemen van twee mensenlevens.

Met deze verschrikkingen moesten ze verder leven, om hun kleinkind een toekomst te geven. Dit alles hadden ze gedaan tegen de stroom tegenwerking van de kinderbescherming en het justitiële apparaat in. Met een beetje begrip en het aanpakken van de criminelen in de maatschappij, had het allemaal voorkomen kunnen worden. In gedachten probeerde ze naar tekenen te zoeken die er geweest moesten zijn na het meemaken van deze verschrikkingen, maar ze kon ze niet vinden. Het was altijd gezellig bij ze en elk jaar gingen ze op vakantie naar Frankrijk. Door het verlies van haar ouders had Debby, helemaal geen zin om verder te leren na de lagere school. Haar grootouders stimuleerden haar om toch naar de mavo te gaan. Met veel hulp van haar opa haalde ze haar diploma en ging bij een bank werken. Wat bij haar ouders niet mogelijk was, door het gedrag van haar moeder, kon nu wel: vriendinnen en later vriendjes bij haar oma en opa thuis ontvangen. Ze gaven haar complimenten waar ze konden waardoor haar zelfvertrouwen, wat door haar moeder op alle manieren werd ondermijnd, groot werd. Hierdoor en de waarschuwing van haar opa dat wanneer ze aan de drank of drugs verslaafd zou raken hij haar zonder pardon het huis uit zou zetten had ze geen enkele behoefte om daarmee te experimenteren.

Debby plaatste de brief, die ze nu drie dagen in haar bezit had, van haar opa op het tafeltje voor haar en begon ernaar te kijken. Ze probeerde haar gedachte onder controle te krijgen om te bedenken wat ze moest doen. Afwachten, was het enige wat ze kon bedenken, maar één ding nam ze zich voor: ik zal doen wat opa en oma in de brief hadden gezegd: iets maken van mijn leven. Vanaf dat moment begon ze aan een zoektocht naar een betere toekomst. Er ging ruim een jaar voorbij waarin ze, zonder succes, wanhopig op zoek was naar dat betere leven. Ze deed niet meer dan wat ze vóór de brief gedaan had. Overdag wat wandelen in de stad en de parken, waarbij ze de begraafplaats van haar vader zorgvuldig meed, en ‘s avonds televisiekijken. Tot ze op een dag wakker werd na een droom waarin ze samen met haar vader op een van hun favoriete plekjes in Frankrijk wandelen en dacht: zo gaat het niet langer, ik ga naar het kerkhof.

Ze stapte uit bed en ging douchen. Ze at twee sneetjes oud brood die ze met een kopje thee wegspoelde. De rest van de oude kuch nam ze mee voor de eendjes in de schinkel en de paarden. Ze wandelde via het jaagpad, waar ze net als vroeger met haar vader, de eendjes voerde. Dáár begonnen de tranen al over haar wangen te lopen en ze dacht erover haar kruistocht, zoals ze dat voelde, te stoppen. Ze schold tegen zichzelf: “Houd op trut, word eens een beetje flink en maak iets van je leven, in plaats van te janken!”

De krokussen bloeiden overal, vroeger plukte ze die weleens voor haar moeder die ze direct in de vuilnisbak gooide terwijl ze zei: “Wat moet ik met die stinktroep.”
Het maakte haar tocht nog zwaarder, maar ze zette toch door, gedreven door een kracht die ze niet begreep, maar waar ze wel blij mee was. Aarzelend stapte ze over de dam de begraafplaats op. Ze liep naar de plek waar ze vroeger zo vaak had gezeten met haar vader en haar grootouders en ging zitten met het laatste beetje brood in haar handen. De paarden van vroeger waren er niet meer, de nieuwe graasden gewoon door, want ze kenden haar niet. Ze liet de atmosfeer van kalmte en rust tot zich doordringen. Langzaam werd ze zelf ook rustig in haar hoofd en begon om zich heen te kijken, op zoek naar een aanwijzing waar haar vader begraven kon zijn. Het enige wat ze zag, was de vrouw die de begraafplaats beheerde en die ze meer dan een jaar niet gezien had. Ze was bezig met de klimplanten, die overal groeiden, daar weg te halen waar ze in de weg zaten.

De vrouw stopte met haar werk, kwam naar Debby toelopen en zei: “Hallo, een tijd niet gezien.”
Debby ging staan en zei tot haar eigen verbazing: “Ik kon het niet opbrengen om hier nog te komen.”
Het drong tot haar door dat het erg vreemd was wat ze had gezegd. Ze kon uiteraard niet zeggen: dat komt omdat mijn vader hier ergens begraven ligt. In plaats daarvan zei ze: “Vroeger kwam ik hier vaak met mijn vader en oma en opa, maar die zijn dood. De herinneringen daaraan waren te pijnlijk, maar nu probeer ik het weer.”

De vrouw wist dat er iets bijzonders aan de hand was, ze vermoedde ook wat. Ze zei hier niets over, daar was ze veel te wijs voor. Wat ze zichzelf wel voornam was om die wijsheid met de jonge vrouw, die zo verdrietig op dit bankje zat, te delen en ze zei: “Soms kom je er alleen niet uit. Ik heb iets voor je wat je kan helpen, loop maar met me mee.”
Totaal overbluft liep Debby, zonder iets te vragen, mee naar het witte huis op de begraafplaats. Ze gingen naar binnen. De vrouw pakte een kan koffie en schonk zwijgend in. Buiten streden de vogels zingend en vechtend voor de beste nestplaatsen, maar Debby, die altijd van hun geluid genoot, hoorde het niet. Ze hoorde de vrouw als in een droom zeggen: “Dit boek kan je helpen, lees het en doe wat er in staat. Je leven zal in positieve zin veranderen.”
Debby las de titel: ‘Word uw mind de baas’.
Ze dronken hun koffie en praatten over de prachtige kleuren van het voorjaar en de geschiedenis van de begraafplaats. De vrouw vermeed elke vraag of zinspeling waarom Debby zo verdrietig was. Ze namen afscheid en Debby liep rechtstreeks met haar gift onder haar arm naar huis.

Debby kwam thuis met het boek dat ze van de vrouw op de begraafplaats had gekregen. Zonder aarzelen ging ze zitten en begon te lezen. Vanaf de eerste regel werd ze gegrepen door de tekst, de wereld om haar heen verdween even ergens in het oneindige heelal. Ze nam af en toe even rust om haar branderig aanvoelende ogen bij te laten komen. Zo snel mogelijk begon ze daarna weer te lezen. De mogelijkheden die beschreven stonden, waren zo veelzijdig en uitgebreid, dat ze af en toe van ongeloof spottend glimlachte. Zo zou ze met haar geest opdracht kunnen geven aan haar lichaam, om het te genezen. Depressies zouden verdwijnen, dat geloofde ze direct, want alleen al door het lezen, voelde ze zich nu opgewekter dan ze zich van de laatste tijd kon herinneren. Haar zintuigen zouden gescherpt worden, haar intuïtie zou haar gaan begeleiden naar ongekende mogelijkheden. Jaloezie, afgunst en verder alle negatieve emoties zouden verdwijnen en plaats maken voor positieve emoties zoals liefde, vergevingsgezindheid, vreugde. Problemen zouden haar niet meer ophouden, ze zou daar eenvoudige en snelle oplossingen voor vinden. Dit kon ze allemaal bereiken door een simpele oefening. Tijdens deze training kon ze haar geest in verschillende golflengten laten functioneren. Beta voor normaal actief gebruik zoals nu, Alfa voor controle over de geest in volkomen ontspanning en Theta voor een nog diepere ontspanning, maar daar moest je veel voor getraind hebben in alfa, aldus het boek.

Debby wist dat haar leven drastisch zou gaan veranderen. Tijdens het lezen had ze geen honger of dorst gevoeld. Nu ze het boek uit had, voelde ze haar maag borrelend vragen om voedsel. Ze pakte haar laatste beetje geld en ging naar buiten om naar een snackbar in de Aalsmeerweg te gaan, voor een culinair festijn. Ze stapte vrolijk neuriënd naar binnen. De chef achter de toonbank keek haar bestraffend aan.
“Wat nou, mag ik niet blij zijn of zo?” mopperde Debby.
“Wat mot je?”
“Doe maar een patatje oorlog, dat past wel in deze omgeving.”

Die avond besloot ze een oefening te doen om in Alfa te komen. Misschien zou ze dan eindelijk verlost worden van het haar constant lastigvallende verleden met al zijn vragen, al was het maar voor één minuut. Ze pakte het boek en zocht het gedeelte waar de oefeningen stonden. Ze las dat er drie manieren waren om je hersens in de alfastand te zetten.
Je kon je lichaamsdeel voor lichaamsdeel ontspannen, maar daar had je een instructeur bij nodig. Die techniek valt dus af, want die heb ik niet, dacht ze, en ze las verder.
Concentreren op je ademhaling: inademen voorstellen als blauw, uitademen als rood. Dat is voor als je snel even wil ontspannen of iemand die in paniek is, rustig wil krijgen. Ik ben totaal niet in paniek, dus die valt ook af, dacht ze. Dan was er nog de methode van achterstevoren terugtellen van honderd naar nul en tijdens het tellen proberen die getallen te visualiseren. Deze manier gebruikte ze. Ze ging eerst naar de wc om te plassen, want dat moest van het boek, ook als ze maar een beetje hoefde.

Ze ging op haar rug op bed liggen en begon terug te tellen. Na een zware strijd, beheersten de getallen haar gedachten, in plaats van haar kwellende verleden. Bij dertig was haar ademhaling, naar haar idee, vrijwel tot stilstand gekomen. Er bestond geen drukke wereld meer, er was voor het eerst in lange tijd alleen die goddelijke rust.

Jean

Hoofdstuk 11

Na ruim een week begon Jean last te krijgen van zijn rug en voeten.
Chien ook, want de zwarte kussentjes onder zijn poten kregen rode slijtplekken. Jean overdacht wat hij moest doen, rust nemen of kleinere afstanden lopen. Hij besloot tot kleinere afstanden. Zonder de regelmaat van werk en weekend raakte hij elk gevoel voor tijd kwijt. Alleen het verschil in dag en nacht speelde een rol in zijn tocht. De afspraak die hij met zijn vader gemaakt had over het opbellen, was wel altijd in zijn gedachten. Na een beetje rekenen wist hij dat het zondag was, de dag om zijn ouders te bellen. Door het denken hieraan voelde Jean zich depressief worden. Het werd zo erg dat hij dacht: was ik maar echt van die klif gesprongen. Chien voelde de stemming van zijn baas feilloos aan, hij probeerde hem met clownachtig gedrag zoals rondjes rennen, op te beuren. Toen dat niet hielp, ging hij rustig tussen de benen van Jean zitten. Af en toe keek hij naar zijn gezicht om te zien of er al verandering viel waar te nemen.

Jean stopte met vechten tegen de depressie. Hij voelde zich steeds dieper een wereld in gaan waar geen kleur of geur aanwezig was. Het landschap veranderde van een bos naar een woestijn van zwart zand. Hier heerste de dood. Hij begon fysieke pijn te voelen in zijn hele lichaam. De pijn in zijn borst was de meest beangstigende, maar gaf tegelijkertijd iets van geruststelling, want nu zou hij sterven aan een hartinfarct. Chien liet zijn oren nog verder zakken dan ze al deden. Urenlang zweefde Jean door de woestijn in zijn gedachten. Nergens was iets van hoop op verandering te bekennen. De pijn in zijn borst maakte plaats voor een verschrikkelijke hoofdpijn. Jammer, nu krijg ik toch geen hartaanval, maar als ik een hartaanval had gekregen wat moet er dan van Chien worden, dacht hij. Deze gedachte was het eerste teken van leven in zijn woestijn.

Om te proberen de hoofdpijn minder te laten worden, ging hij op zijn rug liggen op zijn bed van varens en dennentakken, met een blad van een grote plant die hij gevonden had, op zijn gezicht. Door het volledig tot rust komen, de koelte van het blad en de verduistering daardoor, verdween langzaam de hoofdpijn. In zijn gedachten verscheen Chien, die bij een aantal voor hem onbekende mensen was. Hij was broodmager en hij werd door een man geschopt. Dat nooit, dacht Jean. Enkele ogenblikken later sliep hij.

Het wakker worden was een strijd met zijn lichaam en geest. Al zijn spieren waren stijf en hij voelde zich nog steeds depressief. Hij keek om zich heen omdat hij wat miste, maar het drong nog niet tot hem door wat.
“Chien, natuurlijk, ik mis Chien, wat een idioot ben ik toch,” mompelde hij.
Hij begon de hond te roepen, maar die was weg. Zoeken had geen zin wist hij, want dan zouden ze elkaar alleen maar mislopen. Hij hoorde hem eerder aankomen, dan hij hem zag. Chien waar zit je nou, wilde hij roepen, maar daar was Chien al met een konijn in zijn bek dat hij zelf gedood had, want hij was nog warm. Dit ultieme geschenk was zijn manier om de leider, die duidelijk in moeilijkheden was, te helpen. Het hielp inderdaad. Tot zijn verbazing voelde Jean in enkele seconden de depressie verdwijnen. Hij knuffelde en prees de hond uitbundig, die hiermee volkomen gelukkig was. Met zijn mes vilde Jean het konijn. Van stenen bouwde hij een vuurplaats waar hij een vuur stookte. Met twee gevorkte takken maakte hij een houder voor een draaispit. Hierin plaatste hij het konijn, dat hij gespietst had op een lange verse tak. Boven de smeulende resten van het vuur grilde hij het konijn langzaam gaar. Chien kreeg de kop en de poten, die hij rauw opat. Als groente had Jean paardenbloembladeren die hij in een pannetje blancheerde. De thee die hij hierbij dronk, gemaakt van dennennaalden, smaakte prima. Dit was het eerste maal dat ze zelf uit de natuur hadden gehaald. De spirituele betekenis die hiervan uitging gaf het eten een nog betere smaak dan het al had. Nu weet ik wat Jezus bedoelde met zijn uitspraak: kijk naar de vogels in het veld, ze zaaien niet, ze maaien niet en toch hebben ze geen honger, dacht Jean.

Voor het eerste in jaren bad hij weer, maar nu niet voor een abstracte god die zo vaak misbruikt werd wanneer mensen dat uitkomt, maar voor diegene die de krachtige, alles gevende natuur mogelijk had gemaakt. Hierdoor besefte hij hoe schandalig weinig hij wist over de natuur en haar mogelijkheden om hem te voeden en te genezen. Zittend op zijn bed van takken probeerde hij te begrijpen wat er met hem aan het gebeuren was.
Door hier bewust over na te denken wist hij dat het vluchten voor zijn tegenstander niet de enige reden was voor zijn tocht. Nu begreep hij ook waarom pelgrims hun bedevaarten ondernamen. Jean stopte met nadenken over de reden, want het was iets dat moest gebeuren, ongeacht welke reden dan ook. Hij ruimde zijn kampplaats op om de natuur niet te verstoren, die hem zo goed had geholpen. Met deze geschonken maaltijd in hun maag, gingen ze vroeg op pad, omdat Jean niet wist wanneer hij een telefooncel zou tegenkomen. Al lopende vroeg hij zich af waarom hij zo ziek geworden was. Rond acht uur zag hij een telefooncel in een dorpje. Onmiddellijk voelde hij weer wat hij die middag gevoeld had, maar nu veel minder. Daarom word ik dus ziek, zodra ik aan thuis denk begint het, dacht Jean. Hij moedigde zichzelf aan: “Kom op Jean, je kunt het, daarna ben je vrij om jezelf te vinden en weer sterk te worden.”
Terwijl de tranen over zijn wangen rolden om het gemis van zijn familie, wist hij met grote moeite een munt in de telefoonkast te krijgen. Hij liet de telefoon drie keer overgaan en verbrak toen de verbinding. Weer stopte hij het tien frank stuk in de gleuf en draaide het nummer. In gedachten zag hij zijn ouders blij zijn met dit levensteken van hun zoon. Dat ze bij de telefoon zaten, daar twijfelde hij geen moment aan.

Opgelucht liep Jean verder. Aan alle verplichtingen had hij voldaan. Nu kon hij aan het herstel van de schade, die hij had opgelopen door alles wat hij in zijn leven had meegemaakt, beginnen. Chien liet zijn hoofd zakken en was duidelijk niet gelukkig.
“We gaan een mooi plekje zoeken om rust te nemen, we hebben het alle twee verdiend.”
Chien hoorde de geruststellende toon in Jeans stem, ondanks de pijn die hij in zijn poten moest hebben, kwispelde hij hierdoor met zijn staart.
Jean nam hem op zijn nek, tot ze om een uur of twaalf een gehucht bereikten waar geen leven was te bekennen. In de omgeving van grotere steden was er dag en nacht leven, maar op het platteland was het om tien uur al volkomen uitgestorven. Ze naderden een vuilnisbak die onder een lantaarn was geplaatst. De lantaren was bevestigd aan een meer dan drie meter hoge muur. Dit was niet zo bijzonder, dat hij nog brandde wel. Jean zette Chien op de grond en begon in de vuilnisbak te kijken. Chien had al gehoord dat er boven aan de muur iemand aanwezig was. Als tweede man in de roedel zijnde, was hij op zijn hoede voor eventueel gevaar van boven. Jean kon niets bruikbaars vinden. Terwijl hij het deksel van de container dicht deed, hoorde hij het karakteristieke geluid van iemand die iets uitspuwt. Tegelijkertijd voelde hij een tik op zijn hoofd. Chien ontblootte zijn tanden en gromde, want het alfamannetje werd nu fysiek bedreigd. Jean voelde op zijn hoofd en pakte een kersenpit die in zijn haren zat geplakt. Hij keek naar boven waar hij vandaan moest komen, maar zag alleen het lamplicht. In een opwelling stopte hij de pit in zijn rugzak. Een vrouwenstem met een zéér aangename klank, riep vanaf de muur:” Die lelijke hond heb je zeker ook in een vuilnisbak gevonden.”
“Bijna goed geraden, hij zat vastgebonden aan een touw bij een verlaten parkeerterrein.”
“Mensen zijn varkens.”
“Dat mochten ze willen.”
“Precies. Wil je ook een paar kersen?”
“Graag.”
“Je bent toch geen crimineel of gevaarlijke gek?”
“Nee, maar als ik dat zou zijn, zou ik het niet zeggen.”
“Touché, Ik vertrouw je wel. Kom ze maar halen, de poort is los.”

Chien voelde de vriendelijkheid in de vrouwelijke stem, maar bleef niettemin waakzaam. Jean ging de poort, waarachter een stenen trap was uitgehouwen, door. De muur bleek de grens van een met gras bedekt plateau te zijn, waarop een stoel stond waar de kersenpitwerpster in zat.
Hij schatte haar tussen de twintig en dertig jaar. Ze had kort bruin haar en bijpassende ogen. Ze was niet knap in de zin van de televisie of de modebladen, maar ze had een sympathiek en open gezicht, verder was ze hélemaal ‘Frans’. Haar figuur kon wel zo in de bladen. Ze ging staan en kwam hem tegemoet. Ze stelde zichzelf voor als Nina en vroeg: “Ben je een zwerver?”
“Nee, ik ben een pelgrim op weg naar Santiago de Compostella, maar ik stink wel als een zwerver.”
“Ik geloof je direct,” klonk het spottend.
“Oké, ik lieg, ik ben een verkoper van veters en aanverwante artikelen.”
“Je wilt dus niet zeggen waarom je op deze manier onderweg bent. Prima, het kan mij ook niets schelen.”
Chien had de vrouw bestempeld als het alfavrouwtje van de groep en was bij haar op schoot gesprongen, om in de gunst te komen.
“Lekkere trouwe hond heb je bij je.”
“Hij heeft mensenkennis.”
Die opmerking voelde ze als een compliment, wat het ook was.
“Wil je eerst kersen of eerst iets aan je stank doen?”
“De kersen.”

De zoete kersen smaakten Jean geweldig. Nina had hem zitten opnemen en vond hem niet alleen aardig, maar ook leuk om te zien. Jean vond het een zéér welkome afwisseling om weer eens met een mens te praten, in plaats van een hond, hoe slim ook.
“Zullen we je eerst voorweken in het zwembad en daarna chemisch reinigen in een ligbad? Scheren kan eventueel ook, hoewel die baard je wel goed staat.”
“De baard blijft, want ik haat scheren.”
“Ben je verlegen?”
“Ik niet.”
“Dat komt goed uit, want ik zwem altijd in mijn blootje.”
“Ik heb geen zwembroek bij me, dus als je het niet erg vindt?”
“Nee, integendeel.”
Jean moest glimlachen om de opmerking. Ze liepen om het huis heen waar aan de achterkant een enorme tuin was met een groot zwembad. De tuin werd begrensd door een dichte haag, waarachter een bos lag. Jean had tot dan toe geen enkel teken gezien dat het huis door meerdere personen bewoond zou zijn. Er stond één ligstoel bij het zwembad.
Op het grote, gedeeltelijk overdekte, terras stond een hardhouten tuin set waarvan op één stoel een kussen lag.
“Woon je helemaal alleen in dit grote huis?” informeerde Jean verbaasd.
“Gelukkig wel, want mijn ouders zijn nogal irritant aanwezig als ze er zijn, wat vrijwel nooit voorkomt.”
Jean moest lachen om de komische manier waarop ze dit vertelde, maar hij hoorde ook het verdriet in haar stem.
“Waar zijn je ouders?”
“Op het moment dat ze mij konden dumpen op de academie voor de beeldende kunsten, is mijn vader met een tropische verrassing, die jonger is dan ik, naar een warm eiland gegaan. Mijn moeder verwijt mij dat ik haar figuur verpest heb en daarmee haar kans op een danscarrière. Zij is er, totaal gefrustreerd, met een Rus vandoor.”
“Ik hoop voor haar dat het iemand is die bij het Bolsjoiballet is weggetrapt, dan kunnen ze samen een gefrustreerde pas de deux opvoeren in hun woonkamer.”
“En jouw ouders?”
“Schatten van mensen.”

Even was daar een ongemakkelijke stilte. Nina wilde vragen naar een eventuele vrouw van Jean, maar ze durfde niet. Jean zag haar aarzeling.
“Mijn vrouw heeft mij verlaten en is samen met haar nieuwe vriend vermoord.”
“Ik weet genoeg. Geef mij al je kleren maar, dan stop ik die alvast in de wasmachine. Ondertussen kan jij het zwembad induiken.”
Chien schrok wakker door de plons waarmee Jean in het zwembad dook. Jean riep hem, maar Chien was niet zo gek op water en deed of hij het niet hoorde.
Voor zijn gevoel moest Jean veel te lang wachten op Nina, maar ze was het geduld waard, want in het licht van de terraslampen en de zwembadverlichting leek ze wel een fee, een naakte fee. Jean kon niet stoppen met naar haar te kijken. De uitdagende manier waarop ze naar het zwembad bewoog was te opwindend om te negeren, zelfs uit beleefdheid. Dat was ook haar bedoeling, want ze had zich voorgenomen om met hem te vrijen, als hij dat wilde. Ze wilde zijn reactie zien op het voorstel dat ze op deze manier deed. Die was precies zoals ze had verwacht. Heel af en toe keek Chien op toen Nina en Jean zich verplaatsten van het zwembad naar het bad in huis, waar alleen een paar kaarsen licht gaven. De geuren die Chien rook en de geluiden die hij hoorde, waren nieuw voor hem, maar ze waren prettig en zonder gevaar. Jean liet hem in de tuin waar hij zijn behoefte kon doen. Op het terras koos Chien een plekje op een kussen om verder te slapen.

De volgende dag werden Nina en Jean samen wakker. Na een paar baantjes zwemmen en daarna douchen, zaten ze op het terras aan het ontbijt. Er was eten in overvloed dus Chien vond het niet nodig om te gaan jagen, bovendien was de baas erg gelukkig. Hij ging bij Nina zitten die hem aanhaalde, enigszins schuldbewust keek hij af en toe naar Jean. Het verbaasde Jean dat hij niet ging spinnen als een kat. Jean genoot van Nina’s gezelschap. Om weer weg te gaan, zou hij nu al moeilijk vinden. Veel erger kon dat niet worden, daarom besloot hij een paar dagen te blijven. Dat hij verder moest om datgene te doen wat hij nodig vond voor zijn verdere ontwikkeling, stond vast. Een paar dagen pauze, dat kon hij zich wel permitteren. Het zou voor de hond ook beter zijn.

Nina nodigde Jean uit haar atelier te bekijken. Hij was onder de indruk van de kwaliteit en de originaliteit van de schilderijen.
“Daar zal je er wel veel van verkopen?”
“Nee, ik schilder voor mijn plezier.”
“Ze zijn prachtig.”
“Ik heb ooit een miniatuurtje van mezelf gemaakt als opdracht op de academie. Dat mag je wel hebben.”
“Wat schitterend, daar zal ik zuinig op zijn, bedankt.”

Ze brachten drie dagen samen door, waarin ze praatten, luierden en vreeën.
De liefde die ze voor elkaar voelden, kon alleen in dit vrijen tot uiting komen. Van wat Jean haar verteld had over wat hij had meegemaakt, wist Nina dat er voor hen, op dit moment, geen mogelijkheid was om bij elkaar te blijven. Ze vond het jammer, maar het stond het genieten wat ze op dat moment van elkaar deden niet in de weg.

Chien was helemaal idolaat van Nina. Hij volgde haar overal waar ze ging, behalve in het zwembad. Nina had af en toe laten merken dat ze Chien wel zou willen houden. Jean overwoog wat het beste was en hij besloot de hond bij haar te laten.
“Je mag Chien lenen als je wilt. Ik hoop dat er ooit een dag komt dat ik hem weer kan ophalen.”
“Afgesproken.”
Meer zeiden ze niet, op deze manier was het afscheid dragelijk voor zowel Nina als Jean. Jean deed zijn rugzak om. Chien raakte in verwarring, want zijn alfavrouwtje maakte geen aanstalten om mee te gaan. Dit was niet zoals het zou moeten gaan. Het afscheid was dus voor alle drie moeilijk en daarom snel. Met zijn miniatuur zorgvuldig ingepakt, vertrok Jean de nacht in.

Bram

Hoofdstuk 12

Het zeil stond mooi bol en de fok strak. Met een pittig gangetje zeilde Jane richting het eiland. Achter haar verscheen een gouden rand om een potentieel dodelijke wolk. Voor de betoverende schoonheid van dit tafereel had ze geen belangstelling, wel voor de snelheid waarmee hij haar naderde.
Haar blijdschap over de opgestoken wind verdween in één seconde door een plotselinge windvlaag, vanaf de andere kant. Hierdoor sloeg het zeil om, maar met een snelle duik kon ze net de giek ontwijken. Hijgend van schrik keek ze om zich heen, in de hoop een oorzaak te vinden voor de plotselinge windvlaag. Het enige wat ze zag was de immense onweersbui met zijn gouden rand, die nu angstig dichtbij was. Ze dacht: wat een raar weer, dit heb ik nog nooit meegemaakt. Bewegingloos lagen ze op het water. Dan maar op de motor, dacht ze en met een enkele ruk aan het starttouw begon de Evinrude te lopen. Ze gingen nu weer in een geruststellend tempo vooruit. Door de helmstok vast te zetten, had ze haar handen vrij om het grootzeil te laten zakken. De fok liet ze staan voor als het weer mocht gaan waaien. In de verte hoorde ze de eerste donder traag over het water aan komen rollen. De kleine Jan was zich nergens van bewust en speelde op de bodem van de boot met zijn nieuwste auto, die hij van zijn opa en oma had gekregen.
In gedachten begon Jane steeds de woorden: ik haal het wel, te herhalen. Op die manier stelde ze zichzelf gerust, tot de motor begon te stotteren en stopte. Ze draaide de tankdop eraf en peilde het benzineniveau. De tank was leeg. Snel dook ze in het vooronder om de reservetank te pakken, maar ze zag hem niet. “Verdomme, dat is waar ook, die heb ik vanwege het onderhoud eruit gehaald,” mompelde ze in zichzelf. In de verte kon ze de veilige rietkraag al zien. Gehaast begon ze met de noodpeddel te roeien. Het onweer naderde echter veel sneller dan zij kon peddelen. Met woorden als “wat ben ik toch een eigenwijze trut,” begon ze tegen zichzelf te schelden. Het begon te regenen en met vlagen hard te waaien. Ze kreeg weer hoop: “Die regen mag je houden, maar bedankt voor de wind,” fluisterde ze. Ze trok de fok strak, waardoor ze een redelijke snelheid maakte. Het grootzeil durfde ze niet te hijsen, want uit ervaring wist ze dat er in buien vaak rukwinden voorkwamen, waardoor ze kon kapseizen. De kleine Jan werd nu bang en kroop tegen zijn moeder aan. De bui was nu vlak bij haar en ze begon haar strategie te bedenken.
De normale route door het kanaal kon ze niet nemen, want die duurde veel te lang en daar ze had ook geen benzine voor. Die optie had ze al overboord gezet. Kon ze bij de steiger van Simon komen, dan kon ze bij hem schuilen. Lukte dat niet, dan zou ze naar een van de eilandjes varen.
Het enige probleem was om de boot uit de buurt te krijgen, want daar zou makkelijk de bliksem in kunnen slaan. Een meter of tien voor de kust zou ze de boot een kwartslag laten draaien en dan eruit springen. De boot zou doorvaren, zijzelf zou met de kleine Jan naar het eilandje zwemmen. Daar kon ze, terwijl ze zich zo klein mogelijk te maakte, de bui afwachten. Een ding was ze bezig te vergeten: hagel.
De snel invallende duisternis maakte het zicht erg slecht. De slagregen maakte dat nog erger. Het onweer raasde nu op volle kracht. De kleine klemde zich bij elke klap aan zijn moeder vast. Bij de volgende bliksem zag ze de steiger van Simon. Dat ga ik redden, dacht ze. De regen ging over in hagel, die haar een helse pijn over haar hele lichaam bezorgde. Ze boog zich over de kleine heen om hem te beschermen tegen die regen van ijs. Nog twintig meter, dan was ze bij de steiger van Simon en in veiligheid.

Zo snel als hij kon reed Bram, met de onweersbui steeds nadrukkelijker aanwezig in de binnenspiegel van zijn auto, naar Alkmaar om zijn broer op te halen. Zonder onbeleefd te zijn, nam hij hem zo snel mogelijk mee naar zijn auto. Met geen woord had Bram gerept over de actie van Jane, want hij wilde zijn ouders niet ongerust maken. Tijdens het lopen naar de auto begon het te regenen. Het gaf Bram hoop dat de bui meer richting Alkmaar was getrokken dan naar Akersloot. Sommige bliksems die ze zagen, leken absurd lang in de lucht te weerkaatsten. Brian plaatste er een opmerking over: “Het lijkt wel of de bliksem echoot.”
Een korte, maar alleszeggende brom, was het antwoord van Bram.
Zijn aandacht was volledig gericht op de weg, vanwege de duisternis en de zware regen. Zijn gedachten waren chaotisch, het was een mengeling van bidden om het veilig zijn van Jane en zichzelf geruststellen. Hij vertelde Brian wat Jane aan het doen was.
“Ze redt zich wel,” probeerde Brian, zonder veel overtuiging, Bram gerust te stellen.
De mannen reden naar De Wouden. Beiden hadden ze een afschuwelijk voorgevoel. Eenmaal buiten de stad kregen ze zicht op de omvang van de bui. Zover ze konden zien, onweerde het om hen heen. De hoop dat de bui zich tot Almaar zou beperken was verdwenen.

Jane bereikte de steiger van Simon. De golven en de wind ramden de boot tegen de palen. Met haar zoon in haar armen sprong ze uit de boot op de steiger. De helse pijn van de hagel voelde ze niet meer. “Ik heb het gehaald, ik heb het gehaald,” mompelde ze huilend van opluchting. Met de kleine tegen zich aangedrukt begon ze te rennen, richting het huis van Simon. Ze rende over het grasveld, tot ze de deksel van de beerput bereikte. De onverbiddelijke natuurwet, de bliksem zoekt altijd de makkelijkste weg, trad hier meedogenloos in werking. Het betonijzer in de put was een uitstekende geleider voor stroom, Jane en de kleine verlengden dat net voldoende. Ze kregen de volle, alles verschroeiende, bliksem door zich heen, op minder dan dertig meter van het huis.

Omdat de pont bij De Wouden uit bedrijf was vanwege het noodweer, stonden Bram en Brian in de auto op het parkeerterrein te wachten.
De broers praatten weinig, een enkele opmerking over de pont of het verdwijnende onweer werd er gemaakt. Bram maakte zichzelf verwijten dat hij niet harder was opgetreden tegen Jane haar eigenwijsheid.
Hij had bij de haven door kunnen rijden, dan had ze niet met de boot weg gekund. De daaropvolgende ruzie had hij voor lief moeten nemen.

Na een uur was het weer verantwoord voor de schipper van het voetgangerspontje, om te gaan varen. Staande in de regen voeren ze naar de overkant. De schipper stond naast hen: hij was de eerste waar Bram aan kon vragen of hij iets had gehoord van Jane. Het antwoord was verontrustend: “Nee, was ze dan onderweg hierheen in dit weer?”
Het verwijt was er niet, alleen verbazing, maar Bram voelde het wel als zodanig. Bram moest zichzelf dwingen het café binnen te gaan, om daar te vertellen wat er gebeurd was. Zijn “ze wilde per se met de boot,” klonk in zijn eigen oren als een heel zwak excuus voor zijn falen. De aanwezigen wisten hoe ‘hun’ Jane was en begrepen het gruwelijke dilemma waarvoor ‘hun’ Bram had gestaan. Onmiddellijk werd een grootscheepse zoektocht gestart. Iedereen op het eiland gaf de boodschap door, Simon via de telefoon omdat hij zo afgelegen woonde. Omdat hij geen idee had wat hij eventueel zou kunnen aantreffen, instrueerde hij zijn vrouw: “Jij blijft bij de kinderen en de telefoon. Ik ga zoeken.”
Simon ging naar buiten en zag direct, richting zijn steiger, een mast.
Dat moest de boot van Jane zijn, daar twijfelde hij geen seconde aan.
Had Jane daar in gezeten, dan was ze zeker naar zijn huis toegekomen.
Ze is dus overboord geslagen, misschien is ze ergens naar de oever gezwommen, was zijn redenering. Hij begon naar de steiger te rennen, waar hij een groot deel van de waterkant kon overzien. Al na een paar passen zag hij in het gras een lichaam liggen. Alle wilskracht die hij had, was nodig om door te lopen en te gaan kijken. Aan de restanten van haar kleren kon hij zien dat het Jane was. Door de intense hitte was de kleine, zoals voor zijn geboorte, versmolten met zijn moeder. Simon veranderde in een door adrenaline gestuurde robot, want er moesten dringende zaken geregeld worden. Zijn gezicht werd een masker van pijn en concentratie.
Hij liep met robotpassen naar zijn huis terug. Zijn vrouw zag hem aankomen en herkende hem nauwelijks.
“O, mijn god,” mompelde ze doodsbang, terwijl ze hem tegemoet liep.
“Snel, stuur de kinderen naar hun speelkamer,” zei Simon.
Zijn vrouw bracht de kinderen weg. Op hun vraag waarom, antwoordde ze: “Omdat pappa ziek is.”
Aan de klank van hun moeders stem wisten de kinderen dat hier niet over viel te praten. Een beetje angstig, maar wel gehoorzaam, zaten ze bij elkaar in de speelkamer. Zij voelden feilloos de spanning aan die er heerste bij hun ouders. Waar zijn vrouw al bang voor was, kreeg ze bevestigd door de woorden van Simon: “Ze liggen hier dood in de tuin, bel de politie.”
De stem van Simon herkende ze, net als zijn gezicht, nauwelijks. Ook zij werd gestuurd door een kracht die ze nooit eerder had gevoeld. Zonder hem iets te vragen belde ze de politie. Simon liep naar de slaapkamerkast en pakte daar een deken uit. Terwijl de tranen over zijn wangen liepen, stapte hij over het gras naar de lichamen van Jane en de kleine toe.
Met een teder gebaar spreidde hij de deken over hen heen. Langzaam raakte de adrenaline uitgewerkt en met een kreet van afgrijzen zakte hij op zijn knieën naast hen in het gras. Daar zat hij nog toen de politie arriveerde.

Een speciaal traumateam van de politie was zo snel mogelijk naar Bram toegegaan om te vertellen wat er gebeurd was. De arts had Bram direct medicijnen gegeven om te kunnen blijven functioneren. Ondanks deze medicijnen was Bram volledig in de war. Joke en Brian bleven bij hem om hem te assisteren bij wat er gebeuren moest. Voorzichtig vroeg Joke: “Wil je zien waar ze liggen?”
“Nee, ik zal ze mij voor de rest van mijn leven herinneren zoals ze waren,” klonk het, nauwelijks verstaanbaar, tussen zijn snikken door.
Brian en Joke bleven die nacht bij hem. De volgende dag gingen ze met hem mee naar de ouders van Jane, om de uitvaart te bespreken. Alle aanwezigen in de kamer wisten dat Bram en de ouders van Jane volledig zouden instorten wanneer ze over een schuldvraag, of de oorzaak waarom Jane was gaan varen zouden gaan praten. Het gesprek beperkte zich tot de details voor de uitvaart. Tijdens een alcoholisch samenzijn met vrienden, hadden ze weleens gesproken over hoe ze begraven of gecremeerd wilden worden. Jane had gezegd: ”De Ramons moeten spelen bij mijn crematie en mijn as moet, vanuit mijn boot, over het Alkmaardermeer uitgestrooid worden.”
Bram was van plan om aan deze wensen te voldoen. Hij vertelde dit aan zijn schoonouders, die hier volledig mee instemden. In de omhelzing bij het weggaan, voelden ze elkaars intense verdriet. Bram voelde door de innige omhelzing dat hem niets verweten werd. Hij was de enige die zichzelf wél schuldig vond.

Hoofdstuk 13

De begrafenis was van ongekende omvang. Dat kwam omdat Jane en Bram héél erg populair waren op hun werk en in de dorpen De Woude en Akersloot. De stoet auto’s naar het crematorium werd zo veel mogelijk beperkt door carpoolen, maar de lengte van de stoet was evengoed enorm. Veel mensen uit de dorpen waren er al op eigen gelegenheid heengegaan, waardoor het parkeerterrein vrijwel vol was. Alleen de daarvoor genodigden kregen toegang tot de rouwkamer en het rituele verdwijnen van de kist. De vader van Jane was als enige van de familie in staat om, tussen zijn huilen door, een korte speech te houden. De nadruk lag hierbij op haar geweldige karakter, maar ook op haar eigenwijsheid. Iedereen begreep waarom hij dat deed. Die woorden waren bestemd voor Bram, maar ze namen niets weg van zijn steeds sterker wordende schuldgevoel. Buiten de familie spraken de voorzitter van de zeilvereniging en de baas van haar werk ook zeer kort.
De Ramons, die al een aantal jaren waren gestopt met optreden, waren voor deze gelegenheid weer bij elkaar gekomen. Ze speelden het eerste nummer van hun optreden in het openluchttheater in Bergen, waar Bram en Jane voor de eerste keer met elkaar uitgegaan waren. Ondersteund door zijn broers strompelde Bram naar de auto. Langzaam vertrok, in serene stilte, de armada van auto’s.

De volgende dag herhaalde zich het tafereel op het Alkmaardermeer, maar nu met boten. De eigenaren van de boten namen iedereen die geen schip had, mee. In de zeilboot van Jane zaten Bram, Simon en Jane’s ouders. Ieder van hen strooide een deel van de as van Jane en de kleine, over het door Jane zo geliefde meer. Bram bleef nog een tijd onder de medicijnen. Hij had constant gezelschap van Joke of Puk, tot hij zich weer zoveel hersteld voelde dat hij hier met zachte hand een einde aan maakte. De pijn van de herinneringen was zo groot dat Bram besloot het huis, waar ze zo gelukkig in waren geweest, te verkopen. Bram wist dat een nichtje van Jane, waar Bram het altijd heel goed mee kon vinden, het huis wilde kopen. Omdat zijn schuldgevoel zijn leven steeds meer begon te beheersen, was hij niet meer in staat iemand van Jane’s familie te ontmoeten. Daarom had hij aan Rik gevraagd die zaken voor hem te regelen. Rik stelde voor om het door een expert te laten taxeren. Het nichtje kon het dan voor die prijs kopen. Bram voelde hier niets voor. Hij vond dat het huis van Jane’s familie was. De gedachte dat hij daar winst op zou maken, kon hij niet verdragen. Het nichtje kon het huis kopen voor dezelfde prijs als waar Jane en Bram het voor hadden gekocht. De boot en alle bezittingen van Jane gingen, op een paar persoonlijke dingen na, naar haar ouders.

Via een bevriende relatie kocht Bram een boerderij in de Wieringermeer, vlak bij Schagen. Dit perceel kon hij goedkoop kopen, omdat er geen bouwland bij was. Het bestond uit een woonhuis met een enorme aangebouwde schuur en een tuin van ongeveer drieduizend vierkante meter. Hier trok hij zich terug in zijn eigen wereld, een wereld waar altijd de doffe pijn van het verlies de boventoon voerde. Hij zag alleen zijn ouders nog, andere mensen kon hij niet om zich heen verdragen. De familie van Jane niet, vanwege zijn schuldgevoel tegenover hen. Zijn broers en schoonzussen niet, vanwege de herinneringen aan de tijd samen met Jane. Het enige contact dat hij met ze had, was voor de boekhouding van de broers hun bedrijf. De familie van Jane en van Bram hadden wel contact met elkaar. Ze hoopte allemaal dat hun Bram ooit uit zijn apathie zou ontwaken. Simon en de rest van zijn vrienden probeerden nog wel om contact te houden, maar hij hield elke poging af tot ze het
Opgaven. Om niet volledig in te storten, werkte Bram zo veel mogelijk. In de avonduren studeerde hij om bezig te zijn.

Jane’s ouders misten hem vreselijk, want ze waren dol op hun Bram. Ze begrepen wel waarom hij hen niet meer onder ogen kon komen en wachtten af tot hij daar weer toe in staat zou zijn. Het proces van herstel verliep heel langzaam, maar het was er wel. Op een dag zag hij op de verjaardagskalender, de namen Ken en Fons staan, de tweeling van Joke en Brian. Hierdoor begon er in zijn geest een worsteling: zou hij daar wel of niet heen gaan. De gelegenheid was uitgelezen, want iedereen van zijn familie was daar aanwezig. Hij hoefde, door de aanwezigheid van vreemden, niet bang te zijn dat ze over het verleden zouden gaan praten.
Na een lange aarzeling kocht Bram een paar cadeaus voor de jongens en vertrok naar Amsterdam. Even had hij gedacht zijn komst aan te kondigen, maar dat durfde hij niet, want nu kon hij altijd op het laatste moment afhaken, mocht hij het toch niet kunnen opbrengen. Met veel geluk vond hij een parkeerplaats. Hij stapte uit zijn auto met de twee pakjes voor Ken en Fons. De jongens stonden op de uitkijk om te zien wie er nog kwamen, want nog niet iedereen was op het feest aanwezig. Iedere langsrijdende auto bekeken ze, tot Ken een rode Volvo voorbij zag rijden.
Hij liep naar Fons en fluisterde: “Volgens mij reed oom Bram net voorbij.”
“Meen je dat nou?”
“Het was een rode Volvo.”

Zwijgend en gespannen keken de jongens naar buiten of het inderdaad hun oom Bram was. Ze durfden het tegen niemand te zeggen, want als ze het verkeerd hadden, zou de teleurstelling groot zijn. En dan kwam de ontlading, want Bram liep voorbij het raam en kwam het tuinpad op. Huilend en brullend van vreugde stormden ze gillend, “Oom Bram is er, oom Bram is er,” naar de voordeur, de rest van de visite in verbijstering achterlatend. Ze rukten de deur open en vlogen Bram om zijn nek en voor het eerst sinds ze zichzelf daar te groot voor vonden, kusten ze hem. Niemand stelde een vraag of plaatste een opmerking. Hij werd weer in de groep opgenomen, of hij nooit weg was geweest.

Af en toe ging Bram bij zijn broers eten. Tijdens die samenkomsten voelde iedereen het schild tegen de wereld, dat Bram nog steeds om zich heen had. Zijn broers vonden het erg, maar wisten dat hij uit zichzelf die afstand tussen hen in moest opheffen; ze wachtten dat rustig af. Puk niet, ze had erg veel verdriet over de manier waarop Bram leefde. Ze was nu nog veel gekker op hem dan de eerste keer dat ze hem op het kantoor van haar en Jane zag verschijnen. Zij was degene die af en toe probeerde hem te koppelen aan een, volgens haar, geschikte kandidate. Soms was het een cliënt van het bedrijf, soms iemand die ze in de sauna tegenkwam of op een feestje. Ze dacht dat ze het onopvallend deed, door een etentje te organiseren waar Bram ook ‘toevallig’ bij was. Bram stond de betreffende vrouw beleefd te woord, maar daar bleef het bij. Hij was niet blij met de pogingen van Puk, maar zei hier niets van. Hij was op zijn beurt ook gek op zijn schoonzusje. In geen geval wilde hij haar kwetsen of verdriet doen. Na vijf pogingen nam Rik zich voor hier met Puk over te praten. Ze voelde direct aan waar hij over wilde hebben. Al zijn charme en welwillendheid had hij nodig om haar niet kwaad te laten worden tijdens het gesprek. Heel even dacht ze erover om te ontkennen dat ze Bram probeerde te koppelen, maar Rik omarmde haar liefdevol en fluisterde in haar oor: “Ik vind het ongelofelijk lief wat je voor Bram probeert te doen, maar hij wil niet. Laat hem met rust, des te eerder groeit hij er overheen.”
Elkaar omhelzend stonden ze te huilen, om de herinnering aan wat er allemaal gebeurd was. Puk stopte haar pogingen, maar het was niet uit haar gedachten.


Debby

Hoofdstuk 14

Debby oefende meerdere keren per dag en na een week telde ze van tien naar nul en was in alfa. Nu ze dit goed beheerste, voelde ze zich elke dag sterker en vrolijker worden. In het boek stond dat, wanneer ze de techniek goed beheerste, ze de volgende stap kon zetten: het creëren van een veilige plaats. Als voorbeelden stonden in het boek: een open plek in het bos, een kamer, of een tropisch eiland. Op deze plaats was zij volkomen de baas, niemand kon zonder haar toestemming die plek betreden of haar op welke manier dan ook kwaad doen. Dat tropische eiland trok haar wel aan. Ze ging in plaats van op bed liggen, op de bank zitten. Volgens het boek moest dat ook kunnen.

In alfa probeerde ze een tropisch eiland te laten verschijnen. Het duurde even, maar ze kreeg het voor elkaar. De zee spoelde met een rustig en prettig geluid op de brede zandstrook aan. Ze begon over haar strand te lopen. Hier en daar lagen stukken dood hout die ze mooi van vorm vond. Ze zag een lekker plekje en ging zitten. Zo bleef ze een tijdje op haar eiland zitten genieten. Ze beëindigde de oefening en zat verkwikt op de bank na te genieten. Ze oefende dit tot ze het volkomen beheerste. Volgens het boek was nu de volgende stap, het toelaten van iemand op dat eiland. Op deze manier kon je iemand waar je bijvoorbeeld bang voor was, toch in je gedachten laten komen, want je kon hem op elk gewenst moment laten verdwijnen. In een normale situatie durfde je dat niet, want die persoon nam je gedachten dan volledig in beslag, zonder dat je daar wat aan doen kon.

Op een avond visualiseerde ze haar eiland. Na een korte aarzeling liet ze haar moeder toe op haar plek. Ze begon een ‘gesprek’ met haar: waarom de dingen zo waren gelopen zoals ze waren gelopen. De flarden die Debby’s moeder vroeger verteld had over haar eigen jeugd, kwamen, na lang verdrongen te zijn geweest, weer in Debby’s gedachten terug.

Haar moeder was door haar moeder bij de politie afgeleverd toen ze vijf jaar oud was, met het verhaal dat ze een onmogelijk kind was en dat ze haar niet meer wilde. De totaal verbijsterde politie begon een onderzoek en ontdekte dat mamma haar nieuwe vriend de mamma wel wilde, maar haar kind niet. Ze kwam terecht in een tehuis waar ze moest vechten voor haar bestaan. Verschillenden keren werd ze meegenomen door pleegouders die het, de meeste keren, voor het geld deden. Haar hunkering naar erkenning en liefde speelde haar parten, want dat was voor de pleegouders te veel gedoe. Zo groeide ze op tot ze Debby’s vader tegenkwam. Debby zag nu alles beter in het perspectief dat het verdiende, nu bewust wetend waarom de poging van haar moeder om uit haar verleden te ontsnappen, was mislukt. Ze sloot het ‘gesprek’ af met een gevoel van vrede en vergevingsgezindheid.

Ze voelde zich elke dag sterker worden en in volledige harmonie komen met zichzelf en haar omgeving. Door de nieuwe energie die door haar lichaam raasde, begon ze de behoefte om werk te zoeken te voelen. Nu ze zichzelf en haar mogelijkheden leerde kennen, besloot ze niet meer bij een bank te solliciteren. In plaats daarvan zocht ze een baan met meer afwisseling. Ze gaf zichzelf alle tijd om iets te vinden.  Een paar weken later zei haar door de training gescherpte intuïtie tegen Debby: ga naar de supermarkt. Ze trok haar jas aan en ze wandelde, van de schaarse bloemen in haar omgeving genietend, rustig naar de winkel. De kinderen die op de stoep speelden, maakten haar nog blijer dan ze al was. Rustig slenterend liep ze door de supermarkt, zoekend naar datgene waarom haar intuïtie haar had gestuurd. Ze kocht wat eten voor die avond, liep naar het einde van de winkel om af te rekenen en dacht: verkeerde intuïtie. Bij de kassa plaatste ze haar boodschappen op de band en betaalde. Met de winkelwagen liep ze naar buiten om hem bij de andere karretjes te plaatsen. Ze zag een krant liggen in het tweede wagentje in de rij en wist meteen dat dit de reden was van haar intuïtieve aandrang om naar de supermarkt te gaan. Met veel moeite wist ze het blad uit het karretje te peuteren. Zeer tevreden over haar actie ging ze naar huis.

Ze begon de krant met veel aandacht uit te pluizen, tot ze het zag:
Gezocht: receptioniste en telefoniste, ervaring niet nodig, enthousiasme wel. Enige kennis van de Franse taal is een pre. Bereid zijn om af en toe voor (langere) tijd in Frankrijk te verblijven.

Dit was de baan voor haar, dacht ze. Ze begon bij zichzelf na te gaan of ze geschikt was voor deze functie.
Ervaring niet nodig: dat komt goed uit, want die heb ik niet.
Enthousiasme: daar barst ik van.
Enige kennis van de Franse taal: die heb ik van de mavo en de vakanties. Bereid zijn om af en toe in Frankrijk te werken: dát in ieder geval, het liefste permanent. Ik ben dus helemaal geschikt voor deze baan, was haar conclusie. Ze solliciteerde en werd uitgenodigd voor een gesprek. De dag waarop Debby ging solliciteren kocht ze, voor weinig geld, een neutraal stelletje, bestaande uit een zwarte rok, een witte bloes en een bijpassend jasje. Hier kwam haar mooie figuur goed in uit zonder daar de nadruk op te leggen. Ze trakteerde zichzelf, op een kopje koffie en een broodje bal. Ze nam nog een chocolademilkshake toe, waar een klein beetje likeur in zat en die de lekkerste was die ze ooit had geproefd.

Rustig wandelend, ging ze richting het bedrijf waar ze ging solliciteren.
De tinteling en geur van de lente hing in de lucht. Het lentezonnetje streelde haar gezicht en ze kon zich nauwelijks beheersen om te gaan zingen. De vogels waren al met elkaar aan het vechten om het beste nestmateriaal. De heerlijke geur van de krokussen kwam, bij een windvlaagje uit de juiste richting, in haar neus. Nu veroorzaakte dat geen slechte herinnering meer aan haar moeder. Ze keek naar de drukke vogels en dacht: wie van jullie op mijn nieuwe kleren schijt, krijgt spijt. Ze glimlachte om haar idiote gedachte en wandelde opgewekt verder.

Ruim op tijd arriveerde ze bij het bedrijf. Het was een reisbureau dat zich had gespecialiseerd in groepsreizen met een thema, zoals wandelen. De wandelaars werden naar Frankrijk gebracht in een kleine luxe bus. Daar werden ze ondergebracht in een chambre d’hote of in villa’s. Vandaar werden ze, na een uitgebreid ontbijt, naar een bepaald startpunt gebracht en met een kaart en kompas konden ze dan over een speciaal op schoonheid geselecteerde route wandelen. Onderweg aten ze hun lunchpakket op dat ze meegekregen hadden. Bij het eindpunt stond de bus weer op ze te wachten om ze naar hun logeeradres te brengen, waar ze samen een prima verzorgd diner met lekkere wijnen kregen. De formule van deze combinatie van inspanning en ontspanning was zeer succesvol. Een héél andere tak van het bedrijf was het geven van seminars in efficiënter werken en bedrijfsgerichte opleidingen.  Ze ging naar binnen, waar ze werd opgevangen door Puk, de vrouw van een van de broers die eigenaar waren van het bedrijf. Puk vond haar open houding en zelfverzekerdheid veelbelovend en dacht alvast plagerig: de mannen zullen haar uiterlijk wel mooi vinden. Samen liepen ze naar een kantoortje waar nog drie mensen aanwezig waren. Debby zag direct dat de twee mannen broers waren. Puk stelde Debby voor en ze gingen op de comfortabele stoelen aan de ronde tafel zitten. De verdere inrichting bestond uit een paar grote planten en een antiek dressoir die het kantoor iets huiselijks gaven. Puk had tijdens het voorstellen meteen de verhoudingen in het familiebedrijf uitgelegd. Zij en haar man Rik deden de werkzaamheden in het kantoor. Joke, haar schoonzusje regelde samen met haar man Brian, de opleidingen in daarvoor gehuurde ruimtes in het land. Voor de rest hielp iedereen, iedereen, waar dat nodig was. In de toekomst was het de bedoeling om ook seminars in Frankrijk te organiseren. Daarvoor zou Debby in Frankrijk een ondersteunende taak krijgen in de toekomst.

Het gesprek verliep verder vlot en ze paste, door haar soepele houding ten opzichte van plaats en tijd van werken, helemaal in de wensen van het bedrijf. Ze namen afscheid van elkaar en de broers en hun vrouwen bespraken haar sollicitatie. De broers waren zeer onder de indruk van haar en zeiden dat ook. Puk, de pestkop van het stel, zei: “Ik weet heus wel waarom jullie zo onder de indruk van haar zijn.”
“Vanwege haar Frans natuurlijk, dat snap je toch wel?” zei Rik lachend, want hij voelde al aankomen wat Puk zou gaan zeggen.
“En niet vanwege die kokosnoten in haar bloesje?” vroeg Puk.
“Ik snap niet hoe jij op dat soort ideeën komt, zo zijn mijn broer en ik niet,” antwoordde Brian, sterk overdreven beledigd.
Debby’s positieve uitstraling en zelfvertrouwen gaven uiteindelijk de doorslag, ze kreeg de baan. De ‘kokosnoten van Debby’ werden gevleugelde woorden in de familie.

Hoofdstuk 15

Debby bleef de ontspanningstechniek oefenen en werd er steeds beter in. Om kleine problemen op te lossen, hoefde Debby de oefening niet te doen. Ze deed haar ogen dicht en vond de oplossing. Bij ingewikkelde problemen had ze een andere truc uit het boek. Voor het slapengaan ging ze in alfa en visualiseerde het probleem. Bijna altijd vond ze de oplossing, die ze meteen opschreef. Kon ze de oplossing niet direct vinden, dan ging ze slapen en werd soms midden in de nacht wakker met de oplossing in haar hoofd, die ze snel in het schrift naast haar bed krabbelde. Deze gave werd zeer gewaardeerd door de broers en hun vrouwen, dat hij voortkwam uit de training die Debby deed, wisten ze nog niet.

Klaas, een van de medewerkers van het bedrijf, was altijd een goede kracht. De laatste weken waren er echter klachten over zijn functioneren. Iedereen in het bedrijf merkte het en vond het jammer. Voorzichtige vragen en hints van collega’s en de broers, werden niet begrepen of genegeerd. Puk tolereerde het niet langer en nam hem mee naar haar kantoor. Ze vroeg hem op de man af wat er aan de hand was. Eerst aarzelend, maar steeds bozer vertelde hij dat die nieuwelinge Debby alles zo goed wist en de problemen oploste, terwijl hem niets gevraagd werd. Puk haalde adem om te zeggen dat het onzin was, maar ze deed het niet. Ergens kon ze zich de kritiek van Klaas wel een beetje voorstellen en ze zei: “Klaas, we hebben het er nog wel een keer over, ik weet nu wat je dwarszit.”

De volgende morgen ging Puk naar Debby toe en vertelde wat Klaas had gezegd over haar. Debby vroeg of ze het goed vond dat zij en Puk samen, met Klaas een gesprek zouden hebben. Puk zou het met de broers en Joke bespreken. De broers wilden eerst weten wat Debby van plan was. Ze besloot in het kort te vertellen wat er zich in haar leven had afgespeeld, waardoor ze vastgelopen was en hoe ze dit overwonnen had. De broers en hun vrouwen waren verbaasd en onder de indruk van haar verhaal. Ze kreeg toestemming om met Klaas te gaan praten.

De volgende dag ging Debby samen met Puk naar Klaas toe en vroeg hem mee te komen voor een gesprek. Het eerste wat Klaas, op een vijandige toon, tegen Debby zei, was: ”Doe je buiten problemen oplossen nu óók personeelszaken?”
Aha, jaloezie, dacht Debby. Puk verwachtte een heftige discussie, maar Debby antwoordde op een zeer rustige toon: “Sorry dat ik zo intimiderend overkom, dat was niet mijn bedoeling.”
“Nou ja, zó erg is het nu ook weer niet, maar het is soms wel irritant,” zei Klaas al veel minder vijandig.
“Dat kan ik mij voorstellen,” glimlachte Debby, wat Klaas het gevoel gaf of er in een klein straaltje ijswater vanuit zijn nek over zijn rug liep, “ik zal je vertellen hoe het komt dat ik problemen zo snel kan oplossen. Een tijdje terug heb ik een training gehad waar je dat leert.”

Door de rust waarmee Debby dit vertelde, kalmeerde Klaas nog verder. Hij werd nieuwsgierig naar deze methode en hij vroeg: “Wat voor training is dat?”
“Een oefening in het beter bewust zijn van je omgeving. Je wordt scherper in je waarnemingen en daardoor kun je ook problemen sneller doorzien en oplossen. Het is een simpele training die voor iedereen geschikt is.”
“Klinkt interessant,” zei Klaas.
“Als je wil, kan ik het je leren,” bood Debby op vrijblijvende toon aan. Het gesprek ging precies de kant op die Debby wilde. Ze liep al een tijdje met het idee rond om iedereen bij het bedrijf de alfatechniek te leren. Klaas hapte in het lokaas van
Debby en zei: “Dat wil ik wel.”
“Dan zal ik het je leren.”
Dit was het begin van een zeer succesvolle carrière. Binnen een maand had iedereen de training gehad. Er was nu geen ruimte meer voor jaloezie of egoïsme. Iedereen deed zijn werk en waar nodig hielp de een de ander zonder te morren of eisen te stellen. Onderlinge problemen werden zonder omhaal op tafel gelegd en opgelost. Ook naar buiten toe werd de positieve verandering gevoeld en het aantal boekingen begon te stijgen.

Debby was op haar plaats bij het bedrijf van de broers. Vooral Puk ging haar steeds meer waarderen, door haar gevoel voor humor en optimisme.
Ze begon te beseffen dat Debby heel goed bij Bram zou passen, maar ze dacht ook aan de woorden van Rik: “Ik vind het ongelofelijk lief wat je voor Bram probeert te doen, maar hij wil niet. Laat hem met rust, des te eerder groeit hij er overheen.”
Nu moest ze de twee elkaar laten ontmoeten om te zien hoe ze op elkaar reageerden. Puk manipuleerde de boekhouding waardoor Bram naar de zaak moest komen. Ze bleef in de buurt van Debby dralen tot Bram binnenkwam. Ze deed snel een paar passen achteruit om de aandacht van Bram niet op haar te laten vallen, maar op Debby. Bram had al veel verhalen gehoord over een soort wondervrouw die bij ze werkte. Nieuwsgierig liep hij op haar af en stelde zich voor als de ‘middelste’. Dat is lang geleden dat hij iets van humor heeft laten zien, dacht Puk, blij met dit resultaat. De reactie van Debby was ook veel belovend: ”Ik ben Debby, de enige.” Een schaduw van een glimlach gleed over het gezicht van Bram bij dit antwoord van Debby. Puk zag het, vol hoop, gebeuren. Bram handelde de zaken af en ging weer weg. Puk had genoeg gezien om haar plan ze te koppelen door te zetten. Ze zweeg vanwege de woorden van Rik zorgvuldig over haar idee en begon met veel geduld te loeren op een kans om de twee bij elkaar te brengen. Hier mocht niets fout gaan, of worden geforceerd. Puk besefte dat de enige manier om de twee elkaar te laten ontmoeten op de zaak was, alle andere manieren zouden onmiddellijk opvallen. Zo onopvallend mogelijk begon Puk meer fouten te maken in de boekhouding, waardoor Bram vaker naar de zaak moest komen. Bram kwam braaf elke keer naar het bedrijf. Hij groette Debby altijd heel hartelijk en soms stonden ze zelfs te praten. De broers hadden nog niets in de gaten en Puk kreeg te horen dat ze beter op de administratie moest letten. Deemoedig knikte ze en dacht: wacht maar sukkels tot ik ze bij elkaar heb, dan zullen jullie wel anders piepen.

Puk bewaarde haar kalmte als een krokodil die op een prooi wacht. Haar kans kwam toen Bram op een vrijdag om vijf uur weer op de zaak was. Het regende geen druppels, maar emmertjes water. Puk zag en greep haar kans en vroeg aan Bram: “Debby is met de tram, kan jij haar niet wegbrengen met dat noodweer? Wij kunnen niet, want Rik moet nog wat doen.”
Rik hoorde het gesprek, want hij stond in het kantoor ernaast en dacht: ik moet helemáál nietsdoen. Langzaam drong het tot hem door wat Puk aan het doen was en hij dacht: nee hé, ze is weer aan het koppelen, leert ze het dan nooit. Bijna was hij tevoorschijn gekomen om een einde te maken aan de poging. Een klein stemmetje in zijn hoofd waarschuwde hem dat Puk daardoor nog weleens een driftbui zou kunnen krijgen en daar was hij als de dood voor. Hij vond het wel sneu voor zijn lieve puk, ze bedoelde het goed. Hij was benieuwd hoe Bram zich hieruit zou redden, want Debby meenemen, daar zou hij nooit aan beginnen, was zijn overtuiging.
“Natúúrlijk wil ik dat,” antwoordde Bram op de vraag van Puk.
De mond van Rik viel letterlijk open van verbazing, maar ook van hoop, want de klank van Brams stem was weer als vroeger. Het kantoor stroomde leeg en Debby vertrok met Bram. Op het moment dat de laatste weg was, kwam Rik tevoorschijn.
“Wat moet Rik nog doen?” treiterde hij tegen Puk.
Het antwoord was typisch een Puk antwoord: “Begin maar met je broek te laten zakken en je schrap te zetten.”

Debby en Bram stapten in de auto en reden weg. Haar positieve energie vulde de auto en sinds jaren voelde hij zich weer prettig en op zijn gemak. Hij voelde dat er niets van hem verlangd werd, of dat Debby zich opdrong zoals vaker vrouwen bij hem gedaan hadden. Bram probeerde met zijn auto naar Debby’s woning te gaan. De afstand was te verwaarlozen, thuis zou hij er een paar minuten over doen, maar hier waren zo veel irritante obstakels dat hij bijna altijd zijn geduld verloor. Nu niet, want hij wilde het prettige gevoel van ontspanning, dat hij in haar gezelschap had, zo lang mogelijk vasthouden. In gedachten zoekend naar een manier om dit nog meer te rekken, worstelde hij traag door de stad. De gehaaste mensen, de toeterende auto’s achter hem, terwijl ze stonden te wachten op een taxi die voor hem zijn vrachtje afleverde, niets kon zijn humeur verpesten. De schoonheid van de bomen langs de gracht en de begroeide balken in het water zag hij voor het eerst. Zelfs de zwervers op hun bankje op de hoek van de Vijzelstraat en de Keizersgracht leken vrolijk. Hij vroeg aan Debby: “Heb je zin om ergens iets te eten, of heb je al een afspraak?”
Bram schatte zijn kans op een positief antwoord héél laag in, want een knappe en jonge vrouw zoals zij, moet wel en vriend of een man hebben, dacht hij.
“Nee, ik ga alleen door het leven, dus ik hoef nergens rekening mee te houden,” antwoordde ze tot zijn verbazing.
“Jij bent beter bekend in Amsterdam dan ik, zeg maar waar je heen wilt.”
Bram vond het niet prettig om in Amsterdam te eten. Hij hield van de rust en de ruimte van het platteland, de stad verstikte hem, maar nu maakte hij graag een uitzondering. Net als Bram, had Debby ook een hekel aan de stad. Ze was al bezig met een koop of huurhuis buiten de stad te zoeken. Debby wist dat Bram in de polder woonde, het leek haar veel leuker om daar ergens te eten, maakte ze zichzelf wijs. De echte reden was, dat ze zich prettig in zijn omgeving voelde, net als Bram bij haar. Het nadeel was dat ze dan met de trein terug zou moeten gaan, maar dat had ze er wel voor over. Ze zei tegen hem: “Je vindt het misschien raar, maar weet jij een goed restaurant buiten Amsterdam, ik ga wel met de bus of de trein weer naar huis.”
“Kun jij gedachten lezen?” vroeg Bram verbaasd.
“Een beetje wel ja,” antwoordde ze glimlachend.
Haar antwoord verraste Bram niet, want hij had de verhalen over haar inbreng bij het bedrijf van de broers gehoord.
“Dan weet ik een goed restaurant bij mij in de buurt.”
“Prima, is daar een treinstation?”
“Laat die trein maar zitten. Ik heb, als je daar zin in hebt, wel een logeerkamer voor je, dan kun je morgen op je gemak naar huis gaan, of ik breng je weg.”
“Dat lijkt mij erg leuk, maar dan moet ik even langs mijn huis wat spullen halen.”
“Oké. Zeg maar hoe ik moet rijden.”

Jean

Hoofdstuk 16

Na drie weken wandelen en af en toe meeliften met een boer die met een tractor langs kwam, was Jean op de plek aangekomen waar hij wilde zijn.
De uitgestrekte bossen op de grens van het departement Corrèze in de Limousin en Cantal in de Auvergne. De streek lag een beetje verloren, tussen de drukke toeristengebieden in. Deze plek voelde vroeger, tijdens de vakanties met zijn ouders, als een tweede thuis en nu als zijn enige.
Tijdens zijn lange tocht had hij in gedachten de vele wandelingen die hij daar door de bossen gemaakt had, overdacht. Hij wist daardoor waar hij een permanent onderkomen wilde bouwen. Er was daar genoeg wild, een stuwmeer vol vis en een kleine camping. Aan een smal, doodlopend weggetje was een bron met drinkbaar water.

Jean had tijdens zijn tocht geleerd om het landschap te lezen op nuttige dingen zoals wilde groenten en fruit of een onderkomen voor de dag.
Met deze kennis begon hij langs het doodlopende weggetje de omgeving te verkennen. Hij vond een vervallen stenen muurtje in het bos, wat een teken was dat hier ooit kleinschalige landbouw was bedreven. Dan moet er ook een woning hebben gestaan, redeneerde hij. Honderd meter verder vond hij inderdaad de ruïne van een klein boerenhuisje. Eén muur stond nog volledig overeind omdat daar de schoorsteen in was geplaatst. In wat ooit een woonkamer was geweest, groeiden nu een stel bomen, vechtend met elkaar om het meeste zonlicht. Dit wordt mijn plek, dacht Jean.

Vlak naast de ruïne maakte hij een tijdelijk verblijf. Hij verkende de omgeving grondig voor hij aan de bouw van zijn permanente onderkomen begon. Zoals hij al verwachtte, waren er wildsporen in overvloed. De ligging ten opzichte van de camping was prima, omdat er geen enkel wandelpad vanaf daar richting zijn plek ging. Op een vrijwel onzichtbaar en ook niet met een pad te bereiken plek, kon hij vissen. Nu begon hij aan de bouw van een permanent onderkomen. Omdat het er zo onopvallend mogelijk uit moest zien, kapte hij wat verder weg bomen van de juiste maat om een dak te maken. Deze bomen plaatste hij tegen de muur. Daarop kwamen dunnere takken. Op die takken kwamen leiplaten van het ingestorte dak. Tussen de takken kwam een dikke laag mos voor isolatie.
Van stenen maakte hij een muurtje aan de zijkant met een deurtje erin.
Nu had hij een huisje met een schoorsteen. Op een van zijn zwerftochten had hij een kleine, ijzeren ton gevonden die hij ging gebruiken als kachel en om op te koken.

Voor de konijnen was hij op strikken aangewezen, want Chien was er niet meer. Jean maakte een speerwerper om, zo nodig, groter wild te kunnen vangen. Op Discovery Channel had hij gezien hoe de Aboriginals hiermee op grote afstand heel erg nauwkeurig konden gooien. Tijd om te oefenen had hij genoeg, want dat was zijn grootse bezit. Voor groenten en brood zocht hij in het afval van winkels en op de camping. Het bleef hem verbazen hoeveel en wat de mensen weggooiden.

Het Franse geld dat hij van huis had meegenomen, was op.  Het Nederlandse geld wisselde hij op de camping of bij een bank in een van de dorpen in de buurt, om boodschappen zoals tandpasta en zeep te kunnen doen. Veel haalde hij uit de natuur, maar om daarin vervangers voor dit soort dingen te vinden, ging natuurlijk niet. Op een rommelmarkt had hij een boek van François Couplan gevonden. Hieruit leerde hij eetbare planten en zaden kennen die in overvloed in het bos om hem heen groeiden. Het steeds sterker wordende euforische gevoel dat hij had, kreeg een naam in dit boek: ‘Survie douce’.
Levenservaring in harmonie met de natuur. Hierdoor had hij veel minder behoefte aan voedsel uit het afval. Een van de vele varianten die hij gebruikte, was de Franse aardkastanje gemengd met bosbessen. Hiervan bakte hij koekjes op zijn kachel. Door middel van roken en drogen, begon hij een voorraad voedsel voor de aanstormende winter te maken.  Brandhout was er ruim voldoende. Jean sprokkelde takken bij elkaar zonder de bron daarvan, de boom, te beschadigen. Hiervan maakte hij in een kleine stenen oven, op een paar honderd meter bij hem vandaan, houtskool. Dit deed hij om bij zijn schuilplaats geen aandacht te trekken door de rook van zijn vuur. Wat hij miste in zijn hutje waren foto’s van zijn familie. Om veiligheidsredenen had hij die niet meegenomen en daar had hij nu spijt van. Het schilderijtje van Nina had hij, wanneer hij thuis was, wel op een prominente plaats hangen.

De winter begon te heersen over het land. Het toeristenseizoen was afgelopen waardoor de camping dicht was. Nu moest hij voor het douchen en zijn was een andere oplossing bedenken. In een stadje, op drie uur lopen afstand, vond hij een wasserette, waar hij een keer in de week heen ging. In het stadje deed hij bij een winkel in de buurt van de wasserette boodschappen in een prijsvechters supermarkt. Aan de rand van de stad was een overdekt zwembad waar hij dan ging zwemmen en zich douchte. De overige dagen waste hij zich met water uit de bron dat hij, in een gevonden ketel, verwarmde op zijn kachel. Om wat te doen te hebben en om beter voor Fransman door te kunnen gaan, verbeterde hij zijn Frans, door de gratis kranten, die hij bij de camping en de winkels meenam, te lezen.

Een gevoel van euforie sloeg af en toe om in een diepe depressie. Hij verwonderde zich over de snelheid waarmee dit gebeurde. Een kleine verandering was vaak de oorzaak hiervan, zoals het kapot zijn van een van zijn strikken of het uitgaan van de kachel. Op het dieptepunt van de depressie vroeg hij zich af waar hij in godsnaam voor leefde. De achterblijvers zouden meer rust hebben als ze wisten dat hij dood was, dacht hij dan, maar zijn wil om te leven, won steeds van zijn verlangen naar rust. Het gemis van zijn familie was, als een oude blessure, altijd vaag aanwezig, maar op deze momenten kwam het hem in alle helderheid kwellen. Wanneer hij op eigen kracht weer uit de depressie kwam, voelde hij zichzelf sterker worden als persoon.

Een sneeuwbui maakte hem erop attent dat de winter, in al zijn dodelijke pracht, er nu echt was. De maagdelijke sneeuw was te aantrekkelijk om niet naar buiten te gaan. Glijdend en bijna vallend, bereikte hij de smalle weg naar de bron. Voor de eerste keer zag hij de vallei onder hem bedekt met sneeuw. Hij stond zo lang stil, om de schoonheid hiervan tot zich door te laten dringen, dat hij zich bevangen voelde worden door kou. Zo moet de kerst eruitzien, dacht hij. Die kerst kwam, het regende en stormde de hele week. Eenzaamheid, veroorzaakt door de duisternis en het slechte weer, wurgde Jean bijna. Het besef dat hij deze manier van leven niet veel langer kon volhouden, werd sterker dan zijn behoefte om alleen te zijn. Oneindig overdacht hij zijn mogelijkheden. Teruggaan naar Nederland kon niet. Hij bracht daarmee zijn geliefden en zichzelf in gevaar. Zijn tegenstander was in staat tot elke wraakactie, had hij gehoord. Naar de Franse politie gaan om daar te vertellen wat hij had meegemaakt zodat zij, via Interpol, zijn tegenstander konden ontmaskeren kon niet. Ook dit was te gevaarlijk vond hij, de consequenties hiervan waren moeilijk in te schatten, maar het was weer zijn familie die hij in gevaar bracht. Zo worstelde hij de winter door, waarin hij een deel van zijn voedsel met zijn buren de dassen deelde.

De vroege lente overspoelde het land met zijn gaven. Jeans gepieker over de toekomst stopte, want hij schoof zijn probleem door naar de herfst van dit jaar. Dan doe ik wat ik denk dat het beste is, nu ga ik nog genieten van de zomer, nam hij zich voor. De voorjaarsbloemen groeiden naast zijn hut. Hij kon urenlang kijken, hoe insecten die vroeg uit hun winterslaap kwamen, hiervan profiteerden. Zijn buren vierden al stoeiend en rennend de komst van het voorjaar. Nu waren er weer andere planten die hij kon eten, zoals de bosasperge.

Hoofdstuk 17

Het was half maart toen ‘s avonds de winter nog even uithaalde met sneeuw. Jean dacht terug aan de eerste keer en ook de laatste keer die winter, dat hij de sneeuw had gezien. Snel liep hij naar de bron om hiervan te genieten, voor het weer weg was. Hij liep op de weg toen hij een auto hoorde aankomen. Verbaasd hierover bleef hij staan tot hij een klap hoorde van een auto die ergens tegen aanreed.
“Daar kon je op wachten, klootzak dat je bent,” schold Jean geschrokken.
Zo snel mogelijk liep hij richting het ongeluk.
De auto, een oude Peugeot 404, was door de houten barricade gegaan.
De chauffeur zat stil in de auto, want bij de geringste beweging wankelde de auto op de rand van de afgrond. Jean overzag de situatie om daarna in actie te komen.
“Blijf stil zitten,” zei hij tegen de man in de auto, “ik ga de achterkant verzwaren.”
De man knikte met zijn hoofd als teken dat hij het begrepen had. Jean begon stenen op de achterkant van het dak te leggen waardoor de auto iets stabieler werd. Nu durfde hij voorzichtig de kofferbak open te doen.
De auto begon héél traag naar voren te hellen. Jean stapte op de bumper om de auto weer naar beneden te duwen.
“Kun je iets naar achteren met je stoel?”
De stoel kon inderdaad iets naar achteren. Jean stapte van de bumper af.
De auto bleef stabiel. Hij begon de kofferbak met stenen te vullen. Hierdoor kwam er veel meer druk op de achterwielen terwijl de voorkant omhoog werd getild. De man in de auto begon te klappertanden van de kou. Jean bekeek of hij hem over de voorstoel naar de achterbank kon krijgen. Dit lukte niet omdat de stoelleuning geblokkeerd was. De auto moest achteruit, dichter naar de rand van de afgrond toe. Met een hefboom zou dat niet lukken en voor hij die had om het te proberen, ging er te veel tijd verloren. Jean kreeg een idee.
“De auto moet achteruit. Op mijn teken zet je hem in zijn achteruit en start de motor. Dan geef je plankgas en laat de koppeling opkomen. Misschien glijdt hij een stukje naar achteren.”
De man keek paniekerig naar Jean.
“Kalm aan, we doen het stap voor stap, ik zeg wat je moet doen,” stelde hij hem gerust. De man knikte met zijn hoofd dat hij het begrepen had.
Met een tak schoof Jean eerst de sneeuw achter de auto weg.
“Trap langzaam de koppeling in.”
“Mijn been doet zo zeer, ik weet niet of ik het kan.”
“Je moet of je gaat dood.”
Met een schreeuw van pijn trapte de man de koppeling in.
“Start de motor.”
Met nerveuze gebaren startte de man de auto, die gelukkig aansloeg.
“Als ik het zeg dan geef je plankgas. Je kijkt naar mijn arm. Wanneer ik die naar beneden doe dan laat je de koppeling los. Heb je dat begrepen?”
De man knikte weer.
“Gas,” brulde Jean.
De motor begon te huilen. De man keek angstig naar Jean, terwijl hij zijn hand naar beneden liet vallen, brulde Jean: ”Los.”
Met een scheurend geluid en rokende banden bewoog de auto tot de voorwielen de rand van de weg bereikten.
“Klaar, alles uit,” schreeuwde Jean.
De man draaide aan de sleutel de motor stopte. De stilte was onwerkelijk. Voorzichtig opende Jean het portier. De man kreunde van de pijn op het moment dat hij probeerde uit te stappen.
“Blijf zitten, ik kijk even naar uw been.”
Jean voelde dat het been gebroken was.
“Heeft u een jas in de auto liggen?”
“Nee. Ik ging bij een vriend schaken. Op de terugweg besloot ik met mijn domme kop om een paar flessen water te halen, dan hoefde ik morgenochtend niet weg.”
“Wanneer missen ze u?”
“Voorlopig niet, want ik blijf wel vaker tot diep in de nacht bij mijn vriend schaken, mijn vrouw gaat dan slapen.”
“Het is nu tien uur, dat is toch niet midden in de nacht?”
“Mijn vriend werd ziek, daarom ben ik vroeg naar huis gegaan.”
“Ik wil hulp halen, maar dan duurt het minstens twee uur voor die hier zijn, zal dat lukken denkt u?”
“Ik ben bang van niet, want ik heb de medicijnen voor mijn hart niet bij me. Door de kou krijg ik het nu al benauwd.”

Het drong tot Jean door dat het uit de auto halen van de man het makkelijkste deel was geweest. Hij rilde nu al over zijn hele lichaam van de kou en hij zou zeker in shock raken. De jas die Jean aan had, kon hij aan de man geven. Die gaf wel enige bescherming, maar lang niet genoeg om de tijd te overbruggen dat hij hulp moest halen. De enige mogelijkheid was om hem naar zijn schuilplaats te dragen, maar die was dan ook meteen waardeloos. Hij stond daar een onderdeel van een seconde aan te denken. De volgende gedachte was typisch voor Jean: jammer dan.
“Ik ga u ergens heenbrengen waar u de nacht warm kunt doorbrengen. Morgenochtend ga ik hulp halen.”
De man was tot niet méér in staat dan Jean hoopvol en verbaasd aan te kijken. In de brandweergreep en af en toe slepend, bracht hij hem naar zijn schuilplaats. De verwondering van de man werd steeds groter. Niet alleen werd hij gered door een onbekend iemand, maar hij kwam op een plek terecht waar het veel gezelliger en warmer was dan bij hem huis.
Het spalken van een gebroken been had Jean geleerd op een EHBO-cursus. Twee rechte stokken waren zo gevonden. Eerst deed Jean een deken van mos op het been. Met een oud T-shirt knoopte hij de spalken aan elkaar. Jean plaatse hem voorzichtig op zijn van mos en konijnenbont gemaakte bed.
“We moeten een briefje maken om iemand die uw auto vindt gerust te stellen en geen grote zoekactie te laten starten.”
“Dat u aan dit soort dingen denkt onder deze omstandigheden, vind ik wonderlijk.”
Jean glimlachte om de opmerking.
Met een stukje houtskool schreef hij: “Ik Charles Carlier, ben gered door een man die morgenochtend contact opneemt met de autoriteiten om mij op te halen.”
Jean nam het briefje mee naar de auto waar hij het op de chauffeursstoel neerlegde.

Charles bekeek ondertussen het geïmproviseerde onderkomen waar een zelfgemaakte kaars van bijenwas voor de verlichting zorgde. Hij bewonderde de meubeltjes, een tafel en een stoel, die door Jean waren gemaakt. De liefde voor hout en zijn vakmanschap waren er duidelijk in te zien. Zijn uitrusting om te jagen en te vissen vond hij helemaal fascinerend. Het schilderijtje van Nina zag er in het kaarslicht mooier uit dan de Mona Lisa, vond hij. Later zou hij vertellen dat zijn ‘grote idee’ op dat moment geboren werd. Hij gooide, op instructie van Jean, nog wat houtskool op de kachel. Zijn been was zo goed verbonden dat het nauwelijks pijn deed. Charles zag aan de inrichting en de netheid van de gezellige plek, dat Jean geen zwerver was, die de hoop op een beter leven had opgegeven. De warmte van de kachel straalde de kou uit zijn botten weg, waardoor hij wegdoezelde op het heerlijke bed. Door de binnenkomst van Jean werd hij weer wakker. De twee mannen, die nu al een speciale band hadden, praatten bijna de hele nacht door. Bij Charles durfde Jean wél het hele verhaal te vertellen, eindelijk kon hij het met iemand delen. Charles begreep dat
Jean in een onmogelijke positie zat.
Hij begon met het uitvoeren van zijn grote idee, door Jean een voorstel te doen.
“Het kasteel waar ik woon, is erg verwaarloosd. Mijn vrouw en ik hebben niet meer de energie om het op te knappen. Láten we het doen, dan kost het kapitalen. Ik heb aan uw spullen gezien dat u een vakman bent. Wilt u, in ruil voor onderdak en een bescheiden financiële bijdrage, het voor ons doen? ”

Jean nam de tijd om de strekking van de vraag te overzien. Charles onderbrak zijn gedachten.
“Ik zal zorgen voor een volledige Franse identiteit, met ziektekostenverzekering erbij.”
Het vooruitzicht om wat te gaan doen, dat weer structuur zou brengen in zijn leven, trok Jean wel aan. Het feit dat hij dan was verzekerd voor ziektekosten was een extra bonus.
“Zodra we u hier uit hebben dan praten we erover, ik weet waar u woont.”
“Zullen we dat u maar laten verdwijnen en elkaar bij de naam noemen?”
“Afgesproken, Charles.”

Ze begonnen een manier te bedenken waarop Charles opgehaald kon worden door een ambulance zonder dat de identiteit van Jean en schuilplaats bekend zou worden. Ze bedachten het volgende plan. Jean zou de volgende morgen vroeg naar de vrouw van Charles gaan. Zij moest nadat hij weer was vertrokken met de jas en de medicijnen voor Charles twee uur wachten, dan de politie en ambulance waarschuwen. Jean had dan de tijd om terug te lopen, Charles in zijn auto te plaatsen en te verdwijnen. Niemand zou dan weten wie hem gered had. Het enige wat Charles zich kon herinneren was een blonde vrouw ging hij tegen de politie zeggen. Bij het eerste licht vertrok Jean naar het kasteel. Hij liep langs de auto om te controleren of daar iemand was en of het briefje verdwenen was. Alles was nog hetzelfde als de vorige avond. De sneeuw was verdwenen zodat hij in hoog tempo door kon lopen. Na anderhalf lopen uur was hij bij het kasteel, zonder dat hem een auto of iets anders tegemoet was gekomen.
Bij het kasteel was alles stil, de verdwijning van Charles was kennelijk nog niet opgemerkt. Op aanwijzingen van Charles, ging Jean naar de achterkant van het kasteel, waar een deur was waar hij op moest bonken, want de bel deed het niet meer. Na een tijdje werd de deur van de grendel gehaald. Een vrouwenstem riep:” Wie is daar?”
“U moet de groeten van Charles hebben. Het gaat goed met hem.”
De vrouw opende de deur.
“Hoe weet u dat, hij is niet thuis, ik snap er niets van,” mompelde de vrouw in de war.
“Mag ik binnenkomen, dan zal ik u vertellen wat er gebeurd is?”
“Kom maar binnen. Waar is Charles?”
“Charles heeft een auto-ongeluk gehad bij de bron, waarbij zijn been gebroken is. Hij is in mijn huis, en het gaat goed met hem. Nu ga ik u iets vragen wat u niet zult snappen.”
“Met Charles is er altijd wat. Hij wil hier zo graag wonen, van God en alle mensen verlaten,” mopperde de vrouw.
“Ik ga nu lopend naar hem toe, dat is ongeveer twee uur lopen. Dan breng ik hem naar zijn auto toe waar de ambulance hem kan ophalen.”
“Waarom is dat?”
“Dat zal Charles u uitleggen, want het kost te veel tijd om dat nu te doen.
Het is héél belangrijk dat u doet wat ik vraag. Het is nu acht uur. Wilt u om tien uur de ambulance bellen?”
“Ja, maar…”
“U moet mij vertrouwen,” onderbrak Jean haar protest.
“Ik zal het doen.”
“Hij heeft mij gevraagd om zijn medicijnen mee te nemen.”
“Die zal ik pakken.”

Met de pillen van Charles vertrok Jean naar zijn huisje. Onderweg dacht hij aan het voorstel van Charles. Hij kon maar één nadeel vinden: hij raakte zijn vrijheid kwijt.  Bij zijn aankomst lag Charles te slapen. Hij kreeg medelijden met de man die daar zo vredig lag te rusten. Hij en zijn vrouw waren niet gelukkig. Charles had verteld dat het wonen op een kasteel niet zaligmakend is, wat een understatement was, dacht Jean.
Jean maakt hem wakker. Behaaglijk strekte Charles zich uit.
“Ik heb mij in jaren niet zo goed gevoeld als nu.”
“Dat is geen goed teken.”
“Nee, daar heb je gelijk in.”
Voorzichtig trok Jean zijn gast de jas aan die hij uit het kasteel had meegebracht.

Op dezelfde manier als hij gekomen was, bracht Jean hem naar zijn auto. Ze spraken af dat hij het voorstel van Charles zou overdenken. De mannen namen afscheid van elkaar. Jean beloofde dat hij in ieder geval een keer langs zou komen om te horen hoe het ging met Charles. Hij verborg zich zodanig dat hij kon zien had wat er in de auto gebeurde. Op het moment dat hij de ambulance zag aankomen, vertrok hij naar zijn schuilplaats.

Debby en Bram

Hoofdstuk 18

Debby vertelde tijdens de rit over haar werk bij de broers. Bram vulde haar aan met opmerkingen over de broers en hun gezamenlijke verleden. Het viel haar op dat hij veel rustiger was dan zijn broers. Dat zal wel komen door wat hij heeft meegemaakt, dacht ze. Bram vroeg, vlak voor ze de straat waar Debby woonde inreden ”Heb je bepaalde voorkeuren voor eten of dingen die je niet lust?”
“Nee, ik kies meestal ter plaatse en ik lust eigenlijk alles.”
Bram belde met zijn mobiele telefoon naar zijn favoriete restaurant.

“Louis, heb je een tafel voor twee, straks?”
“Maar natuurlijk Bram, ik reserveer je favoriete tafel.”
“Dat is mooi en verras ons maar, je hebt anderhalf uur de tijd.”
“Aha! Echte liefhebbers, dus ik zal iets héél speciaals laten maken.”
Ze verbraken de verbinding en Louis dacht: wat krijgen we nu, zou Bram een afspraakje hebben?

In de auto praatten ze over wat hun in het leven overkomen was en de zaak van de broers. Debby vertelde echter nog niets over de brief van haar opa. Ze gingen het restaurant binnen, Louis kwam naar ze toelopen en verwelkomde Bram hartelijk met de woorden: “Wie is deze schone dame?”
Even aarzelde Bram.
”Dit is Debby, ze werkt voor mijn broers.”
“Zoveel schoonheid verdienen je broers niet.”
“En jij bent een slijmerd,” lachte Bram.
Debby luisterde geamuseerd naar het gesprek. Het compliment over haar schoonheid deed haar goed, want ze voelde dat hij het meende.
Louis dacht: zo vrolijk heb ik Bram nog niet meegemaakt. Even later kwam hij terug met een fles wijn. Met de woorden: “De wijn is van het huis,” schonk Louis een glas van de eenvoudige, maar geraffineerde, rosé in. Het eten was fenomenaal. De kok had zich, door het enthousiasme van Louis en de aanwezigheid van Debby, laten inspireren tot grote hoogte. De wijn paste prima bij het eten en de gelegenheid, waardoor ze met een taxi naar huis moesten. Ze reden de kleine, maar gezellige stad uit. Eenmaal op de weg langs het kanaal, keek Debby naar de weilanden en sloten naast zich. Het gevoel dat ze op de weg naar Schagen toe had, werd nu nog veel sterker. Rust en de mogelijkheid om te kunnen leven, was de omschrijving die ze zelf had bedacht. Nu snapte ze waarom Bram het ervoor over had om iedere werkdag deze rit van en naar zijn werk te maken. Binnen tien minuten waren ze bij zijn huis. Daar zou ik in Amsterdam drie kwartier mee bezig zijn geweest als ik geluk had, overwoog Debby. Wat haar ook opviel, was de leegte van de wegen en het ontbreken van verkeerslichten.

De taxi reed het grote erf op. Ze stapten uit en de taxichauffeur reed weer weg. Debby had al wilde verhalen gehoord over hoe Bram woonde, maar in werkelijkheid was het nog véél groter dan ze zich had voorgesteld. Verbijsterd keek ze om zich heen.
“Godnogaantoe, wat moet je met dat enorme circus? Het is net een liggende reus met een klein hoofdje. De hele flat waar ik woon, kan er makkelijk in.”
“Ik woon in dat kleine hoofdje, de rest is om mijn auto in te stallen.”
“Dan mag je wel goed onthouden waar, want anders vind je hem nooit meer terug.”
Over het erf klonk hun lach met daarbovenuit de stem van de geit, die zich, geketend aan zijn pen, verwaarloosd voelde.

Bram liet Debby eerst de tuin zien die, in ruil voor het vruchtgebruik, door de buurman werd verzorgd. Debby keek naar de geit, maar durfde het nog niet om hem aan te halen. De geit had totaal geen interesse voor haar, nog niet. In de fruitbomen hing de belofte voor een lekkere herfst. Debby snoof de zuivere lucht diep in. Ze keek om zich heen en zag de oneindige verte van de polder en begreep steeds beter waarom Bram hier woonde. Ze gingen de schuur in waar Debby vaag de geur van uien en aardappelen, die hier ooit waren opgeslagen, rook. Het was ook de geur van leven en hard werken. Het ontroerde haar, ze had geen idee waarom en dacht: het zal de wijn wel zijn. Het huis was, voor een vrijgezel, erg gezellig ingericht. Debby meende de hand van Puk te zien in het geheel en daar had ze gelijk in. Met een glas cola, tegen de wijndorst, zaten ze in de woonkamer. Het gesprek dat ze in het restaurant voerden zetten ze hier voort. Bram was diep onder de indruk van de manier waarop Debby ontsnapt was aan haar verleden. Tot diep in de nacht praatten ze verder. Bram wees Debby haar kamer en de douche en ging in zijn eigen kamer op bed liggen om alles, wat er die dag gebeurd was, nog even te overdenken. Het besef dat hij voor een ommekeer in zijn leven stond, drong langzaam tot hem door. Die verandering voelde hij de volgende morgen omdat hij wakker werd met de gedachte: eindelijk weer eens een dag om naar uit te kijken. Het leven op de automatische piloot was hiermee voorgoed afgelopen wist hij.

Zo stil mogelijk dekte hij de tafel en zette thee en koffie voor het ontbijt. Debby werd ook wakker en rook de verse koffie. Zo snel mogelijk douchte ze zich en ging naar de huiskamer, waar Bram haar met een vrolijk goedemorgen, verwelkomde. In de oven had hij croissants met ham en kaas gemaakt.
“Wow, wat ruikt het hier lekker,” gaf Debby een compliment weg.
“Dank je, voor mezelf deed ik het nooit, maar nu heb ik daar weer zin in.”
“Dat komt mooi uit, want ik barst van de honger.”
Het weer was volkomen omgeslagen. De regen van gisteren had plaatsgemaakt voor de zon van vandaag. Debby keek naar buiten en kon niet afwachten de tuin in te gaan. Ze vroeg: “Zullen we buiten eten?”
“Briljant plan, maar we moeten wel rekening houden met de geit, want die eet alles.”
“Ze staat toch aan de pin vast?”
“Niet wanneer ik thuis ben.”
“O.”
Debby ging naar buiten met een tafellaken en twee borden. Ze drapeerde met een handig zwaai het tafelkleed op de tafel. De twee borden erop en ze konden eten. De geit keek haar op een kleine afstand wantrouwig aan en begon met zijn kop naar beneden op haar af te komen.
“Hé! Je bent toch geen bok,” riep Debby.
Ze rende snel, met de geit achter zich aan, naar binnen.
“Wat een mafketel is die geit, ze denkt dat ze een bok is of zo,” mopperde Debby lachend.
“Dat doet ze om mij te beschermen tegen jouw boze geest.”
Op dat moment hoorden ze buiten een paar borden rinkelend stukgaan op het terras. Snel gingen ze naar buiten waar de geit rustig stond te kauwen op het tafelkleed.
“Zie je wel, ze lusten alles.”
Debby lachte en probeerde het tafelkleed van de geit af te pakken. Dat lukte niet en ze riep: “Laat los, kutgeit!”
“Hé, hé, pas een beetje op je woorden. Greta is nog jong.”
Op dat moment liet Greta het tafelkleed los en viel Debby bijna achterover.
“Dat komt er nou van als je mijn Greta beledigt.”
“En dan maar zeggen dat wonen op het platteland zo leuk is,” mopperde Debby.
“Wacht maar tot een kudde koeien het erf op komt rennen, dan piep je wel anders.”
Ze keek Bram aan om te kijken of hij het meende: “Is dat weleens gebeurd dan?”
“Jazeker.”
Debby kon niet aan Brams gezicht zien of hij serieus was of niet. Ze gokte van niet: “Ik geloof er geen barst van.”
“Ik ook niet.”
De geit nam weer een dreigende houding aan: “Als je uitgespeeld bent met die geit, kunnen we dan eten?”
“Als jij die dol geworden veestapel van je onder controle kan houden, wel.”
De geit ging aan de pen en ze zaten in het zonnetje, te genieten van het ontbijt.
Debby nam een broodje mee naar Greta, wat ervoor zorgde dat ze even later vriendinnen waren.
“De liefde gaat dus óók bij een geit door de maag,” merkte Debby tevreden op.
“Wat doen we met het naar huis gaan?” wilde Bram weten.
“Ik wil helemaal niet naar huis.”
De rust en de ruimte van de polder had haar volledig te pakken.
“Dan blijf je toch hier tot maandagmorgen, kunnen we samen naar ons werk gaan. Heb ik de kans om je mijn mooie polder te laten zien.”
“Briljant plan.”
“Heb je weleens op een trekker meegereden?”
Een smakelijke lach was haar antwoord.
“Ik zal vragen of buurman Klaas ons naar Schagen wil brengen.”
“Met een tractor zeker?”
“Durf je niet of zo?”
“Natúúrlijk,” blufte Debby en dacht aan de kudde koeien.
Ze wandelde over het erf en Bram legde uit wat er allemaal groeide: “Dit worden stoofperen.”
“Zijn die lekker?”
“Géén idee.”
Debby moest glimlachen: aan die droge humor moet ik wel wennen, dacht ze. In Amsterdam gaan grappen bijna altijd ten koste van een ander.
“Dit zijn goudrenetten en die zijn in ieder geval lekker, want mijn moeder maakt er goddelijke appeltaart van.”
Het liefste was Debby nu naar zijn ouders gegaan, want mensen die drie van die zonen op de wereld hadden gezet en die zijn zoals ze zijn, dat moesten dan wel erg leuke mensen zijn. Wie weet ooit, dacht ze en zei niets.
“Dit zijn kersen. Die moeten wel érg lekker zijn, want de vogels hebben ze al op wanneer ze nog groen zijn.”
In de verte hoorde Debby, tot haar schrik, een tractor aankomen.
“Zo bluffer, daar komt onze taxi,” grijnsde Bram.
“Hij heeft toch wel airco?” grapte Debby.
“Uiteraard.”
Onbeschaamd werd Debby door de buurman van onder tot boven bekeken waarna hij de opmerking: “Nou Bram, jij hebt je ogen niet in je zak zitten,” maakte.
“Ze is maar te leen, Klaas.”
Debby wist niet wat ze precies bedoelden, ze wist zeker dat dit het mooiste compliment was dat ze ooit had gekregen. Ze klommen in de cabine die, tot haar verbazing, inderdaad een airco had. Ik word gek van die gasten: dacht Debby. De snelheid van de trekker was veel groter dan ze voor mogelijk had gehouden.

Bij het station van Schagen stapten ze uit. De buurman reed vrolijk zwaaiend weg. Ze liepen een rondje door de binnenstad met zijn winkelstraten. Debby kocht nog wat slipjes en een bh, want ze had maar voor één nacht iets meegenomen. In het gezellig drukke winkelcentrum dronken ze een cappuccino met een saucijzenbroodje; de specialiteit van het huis. Het viel Debby op dat de mensen die hier rondliepen, veel vrolijker waren dan bij haar in de buurt. Bram vroeg: “Heb je vanmiddag zin in nog een culinair hoogstandje?”
Aan zijn gezicht zag ze dat dit weer iets anders zou worden dan ze zou kunnen verwachten: “Dat laat ik graag aan jouw deskundigheid ter plaatse over.”

Ze vertrokken uit Schagen, rijdend door lintdorpjes in het ‘oude land’, naar de vroegere turfhaven Kolhorn. Debby keek om zich heen en verbaasde zich over de rijkdom van natuur die je pas in detail zag als je over de kleine wegen van de polder reed. Bram vertelde boeiend over het verschil tussen het oude land aan de ene kant van de dijk en het nieuwe land aan de andere kant. Debby had het enorme verschil al gezien, maar nu wist ze ook hoe dat ontstaan was. Af en toe stopten ze om oude boerderijen en sloten te bekijken. Scholen voorntjes zwommen tussen de pollen waterplanten.
“Kikkers hebben hier net zo’n grote bek als in Amsterdam,” merkte Debby op.
“Ja, het zijn net mensen.”
Voorzichtig liepen ze langs de heldere sloot, tot Bram stopte en naar een plek in het water wees.
“Kijk, daar heb je een snoek.”
“Ik zie hem, wat een mooi beest.”
“Zal ik je laten zien hoe snel ze zijn?”
“Doe maar.”
Bram stampte met zijn voet op de grond. In een flits was de snoek weg.
“Wow, dat is echt snel.”
Ze reden weer verder. Debby zag verschillende soorten eenden en ganzen, die ze nog nooit gezien had. Ze kwamen in Kolhorn uit, dat aan de voet van de dijk ligt. Ze bekeken de oude turfschuren op de dijk. In een klein cafeetje op de dijk dronken ze een kop koffie, waarna ze het kanaal overstaken, om door het nieuwe land naar het vissersdorpje Den Oever te rijden. Op het moment dat ze daar de kade van de haven opreden, ging de telefoon van Bram over.
“Daar zal je Puk hebben, dat heeft lang geduurd,” gokte Bram.
Debby zag een mogelijkheid om de pestkop terug te pakken en zei snel:
“We kunnen haar op de kast jagen.”
Bram zag ook direct de mogelijkheid en nam zijn telefoon op met: “Als dat mijn Pukkie niet is?”
Aan de andere kant van de verbinding was het even héél erg stil, maar niet in de hersenen van Puk. Daar kookte het van emoties, want het was lang geleden dat Bram haar zo noemde. Met moeite wist ze, door de ontroering hierover, te zeggen: “Hoe is het met mijn Brambeertje?”
“Goed en met jou?”
“Prima.”
Bram had de telefoon op luidspreker gezet, zodat Debby mee kon luisteren.
“Is het gisteravond nog gelukt met Debby?” klonk het zó onecht onverschillig, dat Debby en Bram de grootste moeite hadden om niet te gaan lachen.
“Vraag het haar zelf maar, ze zit naast me in de auto.”
Nu was de stilte aan de andere kant oorverdovend. Puk was te verbaasd om blij te zijn of eventuele conclusies uit dit nieuws te trekken. Ze vroeg totaal overbluft: “Hoe kom jij daar nou?”
“Ik heb bij Bram geslapen.”
Puk kreeg het gevoel dat ze in een goudmijn werkte, waar ze steeds grotere klompen goud vond. Dit was duizenden keren beter dan ze ooit had durven hopen gistermiddag. Ze dacht: ze zijn óók met elkaar naar bed geweest, want Puk blijft Puk.

Na de kleine pauze die Debby had gehouden om Puk te laten denken wat Debby verwachtte dat Puk zou denken, vervolgde ze: “In de logeerkamer.”
“Met jou heb ik maandag een beoordelingsgesprek,” blafte Puk door de telefoon.
Debby en Bram konden zich niet meer inhouden en barstten in lachen uit. Ze hoorden Puk op de achtergrond ook lachen. Debby vertelde Puk wat ze gedaan hadden gisteravond en vandaag. Puk was meteen weer voorzichtig om niets te forceren, waardoor haar plan om de twee te koppelen in gevaar kwam.

De vis en de mosselen, die ze aten in het houten tentje bij de haven van Den Oever, vond Debby inderdaad een culinair hoogstandje. Ze wandelden over de drukke kaden waar vissersboten werden schoongemaakt en gerepareerd. Overal lagen visnetten en boeien. Bram begeleidde haar naar de strekdam, waar vandaan ze het Wad en Den Helder konden zien. De oneindige kleiplaten met zijn vogels, vond Debby fascinerend. In de verte raasden de auto’s over de Afsluitdijk. Jachten en grote zeilboten van de bruine vloot, gevuld met blije mensen, trokken aan hen voorbij. Bram voelde zich sterker dan hij in lange tijd geweest was. De confrontatie met de boten zou hij een paar weken geleden nog niet aangekund hebben. Op de terugweg naar Brams huis begon het grote idee van Debby gestalte te krijgen. In de schuur zou je een zwembad met sauna en fitnessapparatuur kunnen bouwen en dan, samen met het mindcontrol, heb je de perfecte combinatie om mensen weer psychisch en lichamelijk fit te laten worden, dacht ze.

Ze zaten die avond in de tuin bij een kampvuur dat Bram had aangestoken.
“Wat een rust en een ruimte, hier kun je nog lekker leven,” merkte Debby op.
“Pas op, want soms is het op het platteland heel lawaaierig, vooral tijdens het oogsten. Dan liggen de wegen vol prut en wordt er soms de hele nacht doorgewerkt. Het gebeurt regelmatig dat mensen voor hun rust naar het platteland trekken en daar ontdekken dat hun buurman ’s morgens om vier uur zijn trekker start en dan apparatuur gaat aansluiten.”

Debby bracht het gesprek op haar ommekeer en dat Bram dat ook zou kunnen meemaken. Bram had daar al lang aan gedacht, ook door de verhalen van zijn broers en schoonzussen.
“Ik wil ook kunnen wat jij mijn broers geleerd hebt,” beaamde hij haar suggestie om dat te doen.
“Dat kan. We gaan het straks doen, maar nu wil ik nog even genieten van de natuur en de ondergaande zon.”
Greta was naast haar komen staan en bedelde om de toastjes die Bram had gemaakt. Het werd donker en ze gingen naar binnen om de alfaoefening voor Bram te gaan doen. Zittend in een gemakkelijke stoel, begon Bram aan zijn eerste sessie. Debby begon bij zijn voeten, binnen een paar minuten zag ze Bram totaal ontspannen en in alfa raken. Zoals de meeste mensen had Bram met zijn nek en schouders grote moeite om die te ontspannen. Debby zag Bram worstelen met de knopen in zijn spieren. Het bracht haar op het idee om de oefening te combineren met Haptonomie, of een andere vorm van massage. Na een half uur durende oefening, opende Bram zijn ogen.
“Wat een ongelofelijke ervaring. En ik maar denken dat ik redelijk soepele spieren had,” was het commentaar van Bram op de oefening.
“Daar vergissen veel mensen zich in.”
Bram probeerde op te staan om drinken te pakken, maar het lukte hem niet direct. Hij begon te lachen om zijn eigen futiele pogingen.
“Je spieren zijn zo ontspannen dat ze nu bijna geen inspanning kunnen leveren. Dat is volkomen normaal,” stelde ze Bram gerust.
Debby schonk een glas wijn in voor Bram en zichzelf. Voorzichtig pakte hij het glas van haar aan.
“Wat mij het meest opviel, was de totale stilte in mijn hoofd.”
“Dat vond ik ook, de eerste keer,” beaamde Debby.
“Ik heb hier weleens iets over op televisie gezien, maar dan komt er allerlei zweverig gezwam bij, zoals met geuren of hummen en van die speciale kleren.”
“Dat is om het onbereikbaar te maken. Dat kan niet iedereen, betekent dat. Zo kunnen ze veel geld vragen voor een opleiding om een titel te krijgen. Je wordt dan ‘master’ of ‘goeroe’ of weet ik veel. Mensen die deze therapietjes ondergaan, worden er wel beter van, maar ze denken dat het van buitenaf komt. Ze worden afhankelijk van anderen voor die therapie. De techniek die ik gebruik, laat mensen voelen dat zij het zelf hebben gedaan. Ze worden dus niet afhankelijk van een ander, maar kunnen zo veel als ze willen de training zelf doen. Het is zó simpel, iedereen kan het.
“Mij heb je overtuigd.”
“In de media wordt het ook altijd als zweverig gedoe afgeschilderd, want het is positief en als de media ergens een hekel aan heeft, is het wel positief zijn. Wanneer mensen aan hun gezondheid werken, is dat prima. Verstandig eten, sporten, noem het maar op. Gaat het om je hersens trainen, dan raakt iedereen in paniek en wordt het zweverig genoemd. Het heeft niets met godsdienst of welke vorm van overtuiging dan ook te maken. Met sporten doe je niet anders dan je lichaam tunen, om optimaal te presteren, met alfatraining doe je hetzelfde voor je hersens.”
“Geen cartuning maar braintuning dus,” grapte Bram.
“Precies.”
“Come on baby, pimp my brain.”
“Mannen worden nooit volwassen, zie ik.”
“Vind je dat erg?”
“Nee.”

Bram had Debby tijdens het gesprek, aan zitten kijken. Het vuur in haar bruine ogen bezorgde hem een zéér aangenaam gevoel. Hij dacht dat het bewondering was voor haar energie en gepassioneerdheid. Ze bespraken de effecten van de training op hun eigen leven en dat van de anderen bij het bedrijf en Brams familie. De liefde die ze voor elkaar voelden, maar nog ontkenden, werd steeds sterker. Ze gingen ieder naar hun eigen slaapkamer met hun eigen gedachten, waarin de ander wel prominent aanwezig was. In de verte klonk het geluid van een trekker die bezig was iets vaags te doen op het land.

Hoofdstuk 19

Die nacht droomde Bram over Jane en de kleine Jan. Zij zaten in hun zeilboot en hij lag in het water. Hij verwachtte dat ze hem zouden oppikken, maar ze voeren langs hem terwijl Jane riep: “Word gelukkig met haar, wij zijn het ook.”
Hij bleef alleen achter op het grote meer. In de verte verdween de boot, waarvan de inzittenden niet meer hadden omgekeken. Op het moment dat hij van vermoeidheid dreigde te verdrinken, werd Bram met een schok wakker. Hijgend van benauwdheid ging hij rechtop zitten. Zijn hart leek zijn borst van binnenuit open te willen breken. Het verdriet om Jane en zijn zoon was weer in volle hevigheid terug, behalve het schuldgevoel. De woorden van Jane herhaalden zich in zijn hoofd: “Word gelukkig met haar, wij zijn het ook.”
Ondanks het verdriet voelde hij zich opgelucht, want hij wist dat het verwerken daarvan nu echt was begonnen. Met de gedachte: wat een wonderlijk iets is toch die training, viel hij weer in slaap. De volgende morgen zat hij in tweestrijd over of hij de droom wel of niet aan Debby moest vertellen. Hij besloot dat het kon wachten.

De volgende morgen was het weer veranderd. De zon was verdwenen, maar de temperatuur was nog wel aangenaam. Tijdens het ontbijt, stelde Bram voor om naar het strand van Callantsoog te gaan voor een strandwandeling. Debby was direct voorstander. Ze dacht terug aan de tijd dat ze met haar vader en haar grootouders heel af en toe naar het strand van IJmuiden gingen. Ze had het altijd heerlijk gevonden. De laatste keer dat ze naar het strand was geweest, was ongeveer vijftien jaar geleden. Binnen een kwartier waren ze in Callantsoog en was de auto geparkeerd. Weer verbaasde Debby zich over de snelheid waarmee alles hier bereikbaar was. Vanaf de zee kwam een lichte mist het land op, die bij het parkeerterrein oploste. Ze liepen het duin over het strand op. Het eerste wat Debby op de top van het duin zag, was het strandpaviljoen.
“Koffie Bram?”
“We kwamen om te wandelen, niet om te gaan zitten slempen.”
“Weet je wat, jij gaat wandelen en ik begin alvast te slempen. Kom me maar halen wanneer je klaar bent met je idiote bezigheid.”
“Dat kun je vergeten, hup lopen.”
Debby kreeg een duwtje in haar rug en was razendsnel beneden op het strand. Ze voelde zich weer kind, maar nu een met een onbezorgde jeugd. Ondanks de kille mist, was het druk op het strand. Ze wandelden een stuk. Bij de strekdammen zochten ze in de kleine poeltjes, naar leven dat tussen de drooggevallen stenen was achtergebleven. Op de terugweg kreeg Debby toch haar koffie op het terras van de strandtent. Na een tijdje geamuseerd de passanten te hebben bekeken, vertrokken ze richting het dorp. Daar wist Bram een snackbar waar ze de frieten zelf sneden en voorbakten. Minstens zo lekker als die op het Damrak, vond Debby. Langs de kust reden ze naar Den Helder, waar ze keken naar het uitvaren van de Texelse boot en wandelden door de havens. Ze deden de tweede oefening die avond. De veilige plek voor Bram werd het eilandje in het Alkmaardermeer, waar hij en Jane en soms samen met Puk en Rik zo veel plezier hadden gehad. De herinneringen waren nu niet pijnlijk meer, maar plezierig. Hij voelde dat hij veel sneller sterker werd, dan hij ooit voor mogelijk had gehouden. Na de oefening gingen ze direct naar bed.

De volgende morgen douchten ze om de beurt. Na een snel broodje en een kop thee reden ze naar Amsterdam, waar Puk al bij de deur stond te trappelen van ongeduld. Met een snelle en stuntelige kus, omdat ze die beiden niet verwachtten, namen ze afscheid. Onderweg hadden ze afgesproken om het volgende weekend verder te gaan met de training.

Debby en Bram misten elkaar. Ieder voor zich maakten ze zichzelf wijs dat het kwam door de vele dingen die ze gemeen hadden, maar het was gewoon liefde, zoals Puk terecht dacht. Ze hoorde Debby deskundig uit, zonder iets te forceren. Zij in ieder geval, wist Puk nu volkomen zeker. De droom kwam niet meer terug, hoe graag Bram het ook wilde. Met die ene goedkeuring van Jane moest hij het doen.

Hoofdstuk 20

Eindelijk was het vrijdag. Debby had haar koffertje voor het weekend naast zich staan, bij de receptie. Rik, Brian en Joke waren na vijf uur, opgefokt door Puk, toevallig steeds in de buurt van de receptie, in afwachting van de komst van Bram. Debby deed net of ze het niet merkte, ze vond de belangstelling vooral vertederend. Een fluitende Bram kwam het bedrijf binnen. Puk keek, onopvallend, triomfantelijk naar de broers en Joke.
“Het bewijst nog niks,” fluisterde Rik in Puks oor.
Bram liep direct naar Debby en nu zag ze de kus wel aankomen. Hij vroeg: “Kunnen we, of laten die slavendrijvers je nog niet gaan?”
“Die zoeken het maar uit, wij zijn weg,” vrolijk zwaaiend liepen ze de zaak uit.
Puk zei niets, daar was ze door haar ontroering ook niet toe in staat.

“Gaan we weer uit eten?” vroeg Debby in de auto.
“Ja, en we gaan uit.”
“Waar naar toe?”
“Dat is een verrassing.”
“Ik ben benieuwd.”
De rest van de rit bespraken ze wat er de afgelopen week gebeurd was, waaronder de droom van Bram. Debby vertelde over hoe ze in het reine was gekomen met haar moeder en dat Bram ook zoiets had meegemaakt, maar dan in een droom.

Bram reed het erf van de boerderij op. Er klonken flarden muziek uit de verte.
“Daar is het feest,” merkte Debby op.
“Daar gaan wij naar toe. Vandaag is het buurtfeest.”
“Dat lijkt mij leuk.”
“Pas op wat je zegt, want je moet wel iets doen.”
“Zoals?”
“Een gedicht voorlezen of een liedje zingen, dat soort dingen.”
“Dan weet ik wel wat.”
“Wat?”
“Dat zie je vanavond wel. En jij?”
Een smalend lachje was Brams antwoord.
“Mm. Ons eerste geheimpje,” lachte Debby mee.
Ze kleedden zich om voor het feest, waarvan de barbecue bij Bram op het erf te ruiken was. Bram had een korte broek en een T-shirt aan. Debby trok haar lingeriesetje aan met een heupbroek en een topje. Het setje had ze meegenomen voor het grote moment, als het zou komen. Nu had ze het aangetrokken voor haar optreden die avond. Ze kwam tevoorschijn en Bram zag voor de eerste keer, bewust, de schoonheid van Debby
“Wauw, wat ben jij mooi,” prees Bram haar onomwonden en vooral gemeend.
“Dank je wel, jij ziet er ook uit om de buurmeisjes dol te maken.”
“Alleen de buurmeisjes?” pestte Bram.
“Oké, ik beken. Mij ook.”
Wordt gelukkig met haar hadden de woorden van Jane de hele week door zijn hoofd gemalen. De manier waarop Debby die woorden had uitgelegd, was zo logisch dat hij maar tot één actie kon overgaan. Hij liep naar haar toe en vroeg: “Wil jij mijn vriendinnetje worden?”
Debby lachte om het serieuze gezicht dat hij bij de woorden zette, ze antwoordde: “Alleen als ik met je speelgoedautootjes mag spelen.”
Ze bezegelden hun verkering met een vurige tongzoen. Debby fluisterde hijgend: “Vanavond kom ik bij je slapen.”
“We kunnen het feest laten schieten,” opperde Bram met een grijns op zijn gezicht.
“Niks daarvan, ik moet vanavond mijn kunsten nog vertonen.”
“Je hebt gelijk, we gaan, ik barst van de honger en de dorst naar bier, emmers bier.”
“Ik ook, hier krijg ik toch niets te drinken.”
“Biertje mee voor onderweg?”
Ze liepen langs de boomsingel die tussen de smalle weg en het kanaal daarachter liep. De fazanten doken weg tussen de varens en het kreupelhout. Vanaf het land vlogen de laatste houtduiven naar hun nesten. De buurman had de rest al ingelicht over Debby. Hun Bram met een rasechte Amsterdamse, vonden ze wel spannend. Het grapje dat Debby had gemaakt over de buurmeisjes bleek, zonder dat zij dat wist, echt te zijn. Met gepast gejoel werd de nieuwelinge ontvangen, maar niet door de twee buurmeisjes die Bram als verloren moesten beschouwen. Een uur later was dat over, want ze vonden Debby véél te aardig.
De manier waarop ze zich, zonder stadse fratsen, gedroeg, vonden de buren geweldig. De saté van de varkenshaas was voortreffelijk, net als het bier uit de pomp. Het werd donker en een groot vuur werd aangestoken. Bram las een gedicht voor dat hij zelf had geschreven over de polder.

De polder

De polder met zijn ruige schoonheid
Sloten kanalen meren water overal

Zijn meedogenloze natuur vol kleuren
De houtwallen vol van leven en hun rovers

Een fazant verdwaald tussen de gewassen
Past op voor het geweer van de jager

Het leven is hier hard en mooi
Ruimte volop het uitzicht oneindig

Niets is gratis of gaat vanzelf
De trekker trekt voort de horizon tegemoet

Oogsten is een feest van allemaal
Wegen vol met prut en zweet

Zoet geurt de suikerbiet wachtend op transport
Uien verdringen het drogend op het veld

De winter overleven in het warme huis
De oogst opgeslagen wachtend op een koper

De prijzen zijn bedroevend laag
Alleen de handelaar profiteert

Het tuig wordt hersteld
De dampende mest over de velden

Het voorjaar brengt een nieuwe kans en hoop
De zaden in de grond de schoffel erlangs

Groei bij wind en regen
Aarzelend eerst maar dan op volle kracht

Een scala van geuren waait over de velden
Van hyacint tot koolzaad voor bijen onweerstaanbaar

Zomerse warmte stroomt over het land
Dan vieren de boeren feest in de polder

Een instemmend gejuich was Brams beloning voor het gedicht. Debby had naar hem zitten kijken toen hij het voorlas. Niet alleen aan de tekst, maar ook aan de manier waarop hij zijn gedicht voorlas, was zijn liefde en bewondering voor de hardwerkende mensen in de polder goed te zien. Debby begreep dat zij nu aan de beurt was om iets te doen, want nu werd háár naam, steeds luider, gescandeerd. Ze vroeg aan de man van de muziek: “Heb je iets Arabischachtig?”
“Ik heb een boerenliedje op Turkse muziek.”
“Prima. Als ik een teken geef, start je de muziek.”
Ze liep terug naar Bram en zwaaide naar de muziekman, die de muziek startte. Met een soepel gebaar trok ze haar topje uit. Op de aanzwellende muziek begon ze bij het vuur te buikdansen, iets wat ze ooit van een Turkse buurvrouw had geleerd. Haar, door Puk zo genoemde, kokosnoten dansten uitdagend mee op de maat van de muziek in haar sexy beha.
De dj moest de muziek veel harder zetten om boven het instemmende gejoel en gefluit te kunnen komen. Debby had op een positieve manier indruk gemaakt in de polder.

Debby en Bram werden door de buurman voor de volgende middag uitgenodigd om bij de wedstrijd boeren darten te komen kijken.
“Gaan we meteen vaten legen.”
“Vaten legen snap ik, maar wat is in godsnaam boeren darten,” vroeg Debby verbaasd.
“Darten met hooivorken.”
“Natúúrlijk! Stomme vraag.”
“Inderdaad ja, dat doen ze in Amsterdam zeker niet?”
“Jawel, in Amsterdam zuidoost, maar dan met messen.
De zon kwam op, een teken om het feest te beëindigen met veel gezoen en gelach. De landbouwers gingen naar bed, de boeren gingen naar de stal om te melken. Koeien feesten niet.

Zingend, lachend en af en toe stoppend voor een kus, liepen ze in het eerste ochtendlicht naar huis. Debby verlangde er naar om met Bram te vrijen. Ze was op dit gebied niet verwend. Eén keer had ze een vriend gehad die zo snel mogelijk dronken werd om haar daarna meer te verkrachten dan met haar te vrijen. Ze had hem direct de deur uitgetrapt. Ze wist dat het bij Bram anders zou zijn, maar dat het zo geweldig was, had ze niet kunnen bedenken. Zijn handen en mond leken wel van satijn. Zijn geduld was eindeloos. Volledig bevredigd vielen ze in slaap.

Kreunend van de nadorst werden ze om een uur of twee de volgende middag wakker. Samen maakten ze ontbijt en dronken daar veel water en thee bij, om weer een beetje mens te worden. Op een plekje in de schaduw van een grote berkenboom, gingen ze in hun blootje liggen zonnen. Debby kreunde behaaglijk: ”Wat moet je nou met een naaktstrand, als je dit hebt.”
“Dit wilde ik vorige week al doen, maar ik was bang dat jij je dan niet zou kunnen beheersen.”
“Daar kon je nog wel eens gelijk in hebben, nu ook niet.”
Greta de geit dacht er het hare van.

Ze lagen in diepe slaap na het vrijen en hoorden niet dat het buurmeisje en haar vriendin het erf op kwamen gefietst. Zij zagen Debby en Bram in de tuin liggen slapen, zo stil mogelijk slopen ze naar ze toe. Voor het eerst zag ze haar buurman bloot, iets wat ze er érg prettig vonden uitzien. Ondanks dat konden ze het niet laten om in het huis een emmer met koud water te vullen en die over hem heen te gooien. Bram gaf een schreeuw van schrik en vloog overeind. De dames, inclusief Debby, hadden daar veel plezier om.
“We komen jullie halen voor de wedstrijd,” klonk het honigzoet.
“Smoesjes. Ik weet wel waar jullie écht voor komen.”
“Phoe, kapsones heeft meneer wel.”
“We komen helemaal niet voor jou, we willen Debby wat vragen.”
“Ga jullie gang, ik ga douchen. En nee, jullie hoeven niet mijn rug te wassen.”
Onder afkeurende en spottende geluiden vertrok Bram naar de douche.
De meiden begonnen aarzelend hun vraag, waar ze voor gekomen waren, aan Debby te stellen over die wel erg leuke jongens van de feestavond.
Debby gaf een stukje ‘voorlichting’ over versieren weg. Ze deed er een stukje wijze raad bij: kijk in zijn ogen. Zie je daar iets wat je doet twijfelen, wegwezen. Kijkt hij je oprecht en eerlijk aan, dan kan je als je dat wilt, doorgaan met hem.

Het darten was een leuke wedstrijd, waar die wel érg leuke jongens aan meededen zag Debby. Door het gemak waarmee Debby met iedereen kon omgaan, samen met haar extraverte houding, had ze snel de buurmeisjes met de érg leuke jongens om zich heen.

De vaten waren leeg, de restanten van de barbecue waren op, tijd om naar huis te gaan. Om tien uur die avond was er alleen nog gesnurk te horen. De zondag werd luierend en pratend over het verleden over een nieuwe, nog erg onzekere, toekomst doorgebracht. Zondagavond vertrokken ze alvast naar de flat van Debby om de volgende morgen niet zo vroeg uit bed te hoeven.

Bram ging met Debby mee naar binnen, om samen hun grote nieuws aan de broers en hun vrouwen te vertellen. Puk gloeide van blijdschap en trots, ze kreeg van de broers en Joke bergen complimentjes. Het personeel werd nog niet officieel ingelicht, daar was alles nog te vers voor. Puk bleef ‘stralend’ door het bedrijf lopen. De mensen op kantoor wisten waarom, maar uit respect voor Debby en Bram werd er alleen onhoorbaar over gepraat. Klaas, waar Debby een speciale band mee had, wist het wel. De knipoog van Debby was duidelijk genoeg. Puk bleef Puk, ze kon niet langer wachten tot Debby ging vertellen wat er gebeurd was, vooral het gedeelte van de seks. Dat ze gevreeën hadden, nam Puk aan als een fanatieke katholiek een dogma.
“Hoe was het?”
“Hoe was wat?”
Puk negeerde de pesterij van Debby.
“Ik weet dat hij goed is, we hebben wel eens met zijn vieren op een eilandje gevreeën.”
“Jij met Bram?”
“Nee, ik met Rik en Bram met Jane, maar ik heb mijn ogen niet in mijn zak.”
“Hoe goed is Rik?”
“Minstens zo goed. En Brian ook,” antwoordde Puk.
“Hoe weet. Laat maar.”
“Hebben wij het met onze mannen getroffen, of hebben wij het getroffen?”
“Wij hebben het getroffen, zeikerd,” antwoordde Debby met een glimlach op haar gezicht.
“Ik noem ze: het broederschap der goddelijke knotsen.”
Debby stikte nu bijna van het lachen.
“Wat hebben jullie nou weer voor ongein?” vroeg Rik.
“Dat gaat je geen reet aan,” antwoordde Puk, met een hautain handgebaar werd Rik weggestuurd.
Die was wel zo wijs om niet door te vragen. Verwensingen mompelend, verdween hij zo snel mogelijk.

Jean

Hoofdstuk 21

Drie weken nadat hij Charles naar zijn auto had gebracht, om hem door een ziekenwagen te laten ophalen, viel Jean tijdens een wandeling naar de bron, waarbij hij zijn scheenbeen bezeerde. Hierdoor werd het hem duidelijk dat medische zorg, zonder dat hij zijn ware identiteit bekend hoefde te maken, onontbeerlijk was. Dit besef maakte een einde aan zijn twijfels over het opgeven van zijn vrijheid.

Op een zonnige zondagmorgen wandelde hij door de poort van het kasteelterrein. Corinne, de vrouw van Charles, zag hem als eerste aan komen lopen. Of hij wel of niet zou blijven, maakte haar op dat moment niet uit: ze was blij hem te zien. Ze liep hem tegemoet, zwijgend omhelsde ze hem. De twee mannen begroetten elkaar met een simpele handdruk, waarin alle onderlinge begrip en genegenheid voor elkaar lag.
Jean kon kiezen uit in het kasteel wonen of een eigen plekje in de voormalige paardenstal, waar vroeger de koetsier van de diligence bij de paarden overnachtte. Hij koos voor het laatste. Buiten de stallen bestond het gebouw uit een slaapkamer, een woonkamer en een doucheruimte met WC. Alles was oud, maar functioneerde nog. Het enige wat ontbrak was warm water en elektriciteit. Dit loste Jean op met een verlengsnoer vanuit het kasteel. De volgende dag zouden hij en Charles een kleine boiler gaan halen in de stad voor warm water.

Met zijn drieën en veel sop maakten ze het woongedeelte schoon.
Corinne en Charles waren onder de indruk van het werktempo van Jean. De twijfel van Corinne dat Jean het kasteel alleen zou kunnen opknappen, zoals Charles enthousiast beweerde, was verdwenen. Om vier uur die middag was het huis klaar.

Met de nieuwe auto gingen ze de meubeltjes van Jean halen.
Corinne had Charles, min of meer, verboden om dat oude barrel te laten opknappen. Na enige discussie zag Charles zelf ook in dat de kosten absoluut niet in verhouding stonden tot de waarde van de auto, zelfs niet de sentimentele, zoals Charles als laatste argument gebruikte. Corinne ging mee, want zij wilde zien waar Jean woonde. De verhalen van Charles over hoe mooi hij woonde, had ze met de nodige reserve aangehoord.
Die reserve, was bij het naar binnengaan van de schuilplaats direct verdwenen. De positieve energie die de plek uitstraalde, voelde ze als een gemis in haar eigen leven. Ze wist dat het niet van de plaats kwam, maar van Jean. Ze hoopte dat hij dat ook in het kasteel zou kunnen brengen, zelf had ze geen idee hoe ze dat zou kunnen doen. Van het bed namen ze alleen het onderdek en deken van konijnenbond mee. De matras van mos was niet meer nodig, want een compleet bed uit het kasteel kwam bij Jean te staan. Zijn zelfgemaakte tafel en stoel pasten in de kofferbak van de auto. Het portret van Nina kreeg een in het oog springende plaats. Zijn rugzak had hij als aandenken aan zijn reis, aan de muur hangen. Dit is mijn nieuwe thuis, hier zou ik wel oud willen worden, dacht Jean.

Om samen de werkzaamheden te bespreken, spraken ze af dat Jean bij Corinne en Charles ging eten. Er was nog een reden hiervoor: Corinne vond het prettig om lekker te koken voor iemand die dat waardeerde. Charles was op dit gebied volkomen apathisch door de sfeer die er op het kasteel hing. Ze bedachten samen een verhaal over de herkomst van Jean voor de buitenwereld. Hij was de zoon van een vriendin van Corinne die in Parijs woonde. Hij was eerst regelmatig op bezoek geweest op het kasteel en nu woonde hij daar permanent om het kasteel op te knappen. Zo werd de aanwezigheid van Jean in de tijd dat hij in het bos woonde verklaard.

Om Corinne en Charles weer plezier aan het wonen op een kasteel te laten beleven, begon Jean met het terras op te knappen. Nu konden ze weer , zonder zich te ergeren aan de overwoekering van planten, buiten zitten.
Het gazon waar nauwelijks over te lopen was van de hoge planten, was de tweede stap. In een grote schuur, die bij het kasteel hoorde, vond Jean een roestige zeis en een kapotte zitgrasmaaier. Van de zeis maakte hij een enorm scheermes. De grasmaaier braakte na een grondige revisie niet alleen veel lawaai en blauwe rookwolken uit, maar hij maaide ook.
Corinne zag Jean, zwaaiend naar haar, op zijn rokende monster zitten.
Ze moest lachen om de clowneske manier waarop Jean dit deed. Eindelijk weer eens iets om te lachen, dacht ze. Zo gebeurde wat ze gehoopt had: de positieve houding van Jean en zijn tomeloze energie, zorgden voor een ommekeer in de atmosfeer op het kasteel.

Jean had een fles wijn gekocht in de supermarkt van het dorp, want het verbaasde hem dat er geen wijn bij het eten werd gedronken. Het meisje achter de kassa glimlachte uitnodigend naar hem. Ze vond hem erg leuk en was nieuwsgierig waar hij echt vandaan kwam. Het verhaal van de vriend uit Parijs geloofde niet iedereen. Sommigen brachten hem in verband met de ‘wonderbaarlijke’ redding van Charles, zoals het genoemd werd, anderen dachten aan een buitenechtelijk kind van Charles.
Jean gaf haar een glimlach terug, maar ging niet in op haar uitnodiging.

Zijn fles wijn nam hij die avond mee aan tafel.
“In Frankrijk wordt er wijn gedronken bij het eten.”
“Dat is een attent idee,” vond Charles.
“Daar kun je een voorbeeld aan nemen,” zei Corinne honingzoet.

“We gaan geen ruzie maken, want het leven is te kort om dat te
doen,” waarschuwde Jean de twee.
“Je hebt gelijk Jean, sorry.”
“Hoe komt het dat jullie geen wijn bij het eten drinken?”
“Dat is mijn schuld. We hebben een wijnkelder vol, maar ik was te beroerd om daar iets mee te doen. Na het eten gaan we samen kijken,” bekende Charles.
“Dan is dat opgelost,” lachte Jean.
Hij wist dat dit soort dingen gedaan werd om elkaar iets betaald te zetten in een relatie. Om daar niet meer over te praten, konden dat oude zeer en het huidige probleem verdwijnen.  Corinne bleef zich verbazen over Jean. Het schijnbare gemak waarmee hij deze kwestie had opgelost voor haar en Charles, vond ze passen bij iemand die zoveel had overwonnen als hij. Ze nam zich voor haar houding tegenover het wonen op het kasteel te veranderen van negatief naar positief.

Na het eten liepen Charles en Jean de wijnkelder in. Jean bleef zich verbazen over de hoeveelheid en de kwaliteit van de wijnen. Grand Cru’s uit de Bourgogne tot de Bordeaux.
“Hier ligt voor een kapitaal,” mompelde hij verbaasd.
“Dat zie je verkeerd, hier ligt veel lekkers, wat wij gaan opmaken.”
“Vooruit dan, omdat je zo aandringt.”
Ze zochten elk een paar flessen uit die meegingen voor consumptie de komende dagen.

Jean veranderde de kas en de groentetuin van een wildernis tot wat ze moesten zijn: leveranciers van ecologische groenten en fruit. De tuin was klaar op het snoeien van de fruitbomen na: dat werd uitgesteld tot de herfst, omdat het zeer ingrijpend moest gebeuren. Tijdens het gesprek hierover noemde Charles vooral de kersenbomen. Hierdoor dacht Jean weer aan de kersenpit die hij van Nina op zijn hoofd had gekregen.
“De kersenpit,” riep hij.
Corinne en Charles keken hem verbaasd aan.
Jean rende naar zijn huisje. Met zijn rugtas kwam hij terugrennen en plofte op zijn stoel. De verbazing van Corinne en Charles had plaatsgemaakt voor nieuwsgierigheid. Jean opende de rugzak en begon daarin te zoeken.
“Kijk, een kersenpit.”
“Hij is mooi, maar wat moet je daarmee?”
Dat zal ik jullie vertellen. Jean vertelde hoe Nina en hij elkaar hadden ontmoet die avond.
“Die krijgt een prominente plaats in de tuin,” besloot Charles met zijn grote idee in zijn gedachten.
“Morgenmiddag planten we hem met een officiële ceremonie in de kas.”
“Goed idee Corinne,” beaamden Jean en Charles.

De volgende dag liep er een processie naar de kas. Voorop liep Corinne met een koeler gevuld met ijs, een fles champagne en drie glazen. Daarachter liep Jean met zijn rugtas om. Charles sloot de rij met een potje met aarde in zijn handen. Om de processie hing een wolk van prettig aanvoelende meligheid. Jean opende de rugtas, waar de pit en een fototoestel uitkwam. Corinne nam de taak van fotografe op zich. Charles plaatste het potje met aarde op een van de planken. Jean duwde pit in de grond. De fles champagne werd geopend. Op de aarde in de pot werden voorzichtig enkele druppels uit de fles gesprenkeld, de rest werd opgedronken, want weggooien was zonde.

Jean begon met het opknappen van het kasteel. Samen met Charles kocht hij de nodige, tweedehands, houtbewerkingmachines. Op honderd meter afstand van het kasteel en het huis van Jean, stond een grote schuur waar vroeger het vee had gestaan. De zolder van de schuur was oorspronkelijk de opslag voor hooi en stro, nu stonden daar de grasmaaier en een paar oude rijtuigen. De rest van de grote ruimte stond leeg. In plaats van vee was er beneden nu de opslag van brandhout. Een paar oude eikenhouten stammen lagen te wachten op verwerking tot dat brandhout. Jean besloot die stammen te gebruiken om kozijnen van te maken. Met een kettingzaag maakte hij er verwerkbare stukken van. In een bijna ingestorte kast, vond hij antieke houtbewerkinggereedschappen.
Deze knapte hij op om bij het maken van de kozijnen te gebruiken. Met het elektrische gereedschap zaagde hij de balken voor de kozijnen op maat om de laatste afwerking met het oude gereedschap te doen. Zo creëerde hij kozijnen die meer dan honderd jaar oud leken. Ze waren wel geschikt voor dubbel glas. Het verleden moest je in ere houden, maar de toekomst daarbij niet vergeten, vond Jean.

De zomer maakte plaats voor de herfst. De kamer en de keuken van het kasteel waren van nieuwe kozijnen voorzien. Jean laste een pauze in om eerst de fruitbomen te snoeien.

Op een koude, regenachtige avond zaten ze te eten. Charles had de open haard aangezet, maar de warmte die daarvan af kwam was vrijwel uitsluitend voor de vogels buiten. De vochtige kilte in de woonkamer bleef onaangenaam. De hoeveelheid hout die op een avond werd verstookt, was enorm.
“Hoe doen jullie dat in de winter?” informeerde Jean.
“Wij zitten in de winter altijd bij de open haard met onze jassen aan.”
“Ik kan, als jullie dat willen, de schoorsteen geschikt maken voor een houtkachel.”
“Geeft dat meer warmte dan,” vroeg Corinne geïnteresseerd.
“Véél meer.”
“Dan wordt dat de eerstvolgende klus. Doe jouw schoorsteen ook meteen,” beval Charles, blij met het vooruitzicht op een warm huis.

De volgende dag kochten Charles en Jean de benodigdheden, zoals een dubbelwandige roestvrijstalen pijp  om de schoorstenen geschikt te maken voor een houtkachel. Jean plaatste de pijp in het rookkanaal en maakte de schoorsteen aan de onder en bovenkant dicht. Op een kille avond werd de houtkachel geprobeerd. Jean waarschuwde Charles om rustig te beginnen. Charles gooide enthousiast de kachel vol met droog afvalhout uit de timmerwerkplaats van Jean. Binnen een uur was het bijna dertig graden in de kamer. Jean draaide de luchttoevoer naar de kachel helemaal dicht waardoor hij langzaam uit ging. Nu zaten ze niet met hun jas aan, maar in zomerkleding te genieten van de warmte. De warmte bleef tot de volgende dag hangen in de kamer.

In gesprekken met zijn drieën, en ook met ieder afzonderlijk, kreeg Jean een steeds beter beeld waarom Corinne en Charles zo ongelukkig waren. Charles had het kasteel geërfd als laatste telg van de familie. Corinne had hij ontmoet op een feest in Parijs. Zij vond het zeer romantisch om in een kasteel, dat in de twaalfde eeuw gebouwd was, te wonen. Na een aantal jaren bleek dat ze geen kinderen konden krijgen. De romantiek van het wonen in een kasteel was, mede hierdoor, langzaam verdwenen. Wat overbleef was verplicht wonen in een kil kasteel, dat steeds meer in verval raakte.
Door Charles zijn plichtsgevoel tegenover zijn overleden ouders, wilde hij het kasteel niet verkopen. Hoe Corinne ook op hem inpraatte, hij voelde zich verplicht om daar te blijven wonen, terwijl zij liever naar Parijs was verhuisd.

Door de positieve houding van Jean werd de sfeer in het kasteel steeds beter. Corinne en Charles maakten elkaar nu geen verwijten meer dat ze ongelukkig waren, maar werkten door aansturen van Jean nu samen om daar verbetering in te brengen. Op aanraden van Jean brachten ze af en toe een lang weekend door in Corinne haar geliefde Parijs, de stad waar ze geboren en opgegroeid was. Jean paste dan op het kasteel. Jean leerde Charles met de speerwerker gooien, waar hij bij hun eerste ontmoeting al door geïnteresseerd was geraakt. Charles was verbijsterd hoe hard en nauwkeurig Jean een speer kon gooien over een grote afstand. Na eindeloos oefenen lukte het Charles om min of meer in de juiste richting te gooien.

Van Corinne leerde Jean piano spelen. Hij bleek over een groot gevoel voor muziek te beschikken. Van Charles leerde hij schaken. Vrienden en dorpsgenoten kwamen op visite, nu de sfeer en de temperatuur in het kasteel zo aangenaam waren. Corinne organiseerde etentjes, haar grote hobby. De stilzwijgende afspraak om niet over de afkomst van Jean te praten werd door iedereen geëerbiedigd. Het grote plan van Charles over de toekomst van het kasteel werd steeds definitiever.

De jaren gingen voorbij, een periode waarin Jean steeds minder dacht aan zijn familie. Hij was bezig met de tuin en het opknappen van het kasteeldak. Wanneer hij aan ze dacht, verkeerde hij in tweestrijd. Het kon zijn dat het goed met ze ging, maar het kon ook slecht gaan. In het eerste geval wilde hij dat graag weten, in het tweede niet. Nu hij een doel in het leven had, verplaatste hij dit probleem naar de toekomst, tot hij een plaatselijk krantje in handen kreeg.

Jean had van een Engelse collega geleerd hoe je een origineel Engels ontbijt moet maken. Het probleem was om in Frankrijk de juiste ingrediënten te vinden. Nu had hij een winkel gevonden die dat verkocht.
Hij had Corinne en Charles beloofd het ontbijt die morgen voor ze te maken. ’s Morgens vroeg was hij naar de stad gegaan om zijn spullen te halen. Bij de ingang van de winkel stond een ijzeren rekje met lokale kranten erop. Met een automatisch gebaar nam hij een exemplaar mee.
De worstjes kwamen uit de diepvries, maar daar was niets aan te doen.
De slager sneed het juiste spek precies zoals Jean het hebben wilde. Met zijn boodschappen en het krantje reed hij naar huis.

Corinne en Charles waren al in de tuin bezig, in afwachting van hun traktatie. Ze roken en hoorden Jean bezig in zijn keukentje. Op het terras had Jean een klein vuurtje in de barbecue gemaakt. Wat daar de bedoeling van was, snapten ze niet tot Jean ze riep voor het eten. Hij had de roereieren, het spek, de tomaten en de worstjes gebakken. Alle ingrediënten had hij op bordjes gedaan, afgedekt met aluminium folie.
Het brood dat erbij hoorde werd in Frankrijk, American pane genoemd. In goed Nederlands is dat Casino wit. Dit brood roosterde Jean op het vuurtje. Het ontbijt was heerlijk vonden ze, maar niet om vaker dan één keer per jaar te eten; Jean was het daarmee eens. Het krantje uit de supermarkt lag vergeten in het huisje van Jean, tot een regenbui de tuinwerkzaamheden stopte. Jean ging zijn huisje in om te schuilen. Uit balorigheid begon hij het vodje te lezen.  Op pagina twee stond een foto van een totaal vernielde auto. Daarboven stond de sensationele tekst: “Fataal ongeluk, geen overlevenden.”
Het nummerbord hing scheef, maar het kenteken was duidelijk te zien.
Het was het nummer van zijn vaders auto. Goh, heeft hij die auto nog, was het eerste wat Jean dacht. De klap kwam een onderdeel van een seconde daarna. Kreunend van ellende zakte hij op zijn knieën op de vloer. Een allesoverheersende woede  nam de controle over zijn denken en doen over. Vloekend stormde hij het grasveld op.
“Kunnen jullie godverdomme wel, heb ik daarvoor alles gedaan, heb ik daarvoor jullie schepping met respect behandeld. Waar blijft het respect voor mij,” schreeuwde hij wanhopig naar de hemel.
Corinne en Charles kwamen geschrokken naar hem toe rennen.
Ze hadden geen idee wat hij had geroepen of wat er aan de hand was, maar ze wisten dat er heel ergs gebeurd moest zijn. Zo hadden ze hun positieve en rustige Jean nog niet gezien. Het duurde minstens een half uur voor Jean in staat was om te wijzen op de krant en te zeggen dat het zijn familie was. Corinne rende direct het kasteel in en kwam met de medicijnen voor Charles terug, want die was asgrauw van ellende flauwgevallen. Het krantje had Corinne meegenomen en in het kasteel gelegd. Dagen was Jean vrijwel onaanspreekbaar. Corinne en Charles lieten hem met rust, maar lieten wel merken dat ze altijd voor hem klaar stonden.

Charles had het krantje zorgvuldig opgeborgen. Een Nederlands sprekende kennis van Charles had geïnformeerd wie de eigenaar van de auto was. Er was altijd een kans dat de auto door de ouders van Jean verkocht was. Het was helaas de auto van zijn ouders en die waren inderdaad verongelukt. Maanden later begon Jean het ongeluk heel anders te zien. Die dingen gebeuren nu eenmaal, het maakt niet uit wat je denkt, doet of gelooft. Af en toe betrapte hij zichzelf op de geruststellende gedachte dat hij nu niet meer naar Nederland terug hoefde te gaan. Dit was zijn leven, de rest was weggevaagd. De spijt die hij kreeg over deze gedachte verdween in de loop van die dag weer.

Het verlangen naar een Nederlandse connectie verdween niet helemaal. Het bracht hem op het volgende idee. Hij kon het vervallen huis waar vroeger de jachtopziener woonde, ombouwen tot een vakantiehuis.
Dat kon Charles dan aan Nederlanders verhuren. Zijn idee stelde hij tijdens het eten aan Corinne en Charles voor. Ze beloofden hem hierover na te denken. In bed bespraken ze het idee van Jean. Charles bekeek het vanuit zijn grote plan ooghoek. Hij was er voor. Corinne voelde de behoefte van Jean aan Nederlands gezelschap aan en was ook voor. Ze stelden Jean het volgende voor: jij doet alle werk zoals het verbouwen en verhuren, wij betalen alles en we delen samen de huuropbrengsten.

Debby en Bram

Hoofdstuk 22

Bram leerde alle facetten van de training. Hij begon hierdoor heel anders tegen zijn omgeving aan te kijken. Hij zag dat veel mensen ongelukkig waren, zonder een duidelijke reden. Ze zaten in een cirkel van negatief denken wat hun levensgeluk, prestaties en creativiteit nadelig beïnvloedde.
Waarom doen ze daar niets aan, vroeg hij zich tijdens een van de keren dat hij in alfa was af. Hij bedacht dat iedereen op een spoor zat. Ging je de goede kant op, door een positieve opvoeding zoals hij had gehad, dan had je geluk. Kreeg je de verkeerde opvoeding, dan ging je de verkeerde kant op en had je pech. Onderweg waren er wissels om van de slechte baan af te komen of van de goede naar de slechte. Soms werd een wissel gemist waardoor je af en toe van spoor veranderde. Zijn verkeerde wissel was de dood van zijn vrouw en kind. De goede was het tegenkomen van Debby. Ik heb veel geluk gehad, dacht hij. Iedereen moet die training kunnen krijgen om zijn wissels te kunnen zien. Met deze gedachte viel hij in slaap.

Na twee maanden was hun relatie serieus genoeg om Debby aan de ouders van Bram voor te stellen. Zijn broers hadden al met hun ouders gepraat over Debby. Ze hadden gemopperd dat Bram, Debby nog niet aan ze had voorgesteld. Zijn moeder had gezegd: “Bram neemt Debby mee naar ons toe wanneer hij vindt dat het tijd is. Daar mogen jullie je mond over houden.”
Dat deden ze dan ook. De broers hadden een heilig ontzag voor de oude dame, die nog steeds streng, maar rechtvaardig, over haar zonen regeerde.

Op een avond stelde Bram voor om naar zijn ouders te gaan. Debby zag hier tegenop en keek er naar uit. Door de manier waarop de broers en de schoonzussen vertelden over Brams ouders, had ze veel zin om ze te ontmoeten. Dat zij, in plaats van Jane, mee ging met Bram vond ze toch iets waar ze tegenop zag. De liefde en het gevoel welkom te zijn dat deze mensen uitstraalden, omhulde haar zonder verstikkend te zijn.
Op een samenzijn van de hele familie een paar weken later zei Debby tegen hun moeder: “Nu snap ik waarom jullie zulke leuke zonen hebben, ze zijn net hun vader, maar dan wel opgevoed door u.”
“Horen jullie dat? Eindelijk iemand die mijn onmenselijke zware taak waardeert.”
“Mam, wij waarderen het ook hoor, Debby is gewoon een walgelijke slijmster.”
De volgende stap was een ontmoeting met de schoonouders van Bram.
Bram belde, na een zware strijd met zichzelf, naar zijn schoonouders en vroeg of hij, samen met een kennis, de volgende dag langs mocht komen.
Er werd niet gevraagd wie of waarom, het enige wat zijn schoonmoeder zei was: “Natúúrlijk, jullie zijn hartelijk welkom. Tot morgen dan.”
Onmiddellijk verbrak ze de verbinding. Van Brams ouders wisten zijn schoonouders al wie die kennis was.

Luchtig babbelend, reden ze naar Brams schoonouders toe. Dit ‘babbelen’ was een uiting van zijn nervositeit, wist Debby. Hoe dichter hij bij de bestemming kwam, hoe stiller hij werd. Debby wist dat ze niets anders kon doen dan afwachten, dit was zijn strijd, die moest hij alleen strijden.

Bram parkeerde de auto, alle kleur was uit zijn gezicht verdwenen op het moment dat hij moeizaam uitstapte. Debby volgde hem op een kleine afstand. Met een vrolijk: “Hallo! Komen jullie binnen,” werden ze verwelkomd door zijn schoonvader. Het viel Debby direct op dat er niet werd gezegd: tijd niet gezien of woorden die hetzelfde betekenden.
Ze liepen de kamer in waar zijn schoonmoeder hem zat op te wachten. Duizenden keren had Bram al bedacht wat hij zou zeggen als hij zijn schoonouders zou ontmoeten. Sinds hij met Debby omging, had hij hoop dat hij iets zinnigs zou kunnen bedenken. In de auto had hij  nog gezocht naar mogelijkheden. In zijn hersenen had hij alles een plaats gegeven. Het gevoel van schuld was er nog wel, hoewel hij wist dat hij haar niet had kunnen verbieden te gaan.

Het was haar keuze geweest om, ondanks zijn sterke afraden, toch te gaan. Die eigenwijsheid was een van haar eigenschappen waardoor hij zoveel van haar had gehouden en waardoor hij haar was kwijtgeraakt. Nu hij zijn schoonouders weer zag, verdwenen al die rationele redeneringen: wat overbleef was het schuldgevoel tegenover deze geweldige mensen. Hij zakte op zijn knieën voor zijn schoonmoeder en sloeg zijn armen om haar heen. Huilend herhaalde hij: “Het spijt mij zo, het spijt mij zo.”
Zijn schoonmoeder streelde hem over zijn haren en fluisterde: “Het geeft niet jongen, het is niet jouw schuld.”
“Het is wel mijn schuld, ik had haar tegen moeten houden.”
“Jane tegenhouden, dat kon niemand, zelfs jij niet.”

Debby verloor het dappere gevecht tegen haar tranen. Jane’s vader huilde ook, geen van allen had de behoefte om iets te zeggen op dat moment.
Een non verbale communicatie over wat er met Jane en de kleine was gebeurd, verbond ze met elkaar. Het verdriet van Bram maakte plaats voor een gevoel van opluchting over de manier waarop zijn schoonouders met de situatie omgingen. Jane’s moeder pakte Brams hoofd tussen haar tere handen, met haar duimen veegde ze de tranen van zijn gezicht.
“Stel je ons nog aan je nieuwe vriendin voor? Als ik het goed begrijp, hebben we aan haar te danken dat wij je weer terug hebben.”
“Dat hebben jullie goed begrepen.”

Debby voelde de intense pijn van deze geweldige mensen, maar ook de allesoverheersende blijheid over de terugkeer van Bram. Bram stelde Debby voor en vertelde hoe ze elkaar hadden leren kennen en wat de mindtraining voor hem en zijn familie betekende. Jane’s moeder luisterde geïnteresseerd en zei tegen Debby: “Zoiets doen wij ook, we noemen het bidden.”
“Dat is inderdaad, omdat je alleen aan God denkt, ook een techniek om in alfa te raken.”
“Soms is het verdriet of een andere gedachte zo sterk dat het niet lukt om je te concentreren.”
“Dat is het verschil met de methode die wij gebruiken, daar kan je alle gedachten uit je hoofd altijd laten verdwijnen en de rust vinden om weer snel op krachten te komen.”

Bram vroeg aan zijn schoonvader hoe het met de tuinderij en de kas ging. Vroeger had hij vaak geholpen met tomaten bestuiven en andere klusjes. De kas was verpacht, vertelde zijn schoonvader. Hij had alleen nog een klein hoekje voor zichzelf. Het prachtige weer dwong ze naar buiten en ze liepen een rondje door de tuin en de kas. Bij het naar buiten gaan bekeek Debby, van dichtbij, de foto van Jane en de kleine die aan de muur hing. Ze nam zich voor om thuis ook een foto op te hangen.

Met een mandje tomaten en een paar komkommers kwamen ze weer naar buiten. De verse en onbespoten lekkernijen werden naast de auto in de schaduw gezet. Zijn schoonmoeder stelde voor om naar de haven te wandelen. Deze wandeling had Bram al ontelbare keren gemaakt, gelukkig was het altijd weer leuk om te doen. Zelf vond hij dat hij nog niet aan die wandeling toe was, maar voor zijn schoonouders deed hij het graag.

De vrolijkheid waarmee ze onderweg vertelden over hoe het ging met de andere familieleden, verbaasde Bram. Debby wist al van zijn schoonmoeder, waar zijn schoonouders die positiviteit vandaan hadden. Het was een bewijs van de universele kracht van de mindcontrol. Hoe je het ook doet of hoe je het noemt, de uitwerking is altijd hetzelfde.

Het nichtje dat het huis van Bram had gekocht, woonde er nog steeds. Zij wist ook van het bestaan van Debby. Over het bezoek van Bram wist ze niets. Zijn schoonmoeder vond het beter om Bram eerst met zijn tweeën te ontmoeten voor ze het verder vertelde. Zo kreeg Debby de kans om zonder druk van buitenaf kennis te komen maken. De weg naar de haven kwam langs dat huis waar Bram zo gelukkig geweest was. Ze liepen richting het woud van masten tot Debby verderop een paar mensen in de voortuin van een huis bezig zag De anderen wisten al wie het waren.

Zij zagen hen ook aankomen lopen en bleven als standbeelden stilstaan.  Dan zagen ze met hun verstand wat hun ogen al eerder gezien hadden en ze kwamen naar ze toe rennen. Debby was even verbaasd tot ze dichtbij genoeg was om haar te herkennen. Ze dacht: dat is het nichtje van Jane. Ze lijkt sprekend op de foto. Bram stak zijn armen uit en greep het tengere meisje bij haar middel. Hij tilde haar op en drukte haar tegen zijn borst of ze een pop was. Ze kuste hem op zijn lippen en daarna op zijn hele gezicht terwijl de tranen van vreugde over haar wangen liepen.  Voorzichtig probeerde Bram haar neer te zetten, maar ze klemde zich aan hem vast. De anderen keken ontroerd naar de twee. Eindelijk liet ze Bram los, ze keek hem zéér boos aan en gaf hem een pets in zijn gezicht met haar vlakke hand terwijl ze riep: “Dat wegblijven flik je niet nog een keer!”
“Ik zal het nóóit meer doen,” beloofde Bram.
Het meisje keerde zich naar Debby: “Jij bent dus de reddende engel, welkom in de familie.”
“Biertje?” vroeg de man van het nichtje.

De wandeling naar de haven werd Bram nog even bespaard. Hij trakteerde op een etentje in het restaurant in Akersloot waar hij vroeger met Jane regelmatig kwam. Ook hier was het weerzien
onroerend. Binnen het uur gonsde het nieuws door het hele dorp tot in De Wouden aan toe. Bram had tegen Debby gezegd dat hij direct na het eten naar huis wilde, want door alle emoties was hij doodmoe. Na een afspraak met zijn schoonouders te hebben gemaakt voor een bezoek aan de polder, vertrokken ze naar huis. Daar zaten ze in de tuin met een glas wijn na te praten over wat er allemaal gebeurd was die dag.

Debby vroeg waarom er geen foto van Jane in de huiskamer stond.
“Ik kon de herinnering niet verdragen.”
“Nu weer wel?”
“Ja, nu weer wel.”
“Dan zoeken we een paar foto’s uit en hangen die op.
“Zij horen, net als ik, bij je leven.”
De foto’s kregen een ereplek in de huiskamer.

Hoofdstuk 23

Bram had bijna alle mensen uit zijn verleden weer ontmoet. Het bezorgde hem een gevoel van ongekende kracht. Nog één familie moest hij ontmoeten: Simon en zijn vrouw. Daar was ook de plek waar Jane en de kleine gestorven waren. Met Debby had hij dit besproken. Zij stelde voor om samen een zeilboot te huren en de tocht die Jane gemaakt had samen te doen. Bram belde naar Simon waarbij het hem opviel dat het niet zo veel moeite meer kostte. Simon was blij met de komst van Bram. Ze spraken af om zondagmiddag langs te komen.

Simon had van Brams schoonouders al gehoord, dat Bram daar geweest was. Het belletje kwam dan ook niet als een complete verrassing. Daarna belde Bram zijn schoonouders om te vertellen dat ze van plan waren naar Simon te gaan en dat met een zeilboot wilden doen, net als Jane toen.
“Dat is een wijs idee van Debby, denk ik.”
“Dat klopt.”
“Wij regelen het.”
Dat zij hiervoor iets speciaals voor Bram hadden, vertelden ze niet.

Het weekend daarop vertrokken ze naar Akersloot om met de boot naar Simon op De Wouden te gaan. De ouders van Jane waren al bij de haven aanwezig, om Bram en Debby op te vangen. Zwijgend liepen ze naar de haven waar het schip lag. Bram herkende direct de zeilboot van Jane en zei: “Hoe kan dat nou? Ik had gezegd dat jullie hem konden verkopen.”
“Er is een groot verschil tussen kunnen en willen. Hij is nog steeds van jou, nu kan je beter beslissen wat je er mee wil doen.”

Debby keek om zich heen en zag de gezellige haven, waar mensen af en aan liepen van en naar hun boten met koeltassen en picknickmanden. Ze zag de herkenning op de gezichten van veel mensen, maar niemand stoorde het intieme samenzijn van Bram en zijn schoonouders. Debby kon zich de passie voor het zeilen en de drukte in de haven, heel goed voorstellen. Na een afscheidskus met Brams schoonouders vertrokken ze. Debby kreeg een stoomcursus zeilen en even later voeren ze het Alkmaardermeer op.

Bram was stil, maar Debby zag dat hij ondanks de herinneringen toch van de rust op het water genoot. Debby zat te denken aan de mogelijkheid om vanuit Den Oever tochtjes te gaan maken op de Waddenzee en het IJsselmeer met de broers.  Met de vraag: “Aan wat voor wilde plannen zit je te denken?” haalde Bram Debby uit haar overpeinzingen.
“Dit schip in den Oever neerleggen en dan tochtjes op de Waddenzee maken.”
“Dat klinkt goed.”

Verder waren ze stil, op een enkele aanwijzing na om de boot op koers te houden. Een meerkoet op zijn drijvende nest, keek wantrouwend naar de boot met zijn illustere passagiers. De kleine golven van het meer leken, samen met het bewegende riet, te dansen op het ritme van de wind. Ze bereikten de aanlegplek van Simon die, samen met zijn vrouw, aan de tafel op het einde van de steiger zaten te wachten. Na het voorstellen werd de koelbox geopend voor een alcoholische versnapering. De reden van hun komst zorgde ervoor dat er af en toe een stilte viel, waarin ieder voor zich probeerde de juiste opening te vinden om over het moeilijke onderwerp, waarvoor ze ook kwamen, te beginnen. Debby voelde de  spanning van de sympathieke Simon en zijn vrouw. Ze besloot dat het verstandig was dat zij als buitenstaander hierover zou beginnen.
”Mag ik jullie een pijnlijke vraag stellen?”
Bram begreep meteen wat ze ging doen en was haar daar, net als Simon,  dankbaar voor.
”Natuurlijk mag dat.”
“Waar heb je ze gevonden, Simon?”

Zwijgend liepen ze naar de plek die gemarkeerd werd door een paar op elkaar gestapelde stenen, met een door de dochter van Simon geplante kleine bloeiende vetplant ertussen. Het vormde een eenvoudig, maar indrukwekkend monument. Spontaan gingen ze in een kring staan met de armen om elkaar heen en ontlaadden, zonder terughoudendheid en schaamte, hun pijn en hun frustratie. De tranen werden door de droge grond dankbaar opgezogen. De grond waarop, voor het gevoel van Bram, erg lang geleden zijn vrouw en zoon in het noodweer hun einde hadden gevonden.

Hoofdstuk 24

Brian liep nog steeds met plannen rond om op de Debby manier, zoals Joke het noemde, seminars te gaan geven aan kader en personeel van bedrijven. Op dit gebied had hij veel ervaring opgedaan bij het bedrijf van de broers. Samen met Rik had hij een direct respons systeem ingevoerd.
Wanneer iemand iets bijzonders gedaan had, tijdens grote drukte bijvoorbeeld, kreeg hij een beloning. Deze bestond soms uit een oprechte schouderklop of een bloemetje, tot een etentje op kosten van de zaak.
Dit verhoogde de productiviteit en de stemming op het werk, want iedereen kwam af en toe in aanmerking voor de beloning, daar zorgden ze wel voor. Het ziekteverzuim, dat al laag was, werd nog lager. Na de training van Debby werd dit systeem geperfectioneerd. Het maken van fouten werd niet bestraft. Degene die een fout maakte, meldde dit direct. Dan werd er alles aan gedaan om de fout zo snel en voordelig mogelijk te herstellen. Gebeurde het wel vaker, dan werd onderzocht waarom hij werd gemaakt. Soms werd de werkmethode aangepast en soms kreeg de medewerker een bijscholing van de broers. Een héél enkele keer werd er iemand overgeplaatst naar ander werk. De sfeer op kantoor was altijd prima, in geval van nood, ook buiten werktijd, kregen ze altijd hulp van het personeel.

Bij het opleidingsinstituut waar Brian vroeger voor gewerkt had, probeerde hij ook om een positieve instelling in zijn opleiding te propageren, want leiding geven op een negatieve manier werkt contraproductief. Buiten het verbergen van fouten, wordt  er nooit méér gedaan dan strikt noodzakelijk is om de baas net niet kwaad te laten worden. Moet er iets extra’s gedaan worden, dan heeft iedereen het op het werk of buiten kantooruren thuis, vreselijk druk. Met dreigen van sancties dwingt men mensen toch te komen, wat in het verminderen van de motivatie en het verzuim goed tot uitdrukking komt. Bij grotere bedrijven leidt het ook tot sabotage en stelen wist hij. De spottende respons die hij bij die cursus vaak kreeg was: ”Dat moet je tegen mijn baas zeggen.”
Het eerste wat dus moet gebeuren, wil je een bedrijf positief en productief laten zijn is: de directie leren positief te denken en doen. De volgende stap in dit proces was dus het leidinggevend personeel de alfatraining geven. Doe je dat niet dan kan je praten en lesgeven wat je wilt, maar dan werkt het niet. Het is volkomen zinloos om tegen iemand die de wereld negatief bekijkt te zeggen: dat moet je niet doen, zonder hem de kans te geven echt te kunnen veranderen. De cursus moet daarom bestaan uit twee delen: leren hoe je op een positieve manier problemen oplost en leiding geeft en een alfatraining om dat te kunnen doen. Hoe hij dat in de praktijk moest brengen, had hij op kantoor met de anderen af en toe besproken.

Debby had hierover wel een ideetje, maar voor ze dat aan Brian zou voorleggen, wilde ze eerst met Bram overleggen.
“Bram, luister.”
“Ik luister, maar ik hoor alleen een geit mekkeren. De vraag is nu, ben jij een geit?”
Debby negeerde met een glimlach de opmerking.
“Brian wil op de mindcontrol manier seminars voor bedrijven gaan organiseren. Lijkt het jou een idee om het mind gedeelte hier op de boerderij te doen?”
“Nee. Ik ben gek op mijn broer, maar ik moet hem niet elke dag om me heen hebben.”
“Je broer komt hier niet, alleen zijn klanten voor de alfa training. De rest van de cursus moeten ze bij hem in de buurt doen, anders moet hij iedere dag op en neer reizen.”
“Dat klinkt al veel beter,” klonk het aarzelend, want hij zag aan Debby’s gezicht dat ze nog niet alles verteld had.
“Dan heb ik nog een idee.”
“Je bent niet te stuiten vandaag. Kom op, vertel.”
“Waarom beginnen wij niet zelf iets? We kunnen mensen helpen met hun problemen. We laten arme mensen niets of een beetje betalen en mensen met geld veel. We kunnen met de cursus van je broer een basisinkomen creëren waardoor we niet meer elke dag naar Amsterdam hoeven.”
“Dat is een geweldig idee. De boekhouding doen voor allerlei smerige oplichters ben ik al een tijdje zat.”
“Je kunt er ook een klein administratiekantoor voor jezelf bij beginnen voor de mensen hier in de omgeving.”
“Debby, je bent een genie.”
“Dat mag je wel zeggen, ja.”
Debby zag een kans voor een practical joke.
“We nodigen je broers en vrouwen zondagmiddag uit om ze onze plannen uit te leggen.
We doen heel geheimzinnig en zeggen dat ze niets tegen iemand mogen zeggen, dan zal je zien dat Puk haar klep niet kan houden. Die gaat zeggen dat we gaan trouwen of dat ik in verwachting ben.”
“Mijn god, wat ben jij zalig gemeen.”
“Ja, erg hé.”

Puk kon uiteraard haar mond niet houden. Binnen één dag waren er al, onder grote hilariteit, weddenschappen afgesloten door het personeel op: gaan trouwen of in verwachting zijn. Debby deed of ze niets merkte.
Ze verheugde zich op het gezicht dat Puk zou zetten bij de onthulling van hun plannen. Bram had een flip-over geregeld op kantoor dat ze die avond mee naar de polder namen. Elke avond bespraken ze hun plannen die steeds uitgebreider werden. Het begon met een stilteruimte om de trainingen in te geven. Deze moest worden ingericht als een normale huiskamer met een aantal makkelijke stoelen of ligbedden. Wat vooral niét moest was een sfeer creëren die afwijkt van wat normaal is. De mensen moesten het gevoel krijgen dat ze dit ook zelf in hun eigen huis konden doen, zonder welk hulpmiddel van Debby, Bram of iets in de inrichting van de kamer, dan ook. Volledige geestelijke onafhankelijkheid was datgene wat ze mensen wilden leren. Het bracht Debby op een idee voor een naam: instituut voor Volledig Geestelijke Onafhankelijkheid, met de werknaam VGO en VGO training.

Zowel Debby als Bram waren grote muziekliefhebbers. De logische volgende stap was om een muziekruimte te creëren. Hierin zou een groot scherm komen waar concerten op geprojecteerd konden worden. Een goede geluidsinstallatie zorgde voor de benodigde decibellen.
Een aantal statafels en zitjes en een klein podium voor huiskamerconcerten maakte het compleet. Het laatste idee was een zwembad en fitnessruimte.

Op zondagmiddag om twaalf uur waren Puk en Rik al op de boerderij voor de onthulling van het grote geheim. Debby en Bram stonden nog onder de douche toen het karakteristieke geluid van Rik zijn toeter klonk.
“Die is écht nieuwsgierig, anders is ze op zondag nooit uit bed om deze tijd,” merkte Bram op.
“Des te langer kan ze zweten in onzekerheid, ze denkt natuurlijk dat wij het nu alvast tegen haar gaan zeggen.”
“Doe jij eens een beetje lief tegen mijn schoonzusje.”
“Boontje komt om zijn eigen deegkoekje,” sprak Debby raadselachtig.

Puk en Rik zaten in het nazomerzonnetje een appel te eten die ze van de boom hadden geplukt. Tijdens de welkomomhelzing fluisterde Rik in Debby’s oor: “Ze is niet te houden van nieuwsgierigheid.”
“Ze moet wachten tot iedereen hier is.”
“Dat zal haar leren zich te beheersen.”
“Koffie?” informeerde Bram.
“Nee, eerst wil ik weten waarvoor we komen,” commandeerde de volledig opgefokte Puk.
“Dat is gepland voor vier uur en niet eerder.”
“Debby! Wat ben jij een etter, dat doe je erom. Bram, zeg dat ze het zeggen moet.”
“Nee, lief schoonzusje, je moet wachten.”
“Rik, die heks heeft Bram helemaal in haar macht.”
Rita keek verstoord, door het harde lachen van de vier, op van het grazen.

Bij de koffie was er appeltaart, gebakken door de moeder van Bram, van appels uit zijn eigen tuin. Om drie uur waren ook Joke en Brian aanwezig. De drie broers die uiterlijk zo op elkaar leken, waren qua karakter erg verschillend, wat vroeger nogal eens voor spanningen zorgde. Door de training, die ze allemaal hadden gedaan, waren die verschillen  kleiner geworden en hadden ze meer begrip voor de mening van de ander. Puk wist, dat wanneer ze liet blijken dat ze ongeduldig was, ze langer moest wachten. De anderen wisten dat ook, waardoor het een soort pantomimevoorstelling werd om met kleine gebaren Puk te verleiden toch ongeduldig te worden. Puk negeerde hooghartig de hints.
“Zullen we dan maar,” stelde Debby voor.
“Rustig aan,” blufte Puk.
“Daar heb je gelijk in Puk, laten we eerst gaan eten.”
“Als je niet snel opschiet, draai ik je een bal af,” dreigde Puk schertsend.

Ze liepen de hal binnen waar vijf stoelen in een halve cirkel stonden opgesteld. In het midden van die cirkel stond een ezel met een flip-over erop. Verbaasd namen ze plaats. Debby ging bij de flip-over staan. Op het moment dat iedereen op zijn plaats zat, sloeg ze de eerste bladzijde om.
Er verscheen een blad met in grote letters de tekst: ”Wie heeft gewed op in verwachting zijn, is zijn geld kwijt.”
Het duurde een paar seconden voor de volledige betekenis doordrong tot de anderen.
“Ik heb mij per ongeluk versproken,” mopperde Puk toen ze uitgelachen waren.
Debby had ondertussen de volgende bladzijde omgeslagen.
“Wie zijn geld heeft gezet op trouwen, is dat ook kwijt. Wat is het wel, vragen jullie je nu af natuurlijk?”
“Ik moet erkennen dat enige nieuwsgierigheid mij nu niet meer vreemd is,” erkende Brian.
“Dat zullen we jullie vertellen in de huiskamer.”
“Dus die hele flip-over toestand is alleen om mij te treiteren,” stelde Puk grimmig vast.
“Het is allemaal haar idee,” riep Bram in een desperate poging de straf van Puk te ontlopen. Ze rende hem achterna het woongedeelte in.
Daar onderging Bram lijdzaam zijn straf en de kus om het weer goed te maken.

Debby was onderweg om drinken in te schenken toen het buurmeisje het erf op kwam fietsen. Ze had haar blauwe overall aan, haar lange blonde haren, met een zweem van rood erin, stroomden golvend op het donkere blauw van de overall. In deze outfit zag haar vader haar het liefste, gewoon een hulpje in werkkleding. Voor de broers was ze een godin in blond en blauw en dat lieten ze haar merken ook. Door de bewondering voor haar uiterlijk en haar persoon, die ze al jaren van Bram kreeg, was ze van een knechtje veranderd in een jonge, zelfbewuste vrouw. Nu kwam daar de bewondering van de twee andere mannen bij. De broers waren in staat om een vrouw zich mooi en begeerlijk te laten voelen, zonder dat ze bang hoefde te zijn dat ze meteen boven op haar sprongen. Het buurmeisje wentelde zich behaaglijk in de aandacht van de broers voor ze vertelde waarvoor ze kwam.
“Rita 54 gaat kalven. Of jullie willen kijken?”
Haar vader had haar bevolen om Bram en Debby te halen. Ze was begonnen te zeggen dat zij visite hadden. Haar vader had haar afgesnauwd: “Houd je kop en ga ze halen.”
“Mogen wij mee?” vroeg Joke.
Nu kon ze wraak nemen op haar vader door te zeggen: ”Ja hoor, kom maar mee.”
Haar vader zou kwaad zijn, want bij het kalven is rust nodig en niet een grote groep toeschouwers, tenzij het niet goed gaat, dan maakt het niet uit wie er bij zijn. Eigen schuld dikke bult, dacht ze. Bram had zijn bedenkingen, want hij wist hoe het er in de stal uitzag. Geen plek om met nette kleren heen te gaan, laat staan met de pumps die Puk droeg.
Dat probleem loste Debby op door Puk een paar van haar laarzen te lenen.
Bram liet ze beloven dat ze stil moesten zijn en vooral niet in de weg moesten lopen.

Verbaasd zag de moeder van het buurmeisje de groep voorbijkomen op weg naar de stal.
“Pap. Ik had je willen zeggen dat ze visite hadden, maar je liet mij niet uitspreken. Daarom heb ik ze allemaal meegenomen.”
Haar vader had geen tijd om boos te worden, want het kalf lag verkeerd en de koe moest geholpen worden. Bedremmeld stond het groepje toe te kijken hoe hij met zijn arm in de koe voelde hoe het kalf lag. De dierenarts arriveerde even later om te helpen. Bram vroeg aan hem of ze weg moesten gaan. Het werd een moeilijke bevalling, daarom mochten ze erbij blijven zolang ze stil waren en niet in de weg liepen. De vrouw van de boer had alles klaargelegd, zoals oude handdoeken.

Na een lange strijd werd het kalf er met een touw uitgetrokken. Bram die al behoorlijk wat gewend was op het platteland, was toch weer door de rauwe schoonheid hiervan overrompeld. Hij vroeg zich af hoe de anderen zich zouden voelen. Aan de witte gezichten kon hij zien dat ze totaal in de greep waren van wat zich hier afspeelde. Met een ingetogen kreet van blijdschap zagen ze het kalf geboren worden.
“Jullie mogen hem wel schoonwrijven riep de boer blij.”
Aarzelend liepen ze naar het kalf toe.

Met stro wreven ze hem schoon. Dit symbolische gebaar gaf ze een gevoel van verbondenheid met de nieuwe bewoner van de polder.
“Het is een stierkalf,  we noemen hem Bram.”
“Nu maar hopen dat hij net zo knap wordt als zijn naamgever,” zei het buurmeisje. Het was een goede gelegenheid om hem een kus te kunnen geven, die met plezier werd ontvangen.

Op televisie hadden de broers en hun vrouwen wel eens gezien hoe een kalfje geboren werd. Dat zag er altijd afstandelijk en overzichtelijk uit. Dit was de harde werkelijkheid met de geur van mest en vruchtwater. Bram probeerde ze mee naar huis te laten gaan. Daar was geen sprake van, het kalfje was veel te vertederend om weg te gaan. Waar ze gelukkig geen idee van hadden was dat, wanneer het kalf niet goed genoeg was om mee te fokken, hij binnen een jaar bij de slager zou liggen. Daar praatte gelukkig niemand over. Zelfs bij de botste boer was enig gevoel.

In de boerderij was het tijd voor een borrel op de nieuwgeborene die door zijn moeder, in alle rust, verder werd gewassen. De eerste fles jenever was, samen met een kist bier, snel leeg. De vrouwen hielden het op een frisje, zij boden helemaal vrijwillig aan om terug te rijden naar Amsterdam. Ze mochten, wanneer ze bij Bram waren, altijd even komen kijken naar het kalf, beloofde de boer. Met deze woorden namen ze afscheid.

Nog steeds onder de indruk van wat ze gezien hadden, liepen ze naar het huis van Bram. Na het terugkeren van de geboorte van Bram de stier hadden ze de plannen van Debby en Bram besproken. De broers en hun vrouwen vonden het idee goed. Puk vond vooral het zwembad een geweldig idee. Ze spraken af om regelmatig overleg hierover te plegen. De plannen van Brian voor zijn bedrijfstrainingen waren voorlopig nog niet definitief.

Hoofdstuk 25

Met het invallen van de herfst onderging de polder een dramatische verandering. De vele regen veranderde alles in een modderpoel. Wanneer de regen even stopte, werden de landerijen en wegen bezet door trekkers en rooimachines. Dag en nacht werden de producten zoals mais, aardappelen en suikerbieten van het land gehaald. Spookachtig reden ze met hun felle verlichting door het land.
“Waarom rooien ze ook ’s nachts?”
“Dat komt omdat het lang geregend heeft. Wanneer er te veel water op het land staat, kunnen ze niet oogsten. Nu is het een paar dagen droog en daar wordt maximaal van geprofiteerd, want er is al weer nieuwe regen voorspeld.”

Zolang het niet regende, waren de wegen modderig, maar wel redelijk te berijden. Bij de eerstvolgende regenbui glibberden ze over de weg naar huis.
“Ik zie nu wat je bedoelt, dat het landelijk wonen ook zijn nadelen heeft.”

Af en toe gingen ze bij Bram de stier kijken, hij groeide snel op en beloofde een topper te worden.
Op bescheiden schaal waren Debby en Bram begonnen mensen te helpen met kleine problemen. Om dit te kunnen doen, hadden ze tijdelijk een van de kamers in het voorhuis ingericht. De problemen varieerden van vrouwen met een aangetast zelfvertrouwen door de suggestieve opmerkingen als: “Zo! Die heeft een mooi figuur,” van hun man, bij het zien van een bekend model op televisie. Ze namen deze opmerkingen véél te serieus en kwamen bij Debby en Bram voor hulp om ook zo’n modellenfiguur te krijgen, wat uiteraard niet mogelijk was. Door de training en de opmerkingen van Debby en Bram dat ze er als zichzelf geweldig uitzagen, werd hun zelfvertrouwen veel groter. In plaats van zich iets van de opmerkingen van hun man aan te trekken gaven ze nu commentaar terug als: ”Hoor Brad Pitt eens. Jij ziet er lekker afgetraind uit met je vette pens.”

Er waren mensen die geen rust kenden, zoals een man en een vrouw die een baby hadden gekregen. De man kwam bij ze met de klacht: “Wanneer ik bij mijn kind ben voel ik mij schuldig, want ik moet het huis verbouwen.
Ben ik aan het verbouwen, dan voel ik mij schuldig omdat ik niet bij mijn kind ben. Voor mijn gevoel ben ik veel te weinig bij mijn kind en de verbouwing schiet niet op. Ik heb alle reden om gelukkig te zijn, maar ik ben het nooit.”
Na vijf  sessies vertelde hij enthousiast: ”Ik ben, voor mijn gevoel, de hele dag bij mijn kind en de verbouwing gaat tien keer zo snel.”

Veel energie wordt gestoken in negatieve dingen, waar je niets mee opschiet. Op deze eenvoudige manier focus je op wat wel kan en niet op wat niet kan, was het commentaar van de mensen die ze hielpen.  Ze kregen steeds meer klanten met hun kleine problemen, tot ze een keer bezig waren het pad naar de schuur sneeuwvrij te maken.

Bettie en Peter

Hoofdstuk 26

Debby en Bram waren bezig het pad naar de schuur sneeuwvrij te maken. Over de weg kwam een brommer aanrijden. Verderop reed een auto, veel te hard, over de gladde weg. De brommerrijdster kwam hun erf oprijden. De bestuurder van de auto begon te remmen waarbij hij bijna in de greppel langs de kant van de weg terechtkwam. De brommerrijdster stapte af en rende naar Bram toe.
“Help mij, hij wil me kwaad doen,” smeekte de vrouw.
De chauffeur van de auto kwam het erf oplopen en riep tegen de vrouw:
”Meekomen jij.”
De vrouw bleef angstig staan. De man kwam op haar aflopen tot de weg versperd werd door Bram die op een vriendelijk toon tegen hem zei: “Wilt u van mijn erf af gaan.”
“Niet zonder mijn vrouw.”
“Wedden van wel.”
De vriendelijkheid was uit de stem van Bram weg. Een heel andere toon was daarvoor in de plaats gekomen, een waar de man van schrok. Debby ook, want zo had ze haar Bram nog niet eerder horen praten. Heel even aarzelde de man nog. Bram kwam een stap naar voren. De man deed er twee achteruit. Dan draaide hij zich om en rende naar zijn auto. Bram keek naar de vrouw.
“Kopje koffie?”

Bram hielp mee om de brommer van de vrouw in de schuur te zetten. Ze had haar helm afgedaan, en schudde haar donkerblonde haren los. Bram zag nu haar gezicht, getekend door angst en stress. Zwijgend liepen ze naar de kamer, waar Debby koffie aan het zetten was.
“Geef mij je jas maar.”
Verbaasd over zoveel beleefdheid, want dat was ze niet meer gewend, gaf ze Bram haar jas die hij naar de kapstok bracht.
Debby bleef bij haar in de kamer.
“Ga lekker zitten.”
De vrouw ging op de bank zitten. Ze pakte een zakdoek uit haar broekzak en begon nerveus aan de hoekjes te pulken.

Bram kwam terug, hij stelde zichzelf en Debby voor aan de vrouw.
“Bettie. En bedankt dat u mij geholpen heeft.”
“Daar hebben we het later wel over. Eet je straks mee?”
Nu drong het tot Bettie door in welke positie ze zich bevond. Ze zat bij mensen die ze helemaal niet kende. Hiervandaan kon ze nergens meer veilig heen. Haar familie had de kant van haar man gekozen, omdat hij een meester was in het manipuleren. Ze moest of zelfmoord plegen of weer terug naar de man die haar lichamelijk en geestelijk mishandelde. Geen van beide opties was op dit zeldzame moment waarop ze zich veilig voelde, aanvaardbaar. Debby en Bram zagen haar denken en wisten wat er komen ging. De tranen liepen eerst geluidloos over haar wangen. Debby ging naast haar zitten, sloeg troostend een arm om haar heen en fluisterde: “Gooi het er maar uit.”

Nadat ze uitgehuild was, vroeg Bram zacht en rustig pratend of hij een kind aan het troosten was: “De man in de auto, daar ben je mee getrouwd neem ik aan.”
“Inderdaad, hij heet Peter.”
“Hou je nog van hem?”
“Heel veel.”
“Dat is mooi, maar niet zoals hij nu is.”
“Nee,” klonk het in een snik.
“Waarom mishandelt hij je?”
“Hoe weet je dat hij mij  mishandelt?” klonk het geschrokken.
Daar is de angst weer terug, dacht Debby.
“Dat kan ik aan je zien en je hebt het zelf gezegd.”
“Wanneer dan.”
“Toen je hier aankwam zei je:’hij wil mij kwaad doen.’”
“Maar zo bedoelde ik het niet.”
“Je bent hier volkomen veilig. We waarschuwen je man niet dat hij je moet ophalen of zo. We zetten je ook niet op straat. Wanneer je wilt, mag je hier blijven slapen.”

Debby zag hoe de vrouw Bram onderzoekend aankeek. Ze zocht naar tekenen van bedrog, iets wat ze in haar leven maar al te vaak had moeten meemaken; ze vond niets. De rust en de positieve atmosfeer in de kamer deden hun werk. De vrouw kon zich eindelijk ontspannen. Debby zag haar veranderen in zichzelf. De angst verdween, waardoor haar gezicht een uitdrukking kreeg van kinderlijke verbazing over haar omgeving. Debby en Bram keken elkaar even aan. Dat was voldoende overleg om het met elkaar eens te zijn, wat de ander ook zou doen of zeggen.

“Ik kan hier toch niet zomaar blijven, jullie kennen mij helemaal niet.”
“We kennen je voldoende om te weten dat je in gevaar bent, dat is voor ons reden genoeg om je te helpen, óók op langere termijn.”
“Wat bedoelen jullie met langere termijn?”
“Totdat je veilig thuis kunt zijn.”
“Daar ben ik nooit veilig.”
“Dan gaan we daar voor zorgen. Wil je ons vertellen hoe het allemaal begonnen is.”
“Dat wil ik wel.”

Bettie vertelde dat hun huwelijk in het begin prima was, zij had een baan op een verzekeringskantoor, Peter maakte promotie tot uitvoerder bij het bouwbedrijf waar hij werkte. Alles ging prima tot de vader van Peter overleed. Tot verbazing van Bettie trok Peter zich dat erg aan, hoewel hij nooit meer contact had met zijn vader. Hij werd gemeen tegen haar. Hij beschuldigde haar ervan een verhouding te hebben met iemand van haar werk. In het begin dacht ze dat hij zo deed door het overlijden van zijn vader, hij groeide daar wel overheen hoopte ze. Dat gebeurde niet, het werd steeds erger. Ze moest van hem haar baan opzeggen en thuis blijven. Dat weigerde ze. Die avond kreeg ze voor de eerste keer klappen. Totaal overrompeld rende ze weg naar haar ouders. Die geloofden haar niet, want Peter was zo’n lieve man, zeiden ze. Ze belden hem op om te vragen wat er aan de hand was. Hij vertelde dat hij niet begreep waarom ze weg was gegaan. Het zullen haar hormonen wel zijn, ik ga met haar naar de dokter, beloofde hij. Kom haar maar halen, zei haar moeder tegen Peter. Bettie raakte in paniek en wilde weglopen. Haar ouders hielden haar tegen, want Peter had beloofd met haar naar de dokter te gaan om haar te helpen.

Zo isoleerde hij haar van al haar vrienden en familie terwijl hij de behulpzame echtgenoot van een zieke vrouw speelde en haar de schuld gaf. Het dreigement dat hij haar zou vermoorden als ze wegliep, nam ze serieus. Murw geworden, deed ze haar best om hem niet kwaad te maken.
Wanneer het eten niet naar zijn zin was, kreeg ze slaag. Het werd steeds erger, want hij vond altijd wel wat om haar te kleineren en te mishandelen. Gisteren kon ze er niet meer tegenop en ging ze met de brommer naar de spoorwegovergang om daar voor de trein te springen.
Peter was die dag eerder thuisgekomen van zijn werk. Hij had aangevoeld dat er iets te gebeuren stond met Bettie. Ze had zich die morgen anders gedragen dan hij gewend was. Ze had een afscheidsbriefje geschreven dat ze op de tafel had gelegd, daarin had ze geschreven wat ze ging doen.
Hij sprong direct in zijn auto, want hij wist waar ze dat zou kunnen doen. Ze zag hem aankomen en was radeloos bij Bram het erf opgevlucht.

Wouter en Dennis

Hoofdstuk 27

Debby had gewacht om de brief van haar opa aan Bram te laten lezen, omdat ze vond dat hij eerst zijn verleden moest verwerken. Nu vond ze het tijd worden.
“Bram, ik heb ooit een brief gekregen van mijn opa waarin staat wat er met mijn ouders is gebeurd. Als je wilt mag je hem lezen.”
“Dat wil ik wel.”

In absolute stilte las hij de brief.  Debby wachtte gespannen af wat hij er van zou vinden. Tijdens het lezen begon hij te beseffen dat wat hij las niet gebeurd kon zijn. Tot een crime passionele of een vlucht is iedereen in staat wanneer de omstandigheden iemand daartoe drijven. Een weloverwogen moord of in dit geval een daad van gerechtigheid, hoe groot die gerechtigheid ook is, kan een ‘normaal’ mens niet. De brief had hij al uit, hoewel hij nog naar het papier zat te kijken. Hij moest beslissen of hij wel of niet aan Debby zou vertellen wat hij dacht. Hij besloot te zwijgen, tot hij de tijd had genomen om hier langer over na te denken.
“Je mag trots zijn op je oma en opa, het waren dappere mensen.”
“Ik ben blij dat jij dat ook vindt,” klonk het opgelucht.
“Jij dacht toch niet dat ik ze zou veroordelen?”
“Nee, maar met jou weet je het nooit.”
“Daar heb je gelijk in. Mag ik de brief een tijdje houden, want ik wil hem later nog wel een keer lezen.”
“Maak er maar een kopie van.”

Ze vreeën kort maar heftig die avond. Debby viel direct daarna in slaap. Bram niet, hij dacht aan de onmogelijkheden in de brief. Zodoende kwam hij op de gedachte: dat in de brief is niet gebeurd, maar wat dan wél. Morgen ga ik beginnen met een onderzoek naar wat er echt gebeurd kan zijn, nam hij zich voor.

Bram begon, op zijn werk, op Internet, te zoeken naar informatie over de moord. Het was inderdaad een druggerelateerde misdaad. Dat betekende niets voor Bram, want die informatie kon haar opa ook uit de krant gehaald hebben. Over haar vader kon hij alleen vinden dat hij verdwenen was, de zelfmoord had de commissaris zorgvuldig uit het nieuws gehouden. Bram begon alles te overdenken. Haar moeder was aan de drugs en speelde voor hoer. Haar vader zou kunnen gaan scheiden. Niets aan de hand dus. De aanwezigheid van Debby maakte het gecompliceerd omdat zij verkocht zou gaan worden aan een pedofiel. Zij is dus de sleutel van alles, alleen op welke manier dan. In een flits had hij de oplossing: wie is de degene aan wie Debby verkocht zou worden? Wanneer ik dat weet, dan is het misschien mogelijk uit te vinden wat er gebeurd is, dacht Bram. Het gedeelte uit de brief waarin stond dat Debby’s vader begraven was op zijn geliefde begraafplaats, geloofde Bram ook niet. Dat kon haar opa verzonnen hebben omdat de waarheid veel te gruwelijk was of hij wist niet wat er met zijn zoon gebeurd was. Het verhaal over zijn dood was geromantiseerd om Debby, zo mogelijk, gerust te stellen. Nu hij alles had opgezocht wat hij met zijn beperkte middelen kon vinden, besloot hij Wouter, een misdaadverslaggever voor wie hij al jaren de boekhouding deed, te raadplegen. De geldzaken voor Wouter doen hield in dat er soms creatieve oplossingen gevonden moesten worden, want zijn onkosten waren niet altijd legaal. Tijd om iets terug te doen en misschien een schitterende scoop te krijgen vriend Wouter, dacht Bram.
“Wouter heb jij tijd om even bij mij op kantoor langs te komen?”
“Tijd zat, ik heb op dit ogenblik niets om handen.”
“Dan breken er nu gouden tijden voor je aan.”
Met de woorden: “Ik kom er aan,” belde Wouter af.

Bram liet Wouter eerst plechtig beloven dat hij niets zou doen of publiceren zonder eerst met Bram te overleggen, want Debby mocht er niets van weten.
“Ze moet wel érg bijzonder zijn dat je al die moeite doet.”
“Dat is ze ook,” beaamde Bram.
Bram gaf hem een kopie van opa’s brief.
“Je mag hem lezen, maar niet houden.”
Na het lezen keek Wouter Bram aan.
“Ik mag aannemen dat je niet gelooft wat er in die brief staat?”
“Dat mag je ja. Wat mij intrigeert is, wie zou Debby kopen?”
“Daar zat ik ook al aan te denken. Als jij nou naar dat kerkhof gaat om uit te zoeken of haar vader daar zou kunnen liggen, dan ga ik alvast beginnen met mijn netwerk te raadplegen wie er allemaal in aanmerking komt.”
“Afgesproken Wouter, ik zie je hier maandag op kantoor.”

Hoofdstuk 28

Bram verzon op zijn werk een smoes om naar de begraafplaats te gaan, waar de vader van Debby begraven zou zijn. Debby had hem verteld dat ze vroeger, met haar vader en grootouders, hier veel tijd hadden doorgebracht. Hij kon zich dat heel goed voorstellen. De rust en de relatieve stilte van de plek, waren een verademing in de altijd drukke stad.
Hij liep naar het einde van het parkje, waar inderdaad de bankjes stonden  en het hek was. De paarden waren er ook, hoewel dat wel andere zullen zijn, dacht hij. Zittend op een bankje keek hij om zich heen. In gedachten zag hij Debby met haar lange, bruine haren tussen de hegjes rennen. Een plotseling opkomend gevoel van harmonie met de omgeving nam bezit van hem. Hij sloot zijn ogen om in alfa te gaan. Het gevoel van harmonie werd sterker. Hier ligt hij niet, dacht hij. Hij hoorde een zacht gekuch. Een oudere vrouw stond vlak bij hem. Zij moet uit het witte huis komen, dacht Bram, want net was er nog niemand op het kerkhof. Dan is dit dus de vrouw van het boek.
”Goede morgen.”
“Goede morgen,”  beantwoordde Bram de groet van de vrouw.
“U bent hier voor de eerste keer denk ik,” zei de vrouw, hem welwillend aankijkend.
“Dat klopt, ik ben hier op aanraden van mijn vriendin.”
“Het mooie meisje met de lange, bruine haren. Zij kwam hier ook vaak met haar vader en grootouders.”

Dit was een van de weinige keren in zijn leven dat Bram volledig overbluft was.
“Daar heeft u gelijk in, hoe weet u dat?”
“Ze heeft u het boek ook laten lezen, ik kan het zien aan uw gezicht en houding.”
“Ze heeft het mij inderdaad laten lezen en mij de techniek geleerd.”
“Dan weet u hoe ik het weet.”
“Zo ver zijn wij nog niet. We staan wel open voor signalen van anderen.”
“Daarom vang ik uw signalen op. Met de jaren kunnen jullie dit aspect ook leren, als u daar zin in hebt. Hoe gaat het met haar?”
“Prima, we gaan trouwen.”
De vrouw glimlachte om de logica van Bram.
“Ze heeft een groot probleem, bent u hier om dat op te lossen?”
“Oplossen is een groot woord, ik probeer te begrijpen wat er is gebeurd.”

Bram zag een unieke kans om meer te weten te komen over de techniek waar ze al zoveel voordeel van hadden gehad en hij vroeg: “Waar komt die alfa training vandaan?”
“Die is al zo oud als de mensheid. De ‘primitieve’ mens zoals Indianen, Aboriginals, Eskimo’s, Afrikanen, en voor hen de Neanderthalers gebruikten de techniek voor hun natuurgeneeskunst en communicatie. Respect voor hun voorouders, waar ze via de alfa techniek veel contact mee hadden, en de schepping is hun levensdoel. Hun leven staat op een veel hoger ontwikkeld niveau dan het onze. De enige drijfveer die wij nog hebben is hebzucht waar alles aan wordt opgeofferd.”

Bram liet de woorden tot zich doordringen. Wat is hoger ontwikkeld, vroeg hij zich af: een man op de maan kunnen zetten, maar miljoenen mensen laten creperen van honger en dorst door het vernietigen van hun leefomgeving of in harmonie met de natuur en zijn onuitputtelijke rijkdom aan voedsel, water en geneesmiddelen leven. Wij zijn dus de primitieven was zijn oordeel.
“Ik ben het met u eens.”
“Daar komt u hier niet voor.”
“Daar heeft u gelijk in. Nu ben ik bezig met het oplossen van háár probleem of eigenlijk het probleem van andere mensen die nu in de positie verkeren waar zij bijna in terecht was gekomen.”
“En dat probleem is?”
“Kindermisbruik.”
“Dat is een verschrikking, ook een product van onze hoogstaande beschaving, maar wat heeft dat te maken met deze plek?”
“Als u belooft het niet aan Debby of iemand anders te vertellen, dan zal ik het u zeggen.”
De vrouw glimlachte.
“Dat beloof ik.”
“Eerst een rare vraag. Denkt u dat het mogelijk is om hier iemand stiekem te begraven?”
“Nee, dat kan niet, de sporen daarvan zou ik zeker gezien hebben. Gaat het over de dubbele moord die jaren geleden hier vlak bij is gepleegd?”
“Inderdaad, daar waren haar vader en moeder bij betrokken.”
“In dat geval, dat heeft u niet van mij denk daaraan, zou ik eens naar de hoofdcommissaris Frans ter Apel informeren. Hem heb ik op de bewuste avond uit het portiek van die flat zien komen.”
“Waarom heeft u dat toen niet gezegd? Laat ook maar, het is een domme vraag, niemand tekent graag zijn eigen doodvonnis.”
“Precies, maar nu dat meisje er bij betrokken is, wordt het anders.”
“Ik ben blij dat u toen niets gezegd heeft, anders was die informatie verloren gegaan, nu kan ik hem gebruiken.”
“Wees voorzichtig, het is iemand met veel macht.”
“Wanneer het opgelost is, komen we samen het wonderboek terug brengen.”
“Dat moeten jullie zeker doen. Heel veel geluk samen,” zei de vrouw, terwijl ze opstond en begon weg te lopen.
Deze woorden, door veel mensen als loze kreet bestempeld, hadden een diepe impact op Bram.
Hij bleef nog een tijdje zitten om het gesprek te overdenken.

Hoofdstuk 29

Een aantal maanden geleden hadden Bram en Wouter voor de eerste keer met elkaar gesproken over wat er met de ouders van Debby gebeurd zou zijn. Wouter en Bram hadden ieder een stukje onderzoek gedaan . Bij Bram op de zaak waren ze samen gekomen om de resultaten van hun onderzoek te bespreken. Wouter had in zijn netwerk gezocht naar iemand die Debby gekocht zou kunnen hebben. Hij kon niemand vinden die met haar moeder of haar vermoorde vriend iets te maken had gehad. Bram vertelde dat iemand  de commissaris die avond uit het portiek had zien komen. Wie hem dat verteld had, hield hij voor zich.

Nu had Wouter een naam om gericht te zoeken. Hij begon de commissaris, via Internet en bij de redactie van een krant waar hij vaak voor werkte, te onderzoeken. Het bleek dat hij, op een manier die niet bij zijn functie paste, bij verschillende misdaden zijdelings betrokken was, zoals het verdwijnen van jonge meisjes. Deze informatie was zo vaag dat een normaal mens daar niets achter zocht, maar Wouter was op dit gebied geen normaal mens, dit was zijn jachtterrein. Hij was ervan overtuigd dat ze iets groots en vreselijks op het spoor waren.

Een tegenstander van het formaat als de commissaris, met al zijn vertakkingen en vrienden in de wereld van politie, justitie en onderwereld was levensgevaarlijk. Wouter nam het besluit om Bram er alleen voor informatie bij te betrekken. Voor zichzelf was hij gewend dit soort risico’s te nemen en de gevolgen te dragen. Bij hun volgende ontmoeting instrueerde hij Bram over deze risico’s en hoe ze te werk zouden gaan.
“Bram, dit is levensgevaarlijk.  Jij blijft er buiten, alleen als ik iets wil weten zal ik je hulp inroepen. Is het zover, doe dan exact wat ik zeg, hoe idioot en ongerijmd dat ook lijkt. Kan ik vrijuit praten, dan zal ik je altijd ‘mijn Brammetje’ noemen. Kan ik dat niet, dan zeg ik Bram. Jij weet dan dat ik in de problemen zit en alles wat ik dan zeg of wat ik moet zeggen, klopt dan niet. Straks ga ik op een valse naam een prepaid telefoon kopen. Dat nummer krijg je van mij, maar gebruik het alleen wanneer je echt niet anders kan. Het liefste zou ik willen dat je naar het buitenland zou vertrekken, maar dat kan natuurlijk niet.”

Bram kreeg bijna een lachbui om de manier waarop Wouter dit allemaal in volle ernst zat te vertellen. Voor Wouter was dit normaal, maar Bram kreeg het gevoel in een misdaadcomedy te zijn terechtgekomen. Hij zocht naar tekenen op het gezicht en in de ogen van Wouter of die hem niet in de maling nam. Hij kon niets vinden en besefte dat het dodelijke ernst was.
“Ik zal in de zomer op vakantie gaan, dan kan je in die tijd gerust zijn, grappenmaker,” stelde Bram voor met een grijns op zijn gezicht.
“Heel goed idee. De kans dat we hem voor die tijd kunnen pakken is erg klein. Zoiets vergt maanden van voorbereiding.”

Bettie en Peter

Hoofdstuk 30

Met trillende handen van woede stapte Peter in zijn auto om zo snel mogelijk naar huis te rijden, waar hij in zijn virtuele wereld woonde. Bram was een bedreiging voor die wereld. In paniek probeerde hij om de consequenties te overzien van wat er gebeurd was en kon gebeuren. Bram kon met Bettie naar de politie gaan. Met de gedachte, ik ontken alles, het is haar woord tegen het mijne, stelde hij zich op dit punt gerust. Hij kon ook naar haar ouders gaan. Daar paste dezelfde redenering bij.

Het is haar eigen schuld. Als ze nou maar doet wat ik zeg, dan hoef ik niet kwaad te worden, was zijn standpunt. Door de adrenaline en angst kon hij nauwelijks lopen. In huis was hij veilig, hoopte hij. Daar was hij inderdaad veilig, maar niet voor zijn gedachten. Zijn verleden spoelde in donkere golven over hem heen. Hij dacht aan zijn vader en de mishandelingen die hij en zijn moeder door hem moesten ondergaan.

Hij was ook kwaad op zijn moeder omdat zij hem niet had beschermd tegen de tiran. Zijn virtuele wereldje stortte, samen met hem, in elkaar, want net als bij Bettie drong het tot hem door in welke positie hij was terechtgekomen. Doodsbang voor Bram die naar hem toe zou kunnen komen om hem te confronteren met zijn gedrag, ging hij achter de bank op de grond zitten. Huilend van de pijn door de herinneringen mompelde hij urenlang: ”Ik zal braaf zijn pappa, sla mij niet meer.”

Af en toe zakte hij even weg in een onrustige slaap, tot de volgende morgen de telefoon ging, op de eerste dag van zijn drie weken durende vakantie. Hij zich had voorgenomen om in die drie weken Bettie voor altijd te leren zich te gedragen, zodat hij niet meer kwaad op haar hoefde te worden. De telefoon stopte niet met overgaan, zoals hij had gehoopt.
Door de gedachte dat het Bettie kon zijn die weer terug wilde komen, durfde hij de telefoon op te pakken; het was Bettie niet.
“Hallo Peter,” klonk een zéér vriendelijk stem, “ik wil even met je praten over het misverstand van gistermiddag.”
Onmiddellijk wist hij wie het was. De toon waarop Bram sprak, verraste hem volkomen.
“Dat kan,” klonk het hoopvol.
“Je vrouw was gisteren erg in de war en erg moe. Ze durfde niet meer met de brommer naar huis. We hebben haar hier in bed gelegd om bij te komen. Ze vraagt of je haar straks wil ophalen, want ze is nu nog te moe om uit bed te komen. Zullen we afspreken om elf uur?”
Totaal overbluft door deze positieve wending voor hem, antwoordde Peter:” Natuurlijk kan dat.”
“Dan zien we je straks, Peter.”
“Da, da, dank je,” stotterde Peter door de zenuwen.

Bettie keek Bram totaal verwilderd aan. Hij had haar gewaarschuwd dat het gesprek niet zo zou lopen zoals zij verwachtte, maar dit had ze nooit kunnen bedenken. Debby had haar tijdens het gesprek vastgehouden en in haar oor gefluisterd: ”Raak niet in paniek, we weten wat we doen.”
Deze tactiek hadden Debby en Bram de vorige avond in bed besproken. Met kwaad worden zou Peter steeds verder in zijn eigen wereldje kruipen. Hierdoor zou hij gevaarlijk en onbereikbaar worden voor hulp.

Om elke kans op een confrontatie tussen Bettie en Peter te vermijden, kreeg Bettie instructies van Bram.
“Wanneer Peter komt, ga jij naar boven. Denk erom dat, wat er ook gebeurt, jij daar absoluut moet blijven tot wij je roepen.”
Ze lieten het Bettie plechtig beloven, om het goed in haar hersens te implanteren.

Peter kwam onzeker binnen, bedacht op een valstrik, wat het dan in zekere zin ook was.
“Peter, ga zitten. Wil je koffie?”
“Waar is Bettie?”
“Die zit in bad, ze is net uit bed.”
Debby en Bram zagen de teleurstelling op zijn gezicht. Hij was het liefste direct weggegaan met Bettie.
“Wat voor werk doe je?” informeerde Bram om een gesprek te beginnen.
“Ik ben uitvoerder bij een bouwbedrijf,” antwoordde Peter voorzichtig, nog steeds op zijn hoede voor de valstrik.

De tussendeur naar de schuur en de deur naar de bovenverdieping waren op slot gedaan door Bram. De enige uitweg voor Peter was de voordeur, waardoor hij ook naar binnen was gekomen. Tussen hem en die deur zat Bram en die zat daar niet toevallig. Bram vroeg door over Peters werk en Debby schonk koffie in. Deze rolverdeling verliep zonder afspraken, alles gebeurde op gevoel en intuïtie. Peter kreeg zijn zelfvertrouwen terug, waardoor de angst voor de valstrik verdween. Dit was het moment waarop Bram gewacht had.
“Waarom mishandel jij je vrouw, Peter?”
De vraag werd zo terloops gesteld dat hij bijna antwoordde: ”Omdat ze nooit luistert.”
Dus toch een valstrik, dacht hij.
Wanhopig probeerde Peter een uitweg te zoeken, doodsbang dat Bram hem wat aan zou doen of de politie zou bellen. Dat gebeurde niet, Debby en Bram bleven rustig zitten. Debby had op dit moment gewacht om vriendelijk te vragen: “Nog een kopje koffie, Peter?”
Peter mompelde, overvallen door de vraag van Bram: “Ik weet niet waarom ik het doe, o god, ik weet het écht niet.”
“Hoe zou je het vinden als wij zouden proberen je te helpen om weer de oude Peter te worden?”
“Hoe kunnen jullie mij nou helpen?” klonk het wanhopig.
“Daar moeten we over praten. Ik ben er vrijwel zeker van dat jij ook bent mishandeld.”
“Inderdaad, door mijn vader.”
Het was voor Peter een bijzondere ervaring dat deze twee mensen zo genuanceerd over dit onderwerp praatten. Op zijn werk praatte hij mee wanneer het onderwerp, meestal naar aanleiding van een krantenartikel, ter sprake kwam. ‘Ze moeten die vent zijn handen afhakken,’ was een van de opmerkingen die zijn collega’s dan maakten over iemand die zijn vrouw mishandelde.

Agressie en hoop waren de emoties waar Peter mee worstelde. Aan agressie had hij hier niets, dus concentreerde hij zich op de hoop.
“Daarom doe jij het óók, je weet niet beter.”
“Ik wil het helemaal niet, ik houd erg veel van Bettie.”

Debby nam het gesprek met Peter over.
“Zou je aan een experiment mee willen doen?”
“Het hangt er vanaf wat voor experiment.”
“Wij denken dat we jou kunnen helpen door je verleden gecontroleerd te verwerken. Wanneer dat klaar is, ben je weer jezelf denken we.”
Peter keek Debby ongelovig aan.
“Bestaat zoiets écht?”
“Dat kunnen we samen uitzoeken.”
“Ik heb niets te verliezen, dus ik doe mee.”
“Kom maar mee, dan beginnen we meteen.”
Debby nam hem mee naar de provisorische behandelkamer, die Bram in de schuur gemaakt had.

Bram ging naar Bettie toe en vertelde hoe de ontmoeting was gegaan. Verbaasd en hoopvol keek ze hem aan. Hij beloofde dat zij de behandeling ook kreeg. Bettie bleef in de slaapkamer tot Peter weg zou zijn. Bram ging naar beneden om op Debby en Peter te wachten.

Voor Peter was het een wonder om even vrij te zijn van zijn kwellende verleden, dat zijn hele leven domineerde. Samen met Debby liep Peter na de behandeling de kamer binnen om over de toekomst te praten. Over het feit dat hij zijn kwellende gedachten uit zijn hoofd kon zetten was Peter erg enthousiast. Hij bleef maar herhalen dat het een wonder was. Op zijn vraag: “Kan ik dat thuis ook doen?” antwoordde Debby, bevestigend.
“Dan ga ik de hele dag oefenen.”
Debby en Bram moesten lachen om zijn fanatieke houding. Ze beseften dat Peter een plezierige man was met veel humor. Het maakte ze meer vastberaden om die twee te helpen. Ze spraken af om de volgende zaterdag weer bij elkaar te komen voor de verdere behandeling. Bettie ging met Debby en Bram mee naar Amsterdam om te helpen op kantoor bij Debby.

Hoofdstuk 31

De oefening had Peter de sensatie gegeven of er een energie gevend vuur in hem brandde, in plaats van de kilte die al zolang alle vreugde uit zijn leven bevroren had. Hij stapte in zijn auto en zette de radio aan, waar so fare away van Dire Straits net begon. Met het volume op maximum begon Peter richting huis te rijden. Zo hard hij kon schreeuwde hij mee: you’re so fare away from me, terwijl de tranen van blijdschap en ontroering over zijn wangen stroomden. Thuis nam hij snel wat water om de pijn in zijn schor geschreeuwde keel te laten verdwijnen. Volkomen uitgeput door de emoties ging hij op bed liggen om de oefening weer te doen; binnen tien seconden sliep hij. Om acht uur ’s avonds werd hij wakker. Wat een fantastische manier om mijn vakantie te beginnen, dacht hij. Met Debby had hij afgesproken om in alfa de werkelijke rol van zijn moeder te ontdekken in plaats van zijn vertekende beeld van haar. Voor het slapen gaan en bij het ontwaken deed hij zijn alfa training. Na vier dagen wist hij wat de echte rol was van zijn moeder.

Heel voorzichtig, om Peter niet kwaad te maken, had Bettie een paar keer gezegd dat ze de huiskamer wilde opknappen.
“Dat is zonde van het geld,” zei Peter dan.
De echte reden was, dat elke verandering in zijn leven voor hem een te zware belasting was. Het onder controle houden van Bettie, zijn werk en het vechten tegen de spoken uit zijn verleden, slokten al zijn energie op.
Die spoken ging hij verdrijven, wist hij nu. De energie die hij hierdoor over had, samen met de nieuwe uit zijn oefeningen, zorgden ervoor dat hij het behang van de muren stond te halen. Na vier dagen waren de muren van de huiskamer helemaal kaal en opnieuw gestuukt. Het houtwerk had hij geschuurd en in de grondverf gezet. Wanneer Bettie weer thuis zou komen, konden ze direct het behang en de verf uitzoeken. Heel even was er weer de onzekerheid of ze weer thuis zou willen komen, omdat hij had zich zo verschrikkelijk had misdragen. Ik vecht me dood om dat te bereiken, nam hij zich voor. De buren hadden met verbazing over de anders zo norse en op zichzelf zijnde buurman gepraat. Wanneer ze hem nu tegenkwamen, groette hij ze vriendelijk, in tegenstelling tot een week geleden toen hij ze nog zonder op te kijken voorbij liep. Ze hoopten dat er een einde zou komen aan de ruzies die ze zo vaak hadden gehoord.
Dat Bettie al een tijdje weg was, begrepen ze ook niet.
“Misschien is ze weggelopen,” opperde een van de buurvrouwen tegen de anderen.
Peter bouwde zingend verder aan zijn nestje waarin hij hoopte Bettie gelukkig te maken.

Bettie vond het werken en de omgang met de mensen op kantoor geweldig. Zij kreeg de training een paar keer van Debby voor ze het zelf ging doen. Ze probeerde te begrijpen waarom haar ouders hadden gekozen voor de mogelijkheid om haar niet te geloven; het lukte haar niet. Hierdoor hadden ze de mogelijkheid om liefde van hun dochter te kunnen verwachten, verspeeld. Als ouder moet je de liefde van je kinderen verdienen, vond Bettie volkomen terecht. Aan een eventuele ontmoeting met haar ouders was ze in ieder geval nog niet toe, misschien wel nooit meer.

Zaterdagmorgen meldde Peter zich voor de tweede behandeling. Bettie wilde hem wel zien, met hem naar huis gaan wilde ze nog niet.
Verlegen zaten Bettie en Peter bij elkaar, ieder wanhopig zoekend naar een begin van een gesprek. Bettie had gevraagd of Debby bij haar wilde blijven, wat ze ook deed. Debby zag ze worstelen met hun onvermogen om met elkaar te praten. Peter wilde zeggen dat hij spijt had. In gedachten had hij allerlei teksten bedacht, steeds weer kwam hij tot de conclusie dat het onmogelijk was. Wat hij had gedaan was zo verschrikkelijk, dat hij het niet kon uitdrukken in woorden. Om te weten hoe Bettie over een eventuele terugkeer dacht, zei Peter: “Ik ben begonnen de kamer op te knappen.”
“Dat is wel nodig.”
Meer conversatie was voor hen niet mogelijk. Debby hielp ze door te zeggen: ”Peter heeft erg veel spijt van wat er allemaal gebeurd is. Wanneer jullie beiden sterker zijn, dan gaan we daar met zijn vieren over praten. Voor nu is het alleen belangrijk dat jullie aan je geestelijke kracht gaan werken om samen verder te kunnen.”
Peter keek hoopvol naar Bettie, omdat ze niet protesteerde tegen het voorstel van Debby.

Zwijgend namen ze afscheid van elkaar. Het huiswerk voor Peter bestond uit een ontmoeting met zijn moeder om uit te vinden wat er allemaal gebeurd was.

De moeder van Peter maakte zich zorgen dat haar zoon net zo zou worden als zijn vader, want na zijn dood, kwam Peter nog steeds niet met Bettie bij haar thuis. Daarom stak ze elke avond een kaarsje aan bij een Mariabeeldje dat ze ooit van haar moeder had gekregen, waarbij ze bad dat haar zoon niet zo zou worden als zijn vader.

Peter had tijdens zijn oefeningen zijn verleden gecontroleerd herleefd.
Hij zag nu in dat wanneer zijn vader een woede-uitbarsting kreeg, zijn moeder probeerde om hem te laten uitrazen op haar, zodat Peter zo min mogelijk te lijden had. Zijn boosheid op haar veranderde in bewondering, want hij besefte dat zij geen enkele kans had tegen de brute kracht van zijn vader.

Nu hij alles wist, belde Peter haar op om te vragen of hij bij haar langs kon komen. Ze was blij verrast om zijn stem te horen. Een half uur later zaten ze bij elkaar. Aarzelend begon Peter te vertellen wat er gebeurd was bij Debby en Bram. Zijn moeder voelde zijn pijn uit het verleden en zijn spijt om wat hij Bettie had aangedaan. Dat hij begonnen was te vertellen dat ze geholpen werden, gaf haar hoop voor de toekomst. Eindelijk waren haar gebeden tot Maria verhoord. Het verbaasde haar hoe ze werden geholpen en de snelheid daarvan. Ze had moeite om het te geloven.
“Bestaat dat echt?” vroeg ze daarom verbaasd.
“Dat bestaat echt, ik heb het zelf ondervonden.”
“Waren die mensen dan niet kwaad op je om wat je met Bettie had gedaan?”
“Nee, ze snapten het, omdat ik zelf ben mishandeld. Ze zeiden dat het hierdoor kwam. Ik was gewend aan het geweld en de onderdrukking, daardoor deed ik het zelf ook, want dat was vertrouwd.”

“En nu denk je dat je het niet meer gaat doen?” vroeg zijn moeder nog steeds bang en achterdochtig.
“Ik ben nu mijn echte zelf en dat voelt geweldig. Ze hebben aangeboden dat, als ik maar de minste neiging krijg om het weer te doen, zij mij weer helpen. O mam, ik voel mij zo goed, ik ga ervoor zorgen dat jij ook gelukkig wordt, je hebt in je leven genoeg ellende meegemaakt.”
De vrouw keek naar haar zoon, in zijn ogen zag ze dat hij echt gelukkig was.

De zaterdag daarop praatten Bettie en Peter in het bijzijn van Debby en Bram weer met elkaar. Het was niet een echt gesprek, daarvoor waren de emoties te sterk. Huilend hielden ze elkaars hand vast, terwijl Peter herhaalde dat hij spijt had. Bettie vergaf hem, omdat hij er niets aan kon doen, maar vooral omdat hij de hulp van Debby en Bram had aangenomen: hij had ook kunnen weigeren.
“Hoe kan ik jullie bedanken?” vroeg Peter aan Bram.
“Daar heb ik wel een idee over.”
Het resultaat van dat idee was een muziekkamer en een ‘behandelkamer’ van hoge kwaliteit voor een bescheiden prijs.

Brian had in Amstelveen een lesruimte gevonden voor de traditionele kant van het trainen. De broers waren nu klaar om op de Debby manier lessen te gaan geven.

Jean

Hoofdstuk 32

Een maand later begon Jean aan het opknappen van het huis. Door gebruik te maken van tweedehands materialen kon hij een relatief luxe huisje bouwen voor een klein bedrag. Veel maakte hij zelf, zoals de kozijnen en het meubilair. Jean plaatste telefonisch een advertentie in het blad van de ANWB. Hij kocht een mobiele telefoon omdat hij die nodig had. Aan verdere nouveautés zoals een computer of een televisie had hij nog geen behoefte. Bij een drukker in de buurt liet hij een folder met foto’s en een Nederlands tekst drukken. Op aanvraag stuurde hij die op. Snel kwamen de eerste reserveringen binnen. Door de hoge kwaliteit van het huisje en de uitgebreide service was adverteren niet meer nodig. Wie hier een keer geweest was, vertelde dat aan anderen of ging voor een tweede keer. Op deze manier kreeg Jean toch een idee hoe het in Nederland was. Door deze informatie vond hij het wonen in Frankrijk steeds aantrekkelijker worden. Zo kabbelde zijn leven met kleine golfjes door tot een warme zaterdag in juli, waarop om drie uur ’s middags twee mensen uit Nederland bij het kasteel arriveerden voor een vakantie van drie weken.  De aanleiding voor deze vakantie was tweeledig: ze waren uit de gevarenzone en Debby kon wel wat rust gebruiken.

Jean ging de mensen uit Nederland tegemoet om ze de weg te wijzen. Uit de auto stapten een man van achter in de dertig, begin veertig, schatte Jean. Hij liep naar de man toe die zich in het Frans voorstelde als Bram van Schagen.
“Jean Carpentier,” met een glimlach voegde hij daar in het Nederlands aan toe: “Uw Frans is prima.”
“Maar ongetwijfeld niet zo goed als uw Nederlands,” repliceerde Debby, terwijl ze uitstapte en Jean een hand gaf.
“Mijn vrouw Debby,” stelde Bram haar voor.
Debby en Jean keken elkaar aan. Onmiddellijk was er een gevoel van vertrouwdheid die ze beiden vreemd, maar wel prettig vonden. Jean keek naar haar buik.
“Nog drie maanden.”
“O! Wordt het een tweeling dan?” pestte Jean met een glimlach.

Jean liep voor ze uit naar het huisje toe. Uiterlijk was er aan hem niets te zien, maar in zijn hersenen was het chaos, omdat de vrouw dezelfde naam had als zijn overleden dochter en héél erg op haar leek. Debby had ongeveer hetzelfde gevoel als Jean. Bij haar was het meer de stem en de manier van doen van Jean, die haar sterk aan haar overleden vader deed denken. Bram merkte niets aan Debby, want hij was te moe van de lange autorit.
“Nog mooier dan op de foto,” was een van de complimenten die Jean kreeg van Debby.
Op de vaatwasser en de wasmachine had hij, onder plastic, een gebruiksaanwijzing geplakt. Jean liet Bram de zekeringen zien en vertelde wat hij moest doen bij onweer. Op een blaadje had Jean tips over uitstapjes in de buurt geschreven. De lokale winkels, de supermarkten, met ieder hun specialiteit, stonden daar ook op.
“Als jullie iets nodig hebben of iets willen weten van de omgeving, dan kun je mij in de kleine schuur bij het kasteel vinden. Wanneer jullie nu te moe zijn van de reis om te koken, kunnen jullie bij ons komen eten.”
“Dat lijkt mij heerlijk, kan ik eerst nog even slapen,” nam Debby de uitnodiging aan.
Met de woorden: “We eten om zeven uur op het terras achter het kasteel,” nam Jean afscheid.

Terwijl Bram de auto leeghaalde, sliep Debby al. Even later ging hij stilletjes naast haar liggen. Om half zeven schrok Debby als eerste wakker.
“Bram, we hebben ons verslapen.”
“Hoe laat is het?”
“Half zeven.”
“Tijd zat, in Frankrijk eten ze bijna nooit voor acht uur.”
“O ja, dat was ik vergeten, ik moet even omschakelen.”
“We moeten wel een béétje opschieten, want we worden op tijd verwacht voor het aperitief.”

Na een snelle douche liepen ze naar het kasteel waar ze hartelijk werden verwelkomd door Corinne en Charles.
“Willen jullie iets drinken? We hebben eventueel een rosé open staan.”
“Dat lijkt mij heerlijk,” antwoordde Bram.
“Voor mij water, want ik ben zwanger,” antwoordde Debby, terwijl ze glimmend van trots haar buik showde.
“Dat heb ik gezien, maar voorál gehoord van Jean,” merkte Corinne geheimzinnig op.
“Waar is hij?” vroeg Debby nerveus.
Bram keek naar haar en dacht: waarom is ze zo nerveus
“Hij komt zo. Hij moest de barbecue legen,” antwoordde Corinne.
“Gelukkig.”
De nerveusheid was weg, tot verbazing van Bram. Het zal wel met hormonen te maken hebben, dacht hij. Jean kwam terug met de barbecue, die direct werd aangestoken. Corinne zette het voorgerecht op tafel, oeuf mayonaise. Debby en Bram begonnen te lachen.
“Dat heb ik gisteren ook gegeten onderweg, dat is een verhaal.”
Natuurlijk moesten Debby en Bram het ‘verhaal’ vertellen.
Bram aarzelde om het te vertellen. Zij hadden er daar erg om gelachen: of de anderen hier ook de humor van inzagen, wist hij niet.
“Je bent toch niet verlegen?” vroeg Jean.

“Oké, daar komt het. Vanwege Debby’s toestand hebben we de reis in tweeën gedaan. Gisteravond om zes uur kwamen we, vlak bij Orleans, bij de chambre de hote aan waar ik via Internet een kamer had geboekt. We wilden wat eten, maar dat kon niet, want dat had ik moeten reserveren, bleek achteraf.”
“Hij is zo handig met Internet,” plaagde Debby.
“Ik vroeg aan de eigenaar waar we dan wel konden eten.
‘Aan de overkant, zei hij.’
We zagen inderdaad aan de andere kant van de route nationale een groezelig tentje met daarachter vrachtauto’s geparkeerd.”
“Daar ga ik niet naar binnen, ik heb geen zin om ziek te worden, mopperde ik tegen Bram. We keken naar links en naar rechts om te zoeken naar een alternatief, maar we zagen niets. We kunnen even kijken en als het niets is, dan gaan we met de auto verder zoeken, bood mijn lieve Bram aan.”
Met een elegant handgebaar gaf Debby weer het woord aan Bram. Het ontlokte Jean een glimlach, want de manier waarop ze dit deed kwam hem bekend voor.
“We staken de drukke weg over waar veel vrachtverkeer over denderde.
Halverwege de weg begon het lawaai uit die tent al hoorbaar te worden. We keken op een verkleurd papier aan de gevel van de routier wat deze groezelige tent op culinair gebied te bieden had. Helaas was het onleesbaar.”
“Het drong tot mij door wat mijn opa altijd zei als we onderweg iets aten:
’Waar truckers eten, kun je goed en goedkoop eten’ en dat was ook zo.
Ik zei tegen Bram, we gaan naar binnen want dat zou mijn opa ook doen.”

“Op aanraden van mijn lieve Debby worstelden we ons door de muur van lawaai en stapten naar binnen. Twee televisies stonden om het hardst op verschillende netten te brullen. Aan de bar stonden een paar vrachtautochauffeurs boven dit helse lawaai uit te schreeuwen. Ik schreeuwde daar weer bovenuit, naar de hit achter de bar, of we eten konden. Dat kon. Een ander meisje die een beetje uit de toon viel door haar normale kleding, wees ons een tafel naast twee koelkasten, gevuld met toetjes en flessen wijn. De tafel stond pal onder een van de televisies. De mannen aan de bar schreeuwden steeds harder en even was ik bang dat er ruzie zou komen tot ze in lachen uitbarstten. Ik maakte oogcontact met een van de chauffeurs. Dat was niet zo moeilijk, want ze keken steeds naar de veruit knapste vrouw in het etablissement, Debby.”
“Dank je Bram voor dit volkómen ware en zéér charmante compliment.”

Corinne luisterde maar half naar het verhaal. Ze vond dat Debby en Jean wat betreft uiterlijk, gedrag en humor héél erg bij elkaar pasten. Ze bekeek ook de sterke wisselwerking tussen de twee. Het was geen verliefdheid volgens Corinne, maar meer als mensen die elkaar heel lang kennen. Bram nam een slok rosé voor hij verder vertelde.

“Om die tv zachter te krijgen, waren er twee mogelijkheden. Ik kon gaan klagen, maar dan heb je het meteen verbruid bij de Fransen of ik kon het met humor proberen. Uiteraard ging ik voor de humor. Ik ging met mijn handen op mijn oren naar de bar zitten kijken. Ze begonnen te lachen en de televisies werden zachter gezet. Met mijn opgestoken duim bedankte ik de mannen. De kaart werd gebracht en die bestond uit vijf voorgerechten, vijf hoofdgerechten en vijf desserts. De prijs was twaalf euro per persoon. Debby bestelde een gemengde salade vooraf en gekookte aardappelen met vis als hoofdgerecht. Voor mijzelf nam ik de oeuf mayonaise vooraf en escalope de dinde in pepersaus met frietjes, als hoofdgerecht.”
“Wat bestel jij nou, zei ik tegen Bram, je houdt helemaal niet van heet eten.”
“’Ik gok het erop, want de rest lijkt mij nog minder eetbaar,’ zei ik tegen haar. Het toetje werd na het eten geregeld, begrepen we. Voor bij het eten bestelde ik wijn, een glas rosé bij het voorgerecht en een glas rode voor bij het hoofdgerecht. Voor Debby niet, moet ze maar niet zwanger worden.”
“Jean, hoeveel slaapkamers heeft de gite ook alweer?”
“Genoeg, je bent alleen te laat” lachte Jean.

“Uit een van de koelkasten naast ons werden twee, met een schroefdop afgesloten flessen wijn gepakt en op tafel gezet. Vin de table stond erop, wat niet veel goeds beloofde.  Zéér snel werd ons voorgerecht gebracht door een dame die net het etablissement was binnengekomen. Door haar uiterlijk verdachten wij haar ervan op het parkeerterrein, achter het etablissement, een of meerdere chauffeurs van hun libido afgeholpen te hebben, maar dat terzijde.”
“Coco,” lachte Charles.
“We hoopten dat de alcohol uit haar parfum verdampt was, anders zou ze al bij één vonk in de brand vliegen. Mijn god, wat stonk dat mens.”
“Gelukkig heb ik geen last van zwangerschapsmisselijkheid, maar nu moest ik toch bijna naar de wc rennen.”
“Mijn dappere Debby hield het vol, omdat het raam bij ons tafeltje openstond. Het lawaai van de vrachtauto’s en het stof dat ze opdwarrelden was minder erg. Tot mijn verbazing was de rosé goed drinkbaar.”

Debby was nu blij dat ze de spoedcursus Frans, wat ze eigenlijk zonde van het vele geld vond, op aandringen van Bram toch gedaan had. Nu kon ze volledig meedoen aan het gesprek in het Frans.
“Het eten was voortreffelijk, het zag er zelfs mooi uit. Verse peterselie over de aardappeltjes en de vis was uitstekend bereid met een heerlijke saus. Daar kunnen een heleboel, zogenaamd betere, restaurants in Nederland nog wat van leren.”
“Mijn oeuf mayonaise was verrukkelijk. Met enige reserve, in verband met de waarschuwing van Debby nam ik een hap van mijn vlees waar een doorzichtige rode saus overheen zat. De peper ontplofte in mijn mond.”
“Brams gezicht was hilarisch om te zien. Bijna kreeg ik medelijden met hem.”
“O, wat ben jij gemeen Debby,” merkte Jean op.
“Ze vond het wel zielig voor me hoor, ze is nu stoer aan het doen. Na enkele seconden verdween de sterke pepersmaak, wat overbleef was een geraffineerde streling van de tong tijdens het eten van de rest. Hoe die kok dat voor elkaar heeft gekregen, is mij nog steeds een raadsel.”
Zowel Charles als Corinne beseften dat de komende drie weken wel eens heel bijzonder zouden kunnen zijn door deze twee, net als Jean, zeer positief ingestelde mensen.
“Nu moesten we nog betalen. Het meisje met de afwijkende kleding kwam langs en ik vroeg haar om de rekening. We moesten betalen bij de bar. ‘Dat is twaalf euro, zei de bar dame.’
‘Dat kan niet, want we hebben met zijn tweeën gegeten.
‘Dan is het vierentwintig euro.’
‘U vergeet de wijn.’
‘Die is inbegrepen.’
Viva la france. De vakantie was grandioos begonnen, vonden wij.”
“Deze oeufs zien er ook grandioos uit. Ze hebben een Nederlands tintje zie ik, want het lijken wel gevulde eieren,” merkte Debby op.
“Dat klopt Debby, het is een recept van Jean.”

Charles had een van zijn beste wijnen uitgezocht voor bij het eten, waarvan Debby één slokje móést proeven. Zo krijgt de kleine alvast de smaak voor het betere in het leven, vond Jean. De avond werd een groot succes, maar om elf uur vond Bram het tijd voor Debby om te gaan slapen. Na enig tegenstribbelen, want ze vond het zo gezellig, ging ze toch mee. Bij het afscheid nemen bood Jean aan om voor de volgende morgen brood mee te nemen, wat Debby en Bram erg waardeerden.
Debby voelde de vermoeidheid pas toen ze in bed lag.

Hoofdstuk 33

De volgende morgen werd Debby om elf uur wakker. Bram was al uit bed en had buiten de tafel gedekt voor het ontbijt. Het brood dat Jean had meegenomen, lag binnen op de tafel en vulde het huisje met een van de geuren van La douche France. Bram had een briefje onder het brood gevonden waarop stond: achter het kasteel is een kas en een groentetuin, daar mag je pakken wat je hebben wilt, hetzelfde geldt voor de fruitbomen. Met thee zetten had hij gewacht tot Debby wakker zou zijn.

Bram ging af en toe kijken of ze al wakker was. Hij bleef dan even staan om van haar schoonheid, die door de zwangerschap een extra dimensie kreeg, te genieten. Nu was ze wakker. Hij ging naast haar op het bed zitten en streelde haar buik, waarbij ze voelden dat de baby zijn hand zocht.
“Hé, slaapkop.”
“Môgge,” klonk het schor.
“De tafel is gedekt. Ik ga thee zetten.”
“Lekker, ik heb honger en dorst. Het was gezellig gisteravond.”
“Jazeker, jammer dat jij geen wijn mag drinken.”
“Dat haal ik na de bevalling wel in. We nodigen ze ook een keer bij ons uit.”
“Dat doen we zeker.”
Een beetje aarzelend vroeg Bram: “Waarom vind je Jean zo bijzonder?”
“Hij doet mij héél erg aan mijn vader denken.”
De woorden werden niet geabsorbeerd en opgeborgen op een plek in de hersenen van Bram, ze bleven als een lichtkrant voor hem verschijnen.

Jean zat op het terras met Corinne en Charles. Daar hoefde die vraag, wat vind je zo bijzonder aan Debby, niet gesteld te worden. Jean vertelde enthousiast over Debby.
“Dat is ook toevallig, Debby heeft dezelfde naam als mijn overleden dochter en ze lijkt ook héél erg op haar.”
Bij Corinne en Charles bleven die woorden ook hangen. Hierdoor werd het gedrag van Jean en Debby logisch voor Corinne.

“Zullen we ergens heen gaan, Debby?”
“Niet te ver. Ik ben nog wel moe. Die bron en het stuwmeer, waar Jean het over had gisteren, lijkt mij wel wat.”
“Dan gaan we daar heen, ik zal straks vragen waar het precies is.”
“Samen.”
“Oké, samen. Schiet nou maar op luiwammes.”
Samen met de fluitende bewoners van het bos om hen heen, aten ze hun ontbijt.

Ze liepen naar Jean om te vragen waar de bron was. Hij wees ze de weg en vroeg: “Hebben jullie zin om aanstaande donderdag mijn verjaardag te komen vieren. Ik zou een lullig, eigen gemaakt kaartje sturen, maar zo kan het ook.”
“We komen. Wat vraag je voor je verjaardag?”
“Iets wat niet bestaat.”
“Dan nemen we dat mee,” zei Debby met een lach, niet wetend hoe dicht ze bij de waarheid zat.

Ze reden naar de doodlopende weg, de weg waarlangs Jean hulp had gehaald bij het kasteel, die eindigde bij de stuwdam. Onderweg moesten ze de bron tegenkomen. Ze vonden hem en dronken van het zuivere, koele water dat uit de rotsen stroomde. In het stuwmeer zagen ze scholen vis in het heldere water zwemmen. De hitte van de zon werd door het beton weerkaatst, waardoor het nog veel warmer was dan bij hun huisje. Met zijn arm om haar schouder stonden Bram en Debby samen te genieten van het prachtige uitzicht op het meer en de omringende bossen.
“Lieve Debby, zullen we in het dorp een kopje koffie drinken?”
“Lekker.”

Langzaam rijdend over de smalle, verlaten wegen absorbeerden ze de schoonheid van de natuur om zich heen. Op een tiental meters voor ze dook een grote roofvogel in de berm. Automatisch remde Bram. De vogel miste zijn prooi en vloog weg.
“Wat een schoonheid. Ik kon hem bijna aanraken,” fluisterde Debby, ontroerd door deze onverwachte ontmoeting.

Ze dronken koffie op een terrasje, in de schaduw van een enorme boom. Op het dorpsplein speelden een aantal mannen petanque. Bram bewonderde de precisie waarmee de ballen werden gegooid. Debby vond het te warm om daar op te letten. Ze verlangde naar de rust en de koelte van hun huisje. Bram zag het aan haar.
“We gaan naar huis.”
“Graag.”
Bij een bakker namen ze stokbrood mee voor het avondeten. Bram bakte een paar eieren met plakjes tomaat uit de kas die niet naar water, maar naar echte tomaten smaakten.

Na het eten liepen Debby en Bram een rondje over het uitgestrekte terrein om het kasteel. Ze bekeken de grote schuur waar de houtvoorraad voor de winter lag opgestapeld in drie oneindig lange rijen. De vrolijke stemming van Jean, over het aanwezig zijn van Debby, was die middag omgeslagen in een depressie, veroorzaakt door het gemis van zijn familie.
Vroeger draaide hij zijn lievelingsmuziek op zijn stereo-installatie wanneer hij thuis, door de omstandigheden daar, down voelde. Nu speelde hij het zelf.

Debby was de eerste die het hoorde. Ze werd door de prachtig gespeelde muziek, die zowel hoopgevend als triest klonk, aangetrokken.
“Bram, hoor je die muziek?”
“Prachtig, wie speelt daar?”
“Ik weet het niet, het komt bij Jean vandaan.”
Ze liepen naar het geluid van het pianospel toe, dat uit het huisje van Jean bleek te komen. Voorzichtig liep Debby naar binnen, het kon haar niet schelen wat Bram of Jean daarvan dacht, ze moest naar die, voor haar betoverende, muziek toe. Jean zag haar niet, hij was gefocust op de piano en de muziek. Debby voelde dat er tranen over haar wangen liepen van ontroering. Bram kreeg, in mindere mate dan Debby, ook een gevoel van ontroering. Corinne en Charles kwamen, aangetrokken door het spel van Jean, ook aanlopen. Van Corinne had Jean de beginselen van het pianospel geleerd. Hij was de lerares snel voorbij. Ze had erop gestaan dat hij les kreeg van een kennis van haar, die een bekende pianiste was.
Ze trad niet meer op, maar gaf les aan begaafde leerlingen. Zo stonden ze met zijn vieren te luisteren naar het spel waar zoveel emoties in zaten.
Jean stopte met spelen. Hij schrok van het applaus dat hij kreeg. Bram zag het verdriet in zijn ogen, maar ook de vreugde door de schoonheid van de muziek. Debby en Bram zagen de miniatuur van Nina hangen, de vrouw waar Jean op zijn reis zoveel liefde van had gekregen, ze trokken uit de aanwezigheid hiervan de verkeerde conclusie.
“Dat was prachtig Jean. Dat was het lievelingsmuziekstuk van mijn vader.”
“Het mijne ook, ik ben blij dat je het mooi vond.”
“Ik heb veel uitvoeringen hiervan gehoord, maar dit is veruit de mooiste.”
Bram had de muziek wel vaker gehoord, maar had geen idee wie de componist was.
“Van wie is die  muziek, Jean?”
“Het is Le Gymnopedia van Erik Satie.”
De woorden van Debby die morgen ‘hij doet mij héél erg aan mijn vader denken,’ kwamen weer heel helder in beeld bij Bram. Bij Corinne en Charles: ‘dat is ook toevallig, Debby heeft dezelfde naam als mijn overleden dochter en ze lijkt ook héél erg op haar.’ Ze praatten nog even na over wat ze gezien hadden die dag. De roofvogel werd het uitgebreidste besproken.
De Poolse connectie

Hoofdstuk 34

Een man en een vrouw kwamen het kindertehuis binnen bij de Poolse stad Poznan. Dit tehuis was ooit een kleine sovjet kazerne en lag in het bos aan de rand van de stad. Het bestond uit een stenen hoofdgebouw waar vroeger de officieren sliepen en twee houten barakken waar de soldaten pitten. Deze houten keten waren nu buiten gebruik als slaapgelegenheid.
In de zomer werd daar de voorraad brandhout voor de oude kachels in het hoofdgebouw opgeslagen. Hier en daar vielen de planken, die al heel lang niet geschilderd waren van de balken af. Ze werden door de jongens die in het tehuis woonden, weer zo goed mogelijk vastgezet. Alles ademde verval en een triestheid die alleen in de zomer een beetje minder werd.
Twee begeleidsters hadden de leiding over de kinderen. Daarboven stond een directeur die zichzelf goed betaalde. Hij had zich, na de val van het communisme, de mogelijkheden van het kapitalisme snel eigen gemaakt. De slachtoffers van zijn hebzucht waren de kinderen en de begeleidsters. Omdat er zo weinig personeel was, moesten de kinderen veel zelf doen. De jongens hakten zomers hout voor de kachels, de oudere meisjes hielpen mee met de verzorging van de kleintjes. Op het grote terrein was ook een moestuin, waar het overgrote deel van hun voedsel door de kinderen zelf werd verbouwd. Deze werkzaamheden zorgden voor discipline en plichtsbesef onder de kinderen, het enige positieve aan hun ellendig bestaan.

In de zomer waren er de zomergroenten, in de winter alleen aardappelen, bonen, uien en wortelen. Af en toe kregen ze van mensen uit de stad iets extra’s zoals rijst, macaroni en vlees. Op het middenterrein was een speelplaats waar vrijwilligers, van bomen uit het bos, een paar simpele, maar onverwoestbare constructies hadden gebouwd waar de kinderen mee konden spelen. De begeleidsters woonden bij de kinderen en werden af en toe door vrijwilligers afgelost om tijd voor zichzelf te hebben. De directeur woonde in een paar kamers aan het einde van de gang in het gebouw.
Een man en een vrouw klopten aan de deur van het kindertehuis. Een van de leidsters opende de deur.
“Waarmee kan ik u van dienst zijn?” vroeg ze beleefd.
“Kunnen we de directeur even spreken?” vroeg de man vriendelijk.

“Aan het einde van de gang,” antwoordde de leidster die hem geïnteresseerd aankeek.
Die interesse kwam door de uitstraling van een ongekende boosaardigheid van de man. Ze probeerde in te schatten waar dat vandaan kwam of wat hij er mee zou doen. Ze kon niets bedenken en staarde ze na, terwijl de man en de vrouw met bijna geruisloze passen door de met marmer geplaveide gang liepen. Ze klopten op de deur met een overdreven groot bord waar, ‘Directeur’ op stond.
“Binnen.”
Ze gingen naar binnen in de behaaglijk warme kamer.
“Wat kan ik voor u doen?” vroeg de directeur.
“Het gaat er om wat wij voor ú kunnen doen. Wij vertegenwoordigen een stichting die zich het lot van weeskinderen aantrekt.”
De directeur dacht: daar zie je niet naar uit, maar hij zei: ”Dat is goed nieuws, ze hebben het al moeilijk genoeg.”
“En u natuurlijk ook, want een erg ruim salaris zult u niet krijgen?”
De zweem van sarcasme ontging de directeur en hij antwoordde schaamteloos: “Het is maar een klein tehuis met een erg krap budget.”
“Dan wordt het tijd om daar een beetje bij te helpen.”
De directeur raakte nu écht geïnteresseerd.
“Op welke manier wilt u dat doen?”
“We betalen u een bedrag per maand om uw salaris op peil te brengen. We geven ook elke maand een bedrag aan het tehuis voor de kinderen.
Er is wel een maar.”
Daar was ik al bang voor, dacht de directeur, er is altijd een maar.
“Niemand mag weten wat wij afspreken en doen. Wij zijn anonieme weldoeners.”
“Dat is geen probleem,” zei de directeur met het gevoel dat de maar nog niet afgelopen was.
“Dan is er nog iets. We geven een paar kinderen tegelijk een vakantie. Wat ze gaan doen in die vakantie mag niemand ooit weten. Wanneer ze gaan praten over die vakantie, wat wij ze zullen verbieden, dan verdwijnen ze naar een ander tehuis.”
“Welk ander tehuis?” vroeg de directeur, angstig door de veranderde toon van de man.
“De hemel,” klonk het luchtig, maar met een dodelijke ondertoon die de directeur, die toch het een en ander gewend was, misselijk van angst maakte.
“Daar kan ik niet aan meewerken,” protesteerde de directeur met het laatste greintje lef dat hij nog had.
“Er is in de hemel ook plaats voor directeuren van weeshuizen die zichzelf verrijken ten koste van de kinderen, als u begrijpt wat ik bedoel?”
Dat begreep de directeur héél goed.
“Dit gesprek is uiteraard alleen voor ons drieën bestemd. Daar mag geen enkel misverstand over bestaan.”
“Uiteraard,” beaamde de doodsbange directeur.
“Wij zoeken de kinderen uit voor de vakantie, hierover hoort u nog van ons,” sprak de vrouw voor de eerste keer sinds ze het tehuis was binnengegaan.
De directeur was niet meer in staat te praten van de angst. Hij knikte ter bevestiging dat hij de vrouw had begrepen. Samen verlieten de vrouw en de man de kamer.
De directeur had nu ook kennis gemaakt met de nadelen van het kapitalisme. De commissaris had hiermee zijn lugubere bedrijf uitgebreid met een buitenlandse connectie. Het betekende ook zijn ondergang.

Jean

Hoofdstuk 35

In bed lag Bram te overdenken wat er aan het gebeuren was. Debby was de rest van de avond stil geweest, Bram snapte wel waarom. Ze gingen zwijgend naar bed. Debby huilde zachtjes en Bram deed net of hij sliep, want een gesprek over Jean zou haar alleen maar meer overstuur maken.
Hij begon spijt te krijgen van de vakantie, die was bedoeld om Debby, na alles wat ze had meegemaakt, rust te gunnen. Ze werd door Jean herinnerd aan haar vader. Die herinnering maakte haar verdrietig en dat was helemaal niet de bedoeling. Het huilen van Debby had plaatsgemaakt voor een zacht snurken. Bram kon niet slapen, hij dacht aan de invloed die Jean had op Debby. Morgenochtend zal ik Debby voorstellen om naar huis te gaan of ergens anders een vakantiehuis proberen te vinden, nam hij zich voor.

Dit voorstel werd de volgende morgen zéér resoluut afgewezen. Zijn bezorgdheid was ontroerend en werd ook zéér gewaardeerd, maar of hij verder zijn kop hierover wilde houden, want ze was niet van bordkarton gemaakt. Dat weten we dan ook weer, dacht Bram. Na het ontbijt vertrokken ze naar de ‘Tour de Merle’. Jean zat voor zijn woning in het zonnetje lui te zijn.
“Stop Bram, ik ga vragen of Jean mee wil.”
Voor hij kon antwoorden, was ze de auto al uit. Hij zag Jean ernstig aarzelen. Bram wist wat ze nu ging doen: haar glimlach zijn werk laten doen. Uiteraard werkte het. Jean pakte zijn portefeuille en stapte in de auto.
“De poort uit en dan rechtsaf.”

Jean vertelde over de geschiedenis van de ruïnes. Dat deed hij op een komische en kundige manier.
“Welgestelde christelijk families hebben eerst de oorspronkelijke bewoners uitgemoord in de naam van Jezus. Het gebod: ‘gij zult niet doden,’ werd toch al selectief gebruikt, dus dat was geen reden om het niet te doen. De veronderstelling dat God alles zag, was niet van toepassing op hen, vonden ze. Later zijn ze elkaar te lijf gegaan, wat alleen maar opruimde. Na de revolutie gingen de overblijvers de guillotine op en werd het hele spul verwaarloosd. “

In het souvenirwinkeltje bij de ruïne stond een mans grote pop, verkleed als ridder, opgesteld. Een klas opgeschoten jongeren was iets aan het uitzoeken voor hun ouders en oma en opa. Een knappe brunette was ze aan het helpen. Ze zag Jean binnenkomen. Direct kwam ze achter haar toonbank vandaan om hem met een kus héél hartelijk te verwelkomen.
Bram stapte ook de winkel binnen en begroette de ridder met een elegante buiging, geheel passend in de stijl van de bezienswaardigheid.
“Bonjour monsieur, ca va?”
De opgeschoten jeugd vond het komisch, aan het gelach te horen.

Debby had de begroeting van Jean en het meisje, tot haar verrassing, met een dubbel gevoel bekeken. Ze vond het leuk om te zien, maar ook voelde ze een volkomen ongepaste jaloezie, vond ze zelf. Veel tijd om daar bij stil te staan had ze niet, want Jean nam ze mee naar de oude boomgaard en de groentetuin, die weer in hun oude glorie hersteld waren. Jean vertelde hoe het kasteel vroeger volledig zelfvoorzienend was. De klim naar de hoge torens, in de slopende hitte, liet Debby over aan Bram en Jean. Ze aten in een eenvoudig restaurant, waar het eten allesbehalve eenvoudig was. Bram stond erop te trakteren, want Jean had al zoveel gedaan.

Na het bezoeken van de Tour de Merle reden ze naar huis. Jean vertelde onderweg dat zijn familie bij een ongeluk was omgekomen, waardoor hij geen binding meer had met Nederland. Over de moorden en zijn vlucht vertelde hij niets. Hij had, tijdens een vakantie, bij toeval Charles gered en die had gevraagd om bij hem te komen wonen en het kasteel op te knappen.

Debby vertelde over de alfatraining en wat ze daarmee in Nederland deden. Jean herkende het gevoel van volkomen rust en ontspanning uit zijn zwerverstijd. Bij hem was het meestal toevallig geweest.

Hij vroeg of ze ook aan genezingen deden.
“Nee, wij doen niet aan genezen. Wat we wel doen is de eigen geneeskracht van het lichaam versterken.”
“Is dat niet hetzelfde?”
“Nee, dat is heel wat anders. Ik zal een voorbeeld geven uit de praktijk.
In het bedrijf van Bram zijn broers, waar ik werkte, heb ik de training ook gegeven. De zoon van een van de medewerkers kreeg de ziekte van Hodgkin. De vader van de jongen heeft hem de techniek ook geleerd. Hij vroeg aan mij of dat voldoende was om zijn zoon te genezen. Die kans is veel te klein om dat risico te nemen, vertelde ik hem, gebruik hem om de medicijnen beter aan te laten slaan. Dat heeft hij gedaan. De jongen moest om negen uur in het ziekenhuis zijn voor zijn laatste, zéér zware kuur. Dat is degene die je krijgt voor je weer met stamcellen tot leven wordt geroepen.”

Het gesprek over de zieke jongen werd onderbroken door hun aankomst bij het kasteel. Bram nodigde Jean uit voor een biertje op het terras van hun huisje. De stenen van het terras waren nog warm van de zon. Vlinders zochten mineralen op het stenen muurtje dat hun terras afscheidde van de rest van de tuin. Bram zette  een bakje zoutjes, wat blokjes oude kaas en drinken op tafel. Debby keek afgunstig naar de koude flesjes bier waar snel druppeltjes dauw op zaten. De oude kaas, die Debby en Bram hadden meegenomen, smaakte Jean voortreffelijk. Alleen in een grote stad, vijftig kilometer bij ze vandaan, was een winkel waar ze verse kaas, zoals Jean het noemde, verkochten. De winkels in de buurt verkochten plastic kaas, vond hij.
Bram wist wat hij bedoelde, daarom hadden ze oude kaas, op de Schager markt, vacuüm laten verpakken en meegenomen. Debby had op de markt gezegd dat hij te veel meenam, nu kwam ze daarop terug.
“We hebben veel te veel mee, heb ik volkomen onterecht gezeurd tegen Bram, want nu kan ik je een stuk meegeven voor je verjaardag.”
“Dan moet je donderdag wel snel op mijn verjaardag zijn, want Corinne en Charles zijn er ook gek op.”
“Zij krijgen ook een stuk,” beloofde Bram gul.
“Ga verder met je verhaal over die zieke jongen, ik ben benieuwd,” drong Jean nieuwsgierig aan.

“De jongen kwam in het ziekenhuis. Daar namen ze bloed af om te kijken of hij genoeg witte bloedlichaampjes had om de kuur te kunnen krijgen. De zaalarts vond dat hij wel erg snel na de vorige behandeling kwam. De jongen vertelde dat hij snel genas en dat zijn behandelende arts het traject had vastgesteld. De zaalarts bleef het vreemd vinden omdat hij dat niet gewend was. De bloeddruk van de jongen werd gemeten. Die was te hoog, vond de arts. Hij stelde voor om de resultaten van het bloedonderzoek af te wachten en dan een beslissing te nemen. De vader die de jongen had gebracht, hoorde het gesprek afwachtend aan. De testresultaten kwamen binnen: de bloedwaarde was te laag.

Zie je wel dat het te snel gaat. Ga maar weer naar huis, want je bloeddruk is te hoog en je witte bloedlichaampjesgehalte te laag, zei de dokter.
Dit was een klap voor de jongen, want het vergt enorm veel wilskracht om naar de behandeling toe te gaan. De jongen zei tegen de dokter dat hij zijn lichaam de opdracht zou geven om alles in orde te maken zijn voor de behandeling. De dokter legde tactvol uit, dat zoiets absoluut onmogelijk was. De jongen hield vol, de dokter ook. Op dat moment greep de vader in. Hij stelde voor om het de jongen te laten proberen. Zijn de waarden vanavond nog te laag, dan gaat hij weer naar huis, stelde hij voor.
Geïrriteerd over zoveel eigenwijsheid ging de dokter akkoord. De vader ging werken en zou om zes uur weer in het ziekenhuis zijn om zijn zoon op te halen of niet. Om zes uur werd bloed afgenomen en de bloeddruk van de jongen gecontroleerd. De bloeddruk was tot verbazing van de dokter prima. Na een spannend half uur kwamen de resultaten van de bloedafname binnen. De zuster hing ze in de map aan het voeteneinde van het bed. De zaalarts kwam ze even later bekijken.

De dokter schrok van de resultaten. Om zeker te zijn of het klopte, belde de dokter naar het laboratorium. De test werd herhaald en weer was de waarde prima. De dokter vroeg wat de jongen in godsnaam gedaan had. Die vertelde dat hij in alfa zijn lichaam opdracht had gegeven dit te doen. De dokter was helemaal in de war. Hij liep te mopperen dat hij over zulke dingen niets te horen kreeg tijdens de opleiding. De jongen stelde hem gerust en vertelde dat hij niet de enige was, want zijn behandelend arts en de zusters van die afdeling zeiden dat ook allemaal. De dokter kon dit begrijpen. Hij zei tegen de jongen dat hij het gelukkig zelf gezien had, anders had hij het niet geloofd.

“Dat is een ongelofelijk verhaal. Ik kan mij voorstellen dat die dokter het niet snapte,” merkte Jean verbaasd op.
“Het verhaal is nog niet af, want drie maanden later is de jongen op controle bij zijn behandelend arts geweest. Hij stond bij de balie om een nieuwe afspraak te maken met de assistente. Ze maakten grapjes met elkaar, want de jongen was door zijn positieve houding iets bijzonders in het ziekenhuis. De vader stond achter de jongen te wachten om hem weer naar huis te brengen. Hij zag in de gang achter de balie de zaalarts aan komen lopen met een stapel dossiers in zijn handen. De dokter bereikte de balie en zag de jongen staan praten en lachen met de meisjes van de administratie. De vader zag de zaalarts naar de jongen kijken. Bijna liet de dokter van schrik de papieren vallen en hij vroeg verbijsterd of de jongen echt de jongen was die hij in de zaal behandeld had.
De jongen lachte om de uitdrukking op het gezicht van de dokter en bevestigde dat hij dat inderdaad was. De dokter kon het niet geloven en zei tegen de jongen: dat bestaat niet, jij moet nog bijna dood in bed liggen.
Het meisje achter de balie moest ook lachen om de uitdrukking op het gezicht van de dokter. Hij is ons wonder dokter, vraag maar aan zijn arts, zei ze.
Uiteraard was de dokter blij voor hem. Na een half jaar begon de jongen al weer voorzichtig te werken. Dat is wat alfa training doet bij ziekte.”

Na het gesprek over de alfatraining met Debby en Bram, liep Jean in gedachten, met zijn kaas in zijn handen, naar zijn huisje terug. Deze behandeling had mijn vrouw moeten hebben, dacht hij bitter. Daarvoor is het is nu te laat, maar ik ga het voor de toekomst gebruiken. Misschien kan ik in alfa bedenken hoe ik het probleem met de commissaris kan oplossen.
Hij begon die avond te oefenen. Het gevoel van totale ontspanning had hij tijdens zijn zwerftocht vaker gevoeld, nu kon hij dit bewust oproepen.
Hij realiseerde zich dat hij zonder die momenten van rust in zijn hoofd, de reis nooit zou hebben kunnen maken.

Corinne en Charles zaten in de tuin te praten over het grote plan van Charles. Het was de eerste keer dat hij zijn idee aan Corinne uitlegde.
Ze was direct voor, hoewel een aantal zaken moeilijk op te lossen waren, zoals de identiteit van Jean. Ze spraken af om met hun notaris over deze problemen te overleggen.

In bed lagen ze allemaal met hun problemen te worstelen. Bram worstelde met iets, hij wist alleen niet wat, tot hij dacht aan wat zijn neefjes hadden gezegd voor ze op vakantie gingen.
“Wanneer jullie terugkomen van vakantie, vieren we onze verjaardag.”
De jongens zijn op dezelfde dag jarig als de vader van Debby, had ze hem verteld. Jean is dus op dezelfde dag jarig als de vader van Debby. Heb ik dat, dacht Bram, moet ik dat nou wel of niet tegen Debby zeggen. Met de gedachte, laat ik maar niets zeggen, wanneer ze het zelf ontdekt zien we wel wat er gebeurt, viel hij in slaap.

Wouter en Dennis

Hoofdstuk 36

Na een paar dagen wist Wouter waar de commissaris zijn auto parkeerde en hoe laat hij naar huis ging. Voorzichtig begon hij hem te schaduwen in een gehuurde auto. Al snel wist hij de route naar zijn huis en kon hij direct afhaken wanneer de commissaris die kant op ging. Wouter wist dat het een kwestie van geduld was om hem te betrappen op iets afwijkends.

Na ruim een week was het zover: de commissaris nam een andere route. Hij reed de stad uit de IJtunnel door, waarna hij direct de afslag nam.
De commissaris reed de woonwijk in waar hij zijn auto parkeerde en naar een andere auto toeliep waar hij instapte. Aha, meneer wil niet gezien worden in zijn eigen auto, heel slim, dacht Wouter. Op zo groot mogelijke afstand achtervolgde Wouter de commissaris richting het industrieterrein.
Het werd nu gevaarlijk, want de meeste mensen waren al vanaf hun werk naar huis gegaan. Wouter bewaarde veiligheidshalve nog meer afstand. De commissaris sloeg rechtsaf een doorlopende straat in. Wouter kon niets anders doen dan doorrijden om niet op te vallen.

De volgende dag ging hij terug naar de straat waar de commissaris was ingereden. In totaal stonden er vier bedrijfspanden in de straat. De eerste twee panden links en rechts hadden een naam, die hij noteerde. Het volgende bedrijf aan de linkerkant, een kleine loods van twaalf bij  dertig meter, had geen naam, de rechtse wel. Wouter zag drie kleine bewakingscamera’s op het linkse gebouw, wat een aanwijzing was dat daar iets bijzonders aan de hand was of dat de eigenaar paranoïde was.

Wouter begon op het Internet te zoeken naar informatie over de bedrijven en hun eigenaar. Om te weten of ze opereerden onder de naam die ze voerden, belde hij ze op met de vraag of ze wilden meedoen met een kalenderproject. Dat wilden ze niet, de namen en hun activiteiten klopten wel. Hij wist nu vrijwel zeker dat het om de kleine loods ging. Op het Internet was niets te vinden onder het adres. Zijn volgende stap was het kadaster, waar een vriend van hem werkte. Het pand stond op naam van een Algerijn, die in Frankrijk woonde. Wouter vroeg zich af waarom. De kans dat hij hier iets deed wat alleen de belasting of zijn baas niet mocht weten, was te verwaarlozen. De moeite om niet in verband te worden gebracht met de loods, was zó groot en zorgvuldig dat het wel om iets veel erger dan dat moést gaan. Wát er in het gebouw gebeurde, was nu de vraag. Wouter kon van buitenaf niet in het gebouw kijken, want nergens waren ramen. Hij moest dus wachten tot de deur openging. Hij verkende de omgeving zorgvuldig en vond een plek waar hij ongezien het gebouw in kon kijken met een verrekijker. De commissaris deed met een afstandsbediening de deur open en direct weer achter hem dicht. Wouter kon daarom maar heel even in de loods kijken. Aan elke zijkant en aan de achterkant stonden stellingen met dozen erop. Een klein bureautje met een computer erop trok zijn speciale belangstelling, want er zaten geen kabels aan. Die staat daar dus voor het zicht, waarom doet hij dat, vroeg Wouter zich af.

Na drie weken had hij nog geen enkel idee wat de commissaris daar deed.
Het zag er ook niet naar uit dat dit zou gaan veranderen. Gefrustreerd door het idee dat hij iets over het hoofd zag, bleef hij de wacht houden, tot er op een avond iets bijzonders gebeurde. De commissaris was weg en Wouter begon ook aanstalten te maken om weg te gaan. Aarzelend bleef hij zitten, waarom begreep hij niet, tot de deur van de loods openging.
Driftig pakte hij zijn verrekijker en zag een man naar buiten komen.
“Dat kan helemaal niet, want bij het wegrijden van de commissaris was hij niet in de loods,” mompelde Wouter verbaasd.
De man liep om het gebouw heen, zag Wouter door zijn verrekijker.
Bij het om de hoek komen aan de achterkant zag Wouter de oplossing.
De man was op de hoek, maar nog niet ter hoogte van de achterwand binnen. “Achter de achterwand is dus nog een ruimte. Hoe geniaal,” lispelde Wouter peinzend.

Via een connectie kwam Wouter er achter dat er een zeer snelle Internetverbinding in de loods aanwezig was. Wouter combineerde alles wat hij tot nu toe aan informatie had verzameld. De commissaris kon betrokken zijn bij de poging tot verkoop van Debby aan het pedofielencircuit. Hij was ook heel vaag betrokken bij de verdwijningen van jonge meisjes. Als laatste informatie, de geheime ruimte in de loods en de snelle Internetverbinding. Zijn conclusie was: hier werd kinderporno verspreid, misschien wel gemaakt.

Wouter besefte dat hij het niet meer alleen kon doen, hij had hulp nodig van de politie. In het dossier over de verdwijning van Debby’s vader had hij een naam gezien van een inspecteur, die direct na de moord op Debby’s moeder en haar vriend, was overgeplaatst naar het zuiden van het land. Dit was hoogst waarschijnlijk géén vriend van de commissaris.
Hij besloot Bram hierover te raadplegen.
“Brammetje, ik heb informatie nodig over een inspecteur die bij de zaak van Debby betrokken was.”
“Dat ga ik voor je regelen.”

Hoofdstuk 37

Voorzichtig had Bram Debby uitgehoord over de inspecteur die de zaak van haar verdwenen vader had behandeld. Ze mocht hem graag, want hij was degene die haar geholpen had om direct bij haar oma en opa te kunnen gaan wonen. Wouter nam contact op met de inspecteur, die nu hoofdinspecteur was bij de Nationale Recherche. Zonder te vertellen waarom, vroeg Wouter een gesprek met hem aan op een neutrale plek.
Na lang aandringen ging deze akkoord.

De inspecteur zat al aan de bar in het motel, op het moment dat Wouter naar binnen liep. Wouter herkende hem direct aan de krant die dwars voor hem lag. Ze stelden zich aan elkaar voor.
“Wouter.”
“Dennis, aangenaam.”
Wouter had al een plaats gezien waar ze veilig met elkaar konden praten.
Hij nam hierin het initiatief om niet op een door Dennis ‘geprepareerde’ plek te hoeven zitten. Vertrouw niemand en wantrouw niemand, was het devies van Wouter. De mannen hadden direct véél sympathie voor elkaar.

Wouter begon uit te leggen waarvoor hij kwam. Dennis luisterde geïnteresseerd. Hij kon zich Debby en de zaak van haar vader heel goed herinneren. De snelheid waarmee de zaak van het verdwijnen van de vader en de moord op haar moeder en haar vriend was afgesloten, had hij vreemd gevonden. Omdat hij bleef aandringen op verder onderzoek, werd hij overgeplaatst. Dat werd niet opgegeven als de reden, maar dat was het wel. Tijdens het gesprek begon Wouter te beseffen dat hij volledig buiten een eventueel onderzoek gehouden zou worden. Het maximale dat hij er uit kon halen was een achtergrondartikel over de commissaris en wat hij de maatschappij aandeed. Behalve elk misbruikt kind worden ook, ouders, grootouders, ooms en tantes , vrienden op school en buren geconfronteerd met deze misdaad. Een apart artikel kon hij schrijven over hoe deze misdaden het  vertrouwen in het rechtssysteem aantasten. Het leger van wetsdienaren dat de burger controleert op verkeersovertredingen en fout parkeren zijn de hele dag prominent en zéér aanmatigend aanwezig, zoals hij regelmatig had ondervonden.
De mensen die proberen kinderenmisbruikers te vinden, zijn vrijwel onzichtbaar. Pakken ze eindelijk iemand dan is er al veel kwaad geschied.
De dader loopt na een korte tijd weer vrij rond, op zoek naar de volgende slachtoffers.

Dennis was onder de indruk van het werk dat Wouter had verricht.
Nu hij met deze feiten werd geconfronteerd, begon hij heel anders tegen de zaak van Debby haar verdwenen vader en haar vermoorde moeder aan te kijken. Dit was zijn kans op een grote doorbraak in zijn carrière. Zoals Wouter al verwachtte mocht hij zich niet met de zaak bemoeien om achteraf geen vormfouten in het proces te krijgen. Dennis wist dat er een publiciteitsgeile topadvocaat de commissaris  zou gaan verdedigen. Deze zou daar graag misbruik van maken. Hij beloofde Wouter wel dat hij achteraf informatie zou krijgen om een achtergrondartikel te schrijven.

Hoofdstuk 38

Dennis had, op aanwijzingen van Wouter, een observatiepost ingericht in een lege kamer op de eerste verdieping in het bedrijf tegenover het pand van de commissaris. Hij had de eigenaar van het pand verteld dat het om drugs ging. De eigenaar had tegen zijn personeel verteld dat hij de ruimte aan een bevriende kunstenaar had verhuurd, om hem daar ongestoord te kunnen laten werken.

Na twee maanden observeren was er nog niets bijzonders gebeurd. De commissaris kwam een paar keer per week langs om na een paar uur weer te vertrekken. De infrarood camera die ze gebruikten om te kijken of er iemand in of uit het pand met de commissaris meeging, gaf steeds één persoon aan. De man die Wouter gezien had, kwam niet meer tevoorschijn.
Dennis begon te twijfelen aan het idee dat hier iets gedaan werd wat verboden was, tot op een avond een busje met geblindeerde ramen verscheen. De commissaris was al aanwezig op het moment dat de auto met een Pools kenteken arriveerde. De warmte registrerende video camera, die Dennis had geïnstalleerd, gaf aan dat er vier personen in de auto zaten.

Na een paar uur vertrok het busje met twee personen erin. In de loods waren alleen de commissaris en zijn auto  te zien. De camera registreerde geen personen in de loods.
“De twee anderen zitten achter het schot,” merkte Dennis tegen zijn assistent op.
“Dat is vreemd. Tenzij ze daar niet vrijwillig zitten.”
“Laten we de band even terug kijken. Er klopt iets niet, maar ik weet niet wat.”
Samen bekeken ze de tape.
“Ze zijn kleiner. Mijn god, ze hebben kinderen uit Polen gehaald,” mompelde Dennis.
Zijn assistent keek naar Dennis, hij zag de afschuw over deze misdaad en verbetenheid om aan deze praktijken een einde aan te maken. Dennis stond nu voor een moeilijk dilemma. Hij kon nu ingrijpen om de kinderen te bevrijden vóór er iets met ze zou gaan gebeuren. Hij moest dan hopen dat er voldoende bewijsmateriaal in de loods aanwezig was. Was dat niet het geval, dan was de commissaris gewaarschuwd. Zolang er niets met de kinderen gebeurd was, zou de commissaris ontkennen dat ze dat van plan waren. De commissaris en iedereen die bij zijn misdaden betrokken was zou vrijuit gaan. Hij nam de moeilijkste beslissing uit zijn leven: afwachten

De dagen erna kwamen er ook twee andere auto’s naar de loods van de commissaris. Ze bleken op naam te staan van een kleine crimineel die als katvanger fungeerde. Van iedere bezoeker namen ze foto’s als bewijsmateriaal om ze later te kunnen vervolgen. Tot verbijstering van Dennis was er ook een rechter bij. Nog was er een beetje twijfel bij Dennis, tot er bezoek kwam van een al eerder veroordeelde pedofiel. Nu wist hij het zeker. Dennis schakelde de officier van justitie van het landelijk parket in. Ze ontwierpen een plan om de Polen en de commissaris tegelijk te arresteren. De officier van justitie nam contact op met Interpol vanwege de Poolse connectie. Ze spraken af om in te grijpen wanneer de kinderen uit de loods zouden worden weggehaald, zodat die niet als gijzelaars gebruikt konden worden.

Omdat ze geen idee hadden hoe lang dat zou duren, werd er direct een politiecommando gevormd dat zich vierentwintig uur per dag klaar moest houden. De agenten werd verteld dat het om terroristen ging, om de kans op verraad uit te sluiten. Ze werden in groepen verdeeld die om de beurt actieve dienst hadden, in een loods in de buurt. Binnen twee minuten konden ze op de aangegeven plek zijn. De arrestatie zou door middel van een volledig uitgewerkt plan plaatsvinden. De commandant van het team, een vriend van Dennis, was de enige die op de hoogte was van wat er echt ging gebeuren. Met behulp van een getekende plattegrond werden de posities die ze moesten innemen uit het hoofd geleerd. Uit de plattegrond was niet af te leiden waar ze moesten zijn. Elke sectieleider kreeg bij aanvang van de actie een beknopte brief met instructies.

Na een week verscheen de Poolse auto. Onmiddellijk werd de commandant van het arrestatieteam gewaarschuwd. Twee auto’s met het logo van een energiebedrijf reden rustig naar de uitvalsweg bij de loodsen. Uit elke auto stapte een man in een uniform van het energiebedrijf uit, die een gat begonnen te graven in de berm van de weg.
Twee andere auto’s namen buiten beeld een positie in waardoor ze het gebouw van de commissaris zeer snel konden omsingelen. De deur van de loods ging open. De Poolse auto kwam naar buiten. De camera liet vier personen zien.
“Nu,” riep Dennis door de politieradio.
Met getrokken pistolen stormden de agenten uit de twee auto’s van het energiebedrijf. Het snel over de weg getrokken, opvouwbare, rek met haaientanden maakten de vier banden van de Poolse auto lek, terwijl een van de politieauto’s dwars voor hem ging staan. De actie was zo snel en onverwacht uitgevoerd dat de mensen in de auto met het Poolse kenteken totaal overrompeld waren. Aan iedere kant van de auto stonden agenten met getrokken pistolen. De tolk vertelde ze wat ze moesten doen om levend uit de auto te komen. Een andere politieauto kwam aanstormen waaruit agenten sprongen die een balk onder de deur zetten zodat die niet dicht kon. Voor de commissaris besefte wat er gebeurde, was Dennis al bij hem om hem persoonlijk de handboeien aan te doen. Honderden keren had hij in gedachten geoefend hoe hij zich moest gedragen bij de arrestatie van de commissaris. Je beheerst je, had hij die honderden keren tegen zichzelf gezegd.
“Dit is de slechtste dag van jouw leven en de beste dag van mijn leven,” kon Dennis met moeite uitbrengen, zijn gezicht vertrokken van woede.
De commissaris kon niets anders doen dan de inspecteur verbijsterd aankijken en roepen: “Wat doe jij hier?”
“Dat zal ik je straks met veel genoegen vertellen.”

De politiecommandant had via de radio aan de mensen van het elektriciteitsbedrijf een order gegeven om de stroom uit te schakelden. Zo kon, wanneer er iemand in het afgesloten gedeelte zou zijn, hij niet snel de computerfiles deleten. Deze maatregel was misschien overbodig, maar Dennis nam geen enkel risico, want hij had geen idee hoe snel hij de achterwand open zou krijgen. Een van de politieauto’s reed voor de deur van de loods, met zijn koplampen werd alles verlicht. Dennis bracht de commissaris naar een auto om hem naar de politieloods te brengen voor het eerste verhoor. Naar het politiebureau vond hij niet verantwoord, omdat daar nog niemand enig idee had wat er zich afspeelde om de commissaris heen.

Ze braken de achtermuur open, waar niemand aanwezig was. Dennis zag een complete studio en twee cellen. De wanden waren, net als de cellen, beplakt met geluidwerend materiaal. Hij voelde zich ziek worden door de afschuwelijke atmosfeer die in de ruimte hing. Hij rende naar de observatiepost waar hij moest overgeven. Een cordon agenten bewaakte nu de loods, waar de inmiddels gewaarschuwde forensische dienst aan hun onderzoek begon.

Een vrouwelijke tolk begon de bange kinderen te vertellen wat er gebeurd was en dat ze nu veilig waren. Ze moesten eerst naar het ziekenhuis voor onderzoek. Daarna werden ze ondergebracht bij een zuster van Wouter die ze drie maanden later adopteerde. De directeur van het kindertehuis in Polen werd vervolgd voor het verduisteren van overheidsgeld. De broers en het personeel  werden sponsor van het tehuis. Elke maand gingen er om beurten mensen van het bedrijf of een van de broers heen om de kinderen daadwerkelijk te helpen.

Dennis belde Wouter op om hem te vertellen wat er gebeurd was en om hem te bedanken. Ze konden nu eindelijk vrijuit met elkaar omgaan. Wouter belde naar Bram die op vakantie in Frankrijk was. Dat zijn telefoontje een tsunami aan emoties opriep hoorde hij later.

Jean

Hoofdstuk 39

Tot de verjaardag van Jean deden Debby en Bram weinig anders dan luieren. Bram hoopte dat Debby zich niet herinnerde dat haar vader die dag ook jarig was. Om even voor vijf uur gingen ze naar het huisje van Jean toe. Ze waren uitgenodigd voor het aperitief en het eten. Het was benauwd warm.
“We krijgen onweer,” stelde Bram vast.
“Als we maar droog overkomen, dan vind ik het oké.”
“Grapjas.”

Bram voelde of hij zijn mobiele telefoon bij zich had. Tijdens de hele vakantie had hij hem al bij zich, tot verbazing van Debby. Zijn smoesje tegen haar was dat een van zijn broers kon bellen over een zakelijke transactie. Met Wouter had hij afgesproken dat hij, wanneer er nieuws was, altijd kon bellen. Bram was eerst van plan om te wachten tot het onderzoek naar de commissaris was afgelopen, voor hij op vakantie zou gaan. Op aanraden van Wouter was hij toch gegaan omdat Wouter geen idee had hoe lang het zou duren voor er iets gebeurde met de commissaris. Bovendien was Debby hard aan wat rust toe. De zwangerschap, de verbouwing van de boerderij en de start van hun eigen bedrijf hadden haar uitgeput. Bram had ook besloten om pas wanneer de commissaris gearresteerd zou zijn, Debby in te lichten over wat ze ontdekt hadden.

Gelukkig had Debby niets gezegd over de verjaardag van haar vader.
Bram probeerde uit te rekenen hoe groot de kans was dat Jean van dezelfde muziek hield en op dezelfde dag jarig was als Debby’s vader.
Oneindig klein was de uitkomst en toch was het zo, want zijn naam was anders en het portret van de vrouw op de miniatuur was zeker niet de moeder van Debby. Corinne en Charles waren al aanwezig.
“We komen dus te laat voor de kaas, zie ik.”
“Nee hoor Debby, we hebben een héél klein stukje voor jullie bewaard”.
De toon voor de avond was gezet.  Frankrijk en Nederland werden vergeleken en waar nodig belachelijk gemaakt.

De benauwdheid werd steeds erger. Jean keek naar de lucht.
“We zetten de barbecue in de schuur, want het gaat zo donderen.”
Tot het eerste gerommel in de verte, bleven ze buiten zitten. Het onweer dreef naar de linkerkant weg, maar een stormachtige wind dreef ze naar binnen. Het miniatuurschilderij bleef de aandacht van Debby en Bram trekken. Jean besloot na een minipianoconcert te vertellen wie de vrouw was, want hij had de belangstelling van Debby en Bram gezien.

Jean had zijn pianoconcert gegeven. Tijdens het applaus ging de telefoon van Bram over. Hij keek op de display en zag dat het Wouter was.
“Sorry, ik moet antwoorden.”
Iedereen was direct stil, alsof ze aanvoelden dat er belangrijk nieuws was.
“Met Brammetje.”
Debby keek hem verbaasd aan, zo had hij zichzelf of door een ander nog nooit horen noemen. Bram luisterde ingespannen, zijn gezicht verried nog geen emotie tot Wouter met zijn verhaal bij de arrestatie kwam. Een grijns verscheen op zijn gezicht en met een vuist in de lucht riep hij: “Yes, yes, we hebben het varken.”
Niemand had enig idee waar het gesprek over ging, Corinne en Charles al helemaal niet. Ze voelden wel aan dat het goed en héél belangrijk nieuws was.

Bram had de verbinding met Wouter verbroken en keek naar de verbaasde gezichten om hem heen. Hij overwoog om zijn grote nieuws later aan Debby te vertellen. Aan het gezicht van Debby te zien, was daar geen sprake van, dus hij begon te vertellen.
“Het is een lang verhaal, dat ik in het Frans zal proberen te vertellen.
Jean, jij kunt als je dat wilt, mij af en toe helpen.”
“Dat zal ik doen.”
“De verre voorgeschiedenis doet er nu niet toe, die vertellen we jullie later wel. Wat ik nu ga vertellen, staat in een brief die de opa van Debby, via een notaris, naar haar toe liet sturen een aantal jaren geleden. Het begint op het moment dat Debby’s moeder een man tegenkomt in een supermarkt. Die man is bekend met het pedofielencircuit dat vanavond is opgerold. Hij papte aan met Debby’s moeder en liet haar kennismaken met drugs, om haar daarna als hoer geld voor hem te laten verdienen.”

Jean begon Bram met een verwarde blik aan te kijken. Dit verhaal ken ik, dacht hij. Voor hij iets vroeg of zei, wachtte hij nog even op het vervolg van Brams verhaal.

“Hij kwam erachter dat de vrouw een dochter had die hij voor veel geld aan een pedoseksueel kon verkopen. In de brief staat dat hij tegen haar vader had gezegd om van de voogdij af te zien en Debby bij haar moeder te laten wonen. De vader van Debby was daar uiteraard fel op tegen, want hij vermoedde wat er dan ging gebeuren. De makkelijkste manier om toch toegang te krijgen tot Debby was de vader te laten verdwijnen, wat ook gebeurd is. Ze hebben de vader van Debby begraven op een buiten gebruik zijnde begraafplaats, waar hij vroeger vaak kwam. De oma en opa van Debby, waar ze op dat moment woonde, probeerden de voogdij over haar te krijgen, wat niet lukte. De opa van Debby had nu geen keus meer en besloot de moeder en haar pooier te vermoorden. Dat verhaal vond ik niet geloofwaardig, ook het begraven van haar vader op die begraafplaats niet. Omdat ik geen idee had wat er echt met de vader van mijn lieve Debby was gebeurd, ben ik stiekem gaan informeren.”
Nu was niet alleen Jean in de war, maar Debby ook. Omdat ze wisten dat het verhaal nog niet af was, zwegen ze.
“Op die begraafplaats ontmoette ik de beheerster van het oude kerkhof, de vrouw die Debby het rode boek over mindcontrol had gegeven. Zij vertelde dat het onmogelijk was dat hier iemand begraven zou zijn zonder dat zij dat gemerkt zou hebben.”

Jean had het gevoel krankzinnig te worden. Die begraafplaats moest bijna zeker ‘de Vraeg’ zijn. Nog steeds durfde hij niets te zeggen of te vragen.
Als hij het mis had, zou dat voor Debby een vreselijke klap zijn.

“De vrouw van het kerkhof zei tegen mij: ’pas op waar je aan begint, want de mensen die jij zoekt zijn heel machtig en gevaarlijk. Informeer eens naar hoofdcommissaris Ter Apel, hem heb ik de avond van de moord uit het huis waar de moord is gepleegd zien komen.”
“Dat klopt, ik was in het huis toen hij ze vermoordde.”
Debby keek verwilderd van Bram naar Jean. De volle betekenis van wat hij had gezegd wilde niet tot haar doordringen. Bram zag het en vroeg aan Jean: ”Wat is je échte naam?”
“Theo Timmer.”
“Waar woonde je?”
“Aan het Aalsmeerplein, vlak bij die begraafplaats. Mijn ouders, die samen met mijn dochter Debby bij een auto ongeluk hier in de buurt zijn omgekomen, woonden daar vlakbij.”
Nu drong het volledig tot Debby door. Ze schreeuwde: “Ik was die keer niet mee op vakantie, ik leef en jij bent mijn vader.”

Vanaf dat moment brak de pleuris uit, zoals Bram het later omschreef. Het laatste gedeelte werd door de moeilijkheid van de materie in het Nederlands besproken. Corinne en Charles zaten als wassenbeelden naar Debby en Jean te kijken. Wat ze wel meekregen, was dat Jean de vader van Debby was en dat zijn problemen in Nederland opgelost waren. Maar natúúrlijk, dat verklaart alles, dacht Corinne. Dan is het probleem van de identiteit ook opgelost, dacht Charles.

Later zou Jean vertellen dat zijn vraag over het cadeautje voor zijn verjaardag was: dat zijn familie er weer was. Debby had voor een groot deel gelijk gehad op het moment dat ze zei: ”Dan nemen we dat mee.”

Huilend van blijdschap omhelsden en kusten Debby en Jean elkaar. Bram moest er ook bij komen van Debby. Charles dacht: het is net een roedel elkaar begroetende hyena’s, maar dan lief.
“Wie is de vrouw op het schilderijtje?” wilde Debby weten, na het knuffelen.
“Dat heb ik onderweg gekregen van een vrouw.”

Corinne en Charles begonnen, onder fel protest van de anderen, afscheid te nemen. Zij vonden zelf dat het hun feest niet was. Nu konden de anderen in het Nederlands verder praten zonder met hen rekening te houden. Bram liep met ze mee en bedankte ze voor hun begrip.
“Het is wel een vakantie vol verrassingen.”
“En er komen er nog meer Bram, maar we gaan morgen naar Parijs voor een weekeinde. Maandag spreken we elkaar weer.”

Het eerste wat Jean van Debby moest vertellen, was het verhaal over de vrouw op het miniatuur.
“Nu kun je, je lelijke hond Chien ophalen, je bent eindelijk vrij.”
“Wacht even Debby, de moord op je moeder is nog niet opgelost. Wie weet wat voor verrassingen de commissaris daarover nog heeft,” temperde Bram haar enthousiasme.
“Ik weet waar het pistool met de vingerafdrukken van de commissaris erop is.”
“Er is maar één persoon met verrassingen en dat is dus mijn vader,” glunderde Debby trots.
“Misschien kunnen we beter eerst met Wouter overleggen, voor we iets met de wetenschap over het pistool gaan doen. Ter Apel heeft nog steeds veel vrienden overal.”
Dat waren de anderen met hem eens.
“Het pistool ligt daar al veertien jaar. Een paar weken kunnen er nog wel bij.”
De rest van de avond werden er verhalen uitgewisseld over wat ze hadden meegemaakt. Ze spraken af om de volgende dag over de naaste toekomst te overleggen.
“Als jullie zin hebben, kunnen we morgen de restanten van mijn schuilplaats bezoeken.” opperde Jean.
“Ik wil alles zien en horen.”
“Nu eerst slapen jij.”
“Ja paps.”

Debby was, na het verjaardagsfeest van Jean, veel te opgewonden om te kunnen slapen. Ze praatte van de zenuwen aan een stuk door.
“Nu ben je stil, anders zeg ik het tegen je vader.”
Na een vette kus was ze stil, op het tevreden snurken na.

Hoofdstuk 40

Het Engelse ontbijt dat Jean de volgende morgen maakte, was één groot feest. Jean en Bram hadden dat, om Debby te verrassen, samen afgesproken, want zij was daar een groot liefhebber van. Het afspreken hiervoor hadden ze de vorige avond gedaan op een moment dat Debby naar het toilet was, anders was het niet gelukt. Ze had haar vader terug gevonden en liet hem niet meer los die avond.

Na het ontbijt reden ze naar de bron, waar Debby en Bram al eerder waren geweest. Ze parkeerden de auto naast de plek waar Jean het leven van Charles had gered. Hij wees ze op de sporen van de achterwielen in het asfalt. Ze genoten, net als gisteren, van het uitzicht over de vallei. Bram probeerde het zich met sneeuw voor te stellen, wat bij een temperatuur van dertig graden in de schaduw niet meeviel. Ze liepen, voor Debby en Bram, op een willekeurige plaats het bos in naar de schuilplaats van Jean. Zij zagen geen pad tussen de bomen en de varens, Jean wel, want hij liep doelbewust tussen de bomen door. Nu werd de route zichtbaar, hoewel Bram dacht: ik zou direct verdwalen. Debby probeerde zich voor te stellen hoe haar vader Charles over deze route mee had genomen. Hij moet zo sterk zijn als een paard, dacht ze. In de schaduw van de bomen was het veel koeler, wat voor Debby erg prettig was. Ze kwamen bij de hut van Jean. Alles was nog precies zoals hij het achtergelaten had, alleen de bomen waren groter geworden. Ontroerd stonden ze in de weldadige stilte om zich heen te kijken. De geluiden van de natuur benadrukten de harmonie van alles. De drie mensen voelden zich één worden met de omgeving.
“Mijn god, dit is het paradijs, wat moet de aarde ooit mooi zijn geweest,” fluisterde Bram.
“Wie weet leert de mensheid het nog een keer om de schepping te waarderen en er zuinig op te zijn.”
“Kun je het een beetje uitbouwen dan gaan we hier met zijn drieën wonen.”
“Dank je voor het compliment Bram. Kijk, de buren wonen er nog steeds, ze hebben net gegraven, want de grond is nog vochtig.”
Ze liepen verder in het ritme van de natuur. Jean wees dingen aan die ze anders nooit zouden zien. Veel daarvan was eetbaar. Ze kwamen bij de houtskooloven die door varens was overwoekerd. Jean legde de werking en het nut van de oven uit. Ze kwamen steeds meer onder de indruk van wat hij allemaal gepresteerd had. Ze bereikten, via zijn visplekje, de kleine camping. Het laatste stuk was een officieel pad waarover een wandelroute liep.

De campingeigenaar begroette Jean hartelijk. Hij vertelde dat Jean regelmatig inkopen deed en zich douchte op de camping. Nooit had hij gevraagd waarom Jean dat deed, ook niet toen hij later af en toe een klusje voor hem had gedaan. Ze spraken af om een keer te komen praten over alles. Het viel Bram op hoe populair Jean overal was. Voor zover hij het gezien had, kwam dat door het respect van Jean voor de Franse manier van leven. Geen grote bek of de houding: bij ons in Holland doen we dat beter. Het leven hier had zijn eigen ritme, daar moesten zij zich naar aanpassen. Bram begon zich af te vragen of Jean hier ooit weg zou kunnen gaan. Dit is nu zijn land, zijn leven. Hij probeerde zich voor te stellen hoe het zou zijn wanneer Jean in Nederland zou gaan wonen. Het lukte hem niet. Hoe zou Debby reageren wanneer Jean besloot in Frankrijk te blijven? Ook dat kon hij zich niet voorstellen. Dat werd nog een heel gedoe. Nou ja, we zien wel hoe het loopt, dacht hij.

De gesprekken die Debby, Jean en Bram tijdens de wandeling hadden gevoerd, werden bij Jean zijn huis voortgezet. Ze maakten een planning voor de naaste toekomst waarvan de familie bellen op de eerste plaats voor uit te voeren dingen stond. Bram had tijdens de wandeling Jean al gewaarschuwd voor de gevolgen hiervan.
“Die staan het volgende weekend voor de deur.”
“Van wat ik tot nu toe over ze gehoord heb, lijkt mij dat heel gezellig.”
“We hebben het voldoende besproken, ik ga nu Puk bellen,” klonk het gedecideerd.

Bram zag aan Debby dat ze zich niet langer zou kunnen beheersen of tegenspraak zou dulden. Hij ging klaar zitten om de telefoon aan te pakken. Tijdens het zoeken naar het nummer in haar telefoonboek, begon het snikken al. Ze kon het wegslikken tot ze de stem van Puk hoorde.
“Puk ik heb,” tot zover lukte het nog,”mijn, mijn vavavader gevohohohonden” klonk het stotterend en vrijwel onverstaanbaar door de snikken heen.”
Snel pakte Bram de telefoon.
“Wat zegt ze nou? Heeft ze haar vader gevonden?” klonk het ongelovig door de telefoon.
“Dat klopt.”
“Als het verdomme een grap is, dan vermoord ik jullie,” schreeuwde Puk door de schrik.
“Nee, ik zweer het je, hij woont hier al jaren. Hij is gevlucht na de moord op zijn vrouw.”
Puk ging zitten, want haar benen begaven het door de ongebruikte adrenaline. Ze begon driftige, kom hiernaartoe, gebaren te maken naar Rik. Die kwam direct aanrennen, want Puk was zéér ernstig zag hij en dat beloofde problemen als hij niet direct kwam.
“Bram, één ogenblik. Ik moet even wat tegen Rik zeggen.”
“Oké.”
“Debby heeft haar vader gevonden, levend en wel.”
“Hoe kan dat nou?”
Joke had zich nu ook gemeld bij de telefoon.
“Weet ik veel,” blafte Puk gestrest tegen Rik.
“Puk, we bespreken de details later wel via de telefoon. Ze zijn godsgelukkig samen en voor de rest doet het er niet toe. Geef jij het door aan de anderen, ik ga nu mams en paps bellen.”
“Oké,” klonk het nu snotterig aan de andere kant.
Ook daar brak de pleuris uit, vertelde Puk later.
Terwijl Debby zich met koud water opfriste, belde  Bram naar zijn ouders om het grote nieuws te vertellen.

Jean, Bram en Debby vervolgden hun gesprek over de toekomst waarin Wouter een belangrijke rol speelde. Wat betreft het wonen van Jean in Frankrijk of Nederland zwegen ze om Debby daar niet over te laten piekeren. Dat zij daar al over nadacht, vertelde ze niet. Er waren twee mogelijkheden: Wouter kwam naar Frankrijk of Jean ging naar Nederland.
Die keuze was makkelijk, de berg kwam naar Mozes en niet in de laatste plaats vanwege het weer. Bram belde naar Wouter op zijn speciale nummer.
“Met Woutertje,” klonk het opgewekt.
“Wouter, ben jij in de gelegenheid om naar Frankrijk te komen? Ik heb belangrijk nieuws voor je.”
“Vertel.”
“Nee, dat is een verrassing.”
“Prima.  Elk smoesje is goed om daar heen te kunnen gaan. Wij komen naar Frankrijk toe.”
“Wij?”
“Dat heb ik je nog niet verteld, ik heb sinds drie maanden verkering.”
“Meenemen.”
“Is daar een hotel dichtbij?”
“Héél dichtbij. We hebben twee kamers vrij in de gite, dus.”
“Een is genoeg hoor.”
“Jij leeft toch niet in zonde, Woutertje?”
“Reken maar. We komen morgen, heb jij toevallig de coördinaten van jullie huisje voor mijn routeplanner bij de hand?”
“Die heb ik, noteer je even?”
“Tot zaterdag Bram en de groeten aan Debby.”

In Parijs zaten Corinne en Charles op een terras aan de Seine, met uitzicht op de Pont Neuf. Op het tafeltje voor ze lag een brochure over een verzorgingsflat vlakbij ze. Ook zij bespraken de naaste toekomst. Het grote plan van Charles hadden ze uitgebreid besproken. Nu was het tijd voor het vervolg van dat plan: permanent in Parijs gaan wonen.

Na het bellen naar de familie en Wouter, ging Debby even slapen. Jean en Bram dronken samen een biertje op het terras. Voorzichtig polste Bram wat Jean in de toekomst van plan was. Jean vertelde dat hij had afgesproken dat hij bij Corinne en Charles zou blijven tot ze dood waren of niet meer op het kasteel konden blijven wonen. Ze besloten hier nog niet met Debby over te praten. De toekomst was erg onzeker, vooral in verband met de arrestatie van de commissaris.
Een uur later ging Brams telefoon.
“Hé, Pukkie.”
“Regel jij twee hotelkamers, want we komen volgende week zaterdag die vader even bekijken.”
“Neem maar luchtbedden mee, want je slaapt bij ons in de huiskamer.”
“Doen we, tot zaterdag.”
Bram keek berustend naar Jean.
“Zie je wel.”
“Gezellig toch.”

Hoofdstuk 41

Om drie uur de volgende middag arriveerde Wouter met zijn verkering. Debby zag wie het was en herkende hem direct.
“Jou ken ik, jij bent de inspecteur die mij geholpen heeft. Bedankt dat je zoveel voor mij gedaan hebt, ook nu weer.”
“Wouter verdient alle lof, hij is degene die mij het lichtende pad heeft gewezen,” schertste Dennis.
“Als je nog een keer verkering neemt Wouter, zoek dan een serieus persoon.”

Dennis vertelde na het proeven en goedkeuren van de wijn wat voor drama zich had afgespeeld in de gevangenis. De commissaris had in zijn cel zelfmoord gepleegd.
“Nu zullen we nooit zeker weten wie de moord op je moeder gepleegd heeft.”
Dit was een ideaal moment voor Debby om te vertellen dat haar vader nog leefde. Geen voorzichtige introductie of inleidend geleuter, maar met een knal.
“Daar kan mijn vader je wat over vertellen.”
“Je vader,” riepen Wouter en Dennis, waarbij Wouter zich verslikte in een slok wijn.
“Omdat we niet helemaal zeker wisten of die informatie niet door een verkeerd iemand werd opgevangen, hebben we jullie nog niets verteld.”
“Dat is ongelofelijk goed nieuws. Waar is hij? Hoe is dat in godsnaam mogelijk?” riep Wouter overdonderd.
“Boodschappen doen voor het avondeten.”
Debby vertelde in het kort hoe haar vader hier was terechtgekomen. Wouter keek, na het avontuur van de vader van Debby gehoord te hebben, om zich heen.
“Wat een schitterende plek is het hier. Hoe komen jullie daaraan?”

“Via een kennis. ‘Daar moet je heen gaan, je wordt ontvangen door een Nederlander die perfect Frans spreekt. Hij geeft je tips voor van alles. Het huisje staat op het schitterende terrein van een echt oud kasteel,’ vertelde hij enthousiast.  Mijn intuïtie zei me te stoppen met zoeken en hier naar toe te gaan.”

Jean arriveerde met een lamsbout voor het avondeten. Hij kocht zijn lamsvlees altijd bij de buurman vanwege de hoge kwaliteit en de zorgvuldigheid waarmee de boer zijn dieren behandelde. Voor Jean de gekruide bout in de, met een klein vuurtje brandende, gesloten, barbecue deed, kwam hij eerst kennis maken met de mannen die zijn vijand hadden ontmaskerd. Ze proostten op de toekomst, waarin de wereld een stukje veiliger was geworden. Jean deed zijn bout in de barbecue. De rest van het eten werd uit de tuin gehaald tijdens de bezichtiging van het kasteelterrein. Debby en Bram liepen mee om te vertellen wat er gebeurd was. Dennis vroeg aan Jean: ”Waarom ben je naar je vrouw en haar vriend toe gegaan die avond?”
“Grappig is dat. Jij bent de eerste die mij dat vraagt. Ik was van plan om met mijn dochter te vluchten, daarvoor had ik mijn paspoort nodig en die lag in mijn huis.”
Dennis bood aan om samen met Jean en Wouter naar Nederland te gaan. Hij kon hem dan officieel verhoren over zijn rol in de moord op zijn vrouw. Met de verklaringen van Jean en de vrouw van het kerkhof, kon de zaak direct afgesloten worden. In het gesprek hierover kreeg Dennis zijn tweede verrassing te horen: de verblijfplaats van het pistool.
“Als die er nog is, dan wordt dat een eitje. We kunnen dan tegelijkertijd je paspoort laten vernieuwen.”
Het adres op het paspoort zouden ze in overleg met de gemeente vaststellen. Jean vond het een geweldig idee, hij bood aan de volgende dag zijn verhaal exclusief aan Wouter te vertellen. Daar werd door Jean één voorwaarde aan verbonden: het mocht pas gepubliceerd worden wanneer hij terug in Frankrijk zou zijn en zonder dat zijn adres bekend gemaakt werd.

Weer vroeg Bram zich af hoe het tussen Debby en Jean verder moest. Hij bracht het onderwerp, dat zorgvuldig door iedereen gemeden werd, nog steeds niet ter sprake. Voor alles komt vanzelf een oplossing was het motto van Debby en Bram.

De volgende morgen gingen Wouter, Dennis en Jean de wandeling maken die Bram en Debby ook gemaakt hadden. Tijdens het wandelen vertelde Jean over wat hij hier had meegemaakt. De redding van Charles noemde hij niet. Wouter hoorde het verhaal aan. Zijn digitale recorder nam alles op, ook de geluiden van het bos. Wouter kreeg toestemming van Jean om foto’s te maken van zijn schuilplaats. Hij was, net als Debby en Bram, onder de indruk van wat Jean gepresteerd had. Wouter stopte plotseling met lopen.
“Ik heb een idee. Van dit verhaal, samen met dat van Debby en Bram, zou ik een boek kunnen maken.”
“Wat mij betreft mag je. Wat is jullie plan voor de komende week?”
“Als het kan, willen we je weer terugbrengen wanneer alles is afgerond, om dan een paar dagen te blijven.”
“Dat vind ik leuker dan met de trein terug.”

Corinne en Charles kwamen zondagavond om acht uur terug uit Parijs. Het hele gezelschap zat voor het huisje van Jean na te genieten van de lamsbout. Bram stelde Dennis en Wouter voor met naam, beroep en relatie. Hij vertelde dat de invasion hollandais nog niet ten einde was, want de broers kwamen volgend weekend ook. Corinne en Jean vonden het prima.
“Morgen gaan we drie kamers in het kasteel in orde maken en bedden kopen,” besliste Corinne. Ik neem aan dat er in de naaste toekomst wel vaker gasten komen.”
Jean begon te protesteren in verband met de hoge kosten, wat héél snel werd afgekapt.
“Wij hebben kennissen in die branche. Zij hebben wel wat in de aanbieding.”
Hoofdstuk 42

Charles was erg enthousiast over het plan om een nieuw paspoort voor Jean te halen.
“Dan heb je weer je eigen identiteit.”
Dat dit belangrijk was voor het grote plan, vertelde hij niet. Om de maandag niet helemaal verloren te laten gaan, vertrokken Jean, Dennis en Wouter zondagmiddag naar Nederland. Voor een groot deel legden ze om beurten slapend de reis af, waardoor deze verrassend kort leek.

Voor Jean was het in Amsterdam zijn een dubbel gevoel: de drukte van de stad benauwde hem, het hier weer veilig kunnen rondlopen was een opluchting. Als eerste ging hij naar de vrouw van het kerkhof toe. Ondanks zijn baard herkende ze hem direct.
“Je bent weer hier, wat geweldig.”
“Heb je getwijfeld of ik nog leefde?”
“Nee,” klonk het resoluut.
“Ik heb alles aan jou te danken. Jij hebt mijn dochter dat boek gegeven.”
“Ik ben maar een klein radertje in de loop van de gebeurtenissen. Zonder mij was het ook gebeurd, alleen anders.”
“De commissaris  is dood.”
“Ik heb het gehoord, ja. Een geschenk voor de mensheid. Alleen jammer dat zijn slachtoffers hem niet veroordeeld kunnen zien worden.”
“Ik moet nu weg om een paspoort te halen. Later vandaag kom ik terug om hier iets te halen met mijn vrienden.”
“Het moordwapen.”
“Hoe weet jij? Laat maar, ik weet het al, Debby en Bram hebben veel over je verteld. Volgens mij ben jij een échte engel.”
“Ga nu maar, des te eerder kun je terug naar je kind en je nieuwe vaderland.”
De betekenis van haar woorden drongen niet tot Jean door.
“Ik word opa.”
“Een héél erg trotse, zie ik.”

In Frankrijk werd Bram vroeg wakker. Debby glimlachte in haar slaap, zag hij. Hij kon niet meer slapen. Zijn intuïtie stuurde hem uit bed naar buiten, waar Charles hem zag lopen. Hij wenkte Bram om naar hem toe te komen. Snel liep Bram naar hem toe.
“Ik moet je wat vragen.”
Onder het lopen naar het kasteel, waar een pot thee uitnodigend stond te dampen in de koele ochtendlucht, begon Charles zijn grote plan aan Bram voor te leggen. Bram begreep heel goed waarom Charles hem hierover raadpleegde, want in het plan waren nu ook Debby en hij betrokken.

De volgende dagen waren hectisch voor Jean. Het pistool werd opgehaald. De verklaringen van hem en de vrouw van het kerkhof werden afgenomen, waardoor de schuld van de commissaris onomstotelijk vast kwam te staan. Door een speciale ambtenaar werd het nieuwe paspoort van Jean in orde gemaakt. Een aantal dingen wilde hij graag doen in zijn geboortestad. Een daarvan was wat Debby voor haar sollicitatiegesprek ook had gedaan: een broodje eten op het Hoofddorpplein met een chocolade milkshake, waar een klein scheutje likeur aan was toegevoegd.  Even dacht hij erover om het bedrijf van de broers te bezoeken. Het zou een goede grap kunnen zijn om daar naar binnen te gaan, de aandacht te trekken en dan weer weg gaan zonder te vertellen wie hij was. Hij deed het niet. Wat hij wél deed, was het bedrijf van buiten bekijken. Later zou hij van Puk een pak op zijn donder krijgen omdat hij niet binnen was gekomen, want Puk bleef Puk. Jean sloot de deur van Debby’s flat, waar hij de afgelopen dagen had geslapen. Met zijn nieuwe paspoort op zak stapte hij in de auto bij zijn vrienden Dennis en Wouter.
Hij reed nu als legaal en vrij mens naar de plek waar een ommekeer in zijn leven begonnen was. Vrijdagochtend om zes uur arriveerden ze bij het kasteel, waar alles lag te slapen.

Na een paar uur slapen, verzamelden ze zich op het terras van het kasteel.
Trots liet Jean zijn paspoort zien aan Corinne en Charles.
“Vind je het goed dat ik hem even bij me houd om hem straks op mijn gemak te bekijken?”
“Natuurlijk.”

Bram wist wat de echte reden was voor het willen ‘bekijken’ van het paspoort. Charles begon aan een verhaal over de jachtuitrusting van Jean. Dit was voor Bram een ideale gelegenheid om Jean bij het kasteel weg te krijgen, zoals afgesproken met Charles.
“Dat wil ik wel eens zien.”
“Dat kan.”
“Wel in het bos, dan voel ik mij echt een oermens.”
De rest van het gezelschap viel uit elkaar. Dennis en Wouter gingen met Jean en Bram mee om te kijken naar de kunsten van Jean. Debby ging even op bed liggen. Corinne en Charles gingen het kasteel binnen om te wachten op de drie personen, waaronder een notaris, waar hij mee afgesproken had.

Jean demonstreerde zijn werptechniek. De mannen waren, net als Charles, verbaasd over de afstand die Jean kon gooien en toch trefzeker was. Bram hoorde de auto die verwacht werd het terrein opkomen. Nu moest hij Jean minstens een half uur bezig houden, wat eenvoudig was.
“Mag ik het een keer proberen?”
Ook Bram had moeite om te gooien. Hij nam zich voor de techniek te leren in de toekomst. De auto vertrok weer. Bram wachtte nog even om dan te stoppen met gooien en stelde voor een biertje te gaan drinken.

Onder het lopen vroeg Bram aan Dennis en Wouter of ze in ieder geval tot dinsdag wilden blijven. Dat kon. Dat was één dacht Bram, nu de anderen nog. Dat kon eenvoudig via de telefoon.
“Hallo, Rik.”
“Hallo, Bram.”
“Kunnen jullie tot dinsdag blijven?”
“Heb je daar een reden voor?”
“Een héle goede die strikt geheim moet blijven voor álle anderen.”
“Nee, ik zal niets tegen Puk zeggen, daar kan je op rekenen.”
“Ik weet het, bedankt alvast.”
“Tot zaterdag.”

De rest van de dag waren ze bezig om drie slaapkamers met bijbehorende badkamers schoon te maken. Goede vrienden of kennissen hebben heeft zijn voordelen, want twee uur later werden er bedden bezorgd.
Wouter en Dennis verhuisden naar het kasteel, want Debby en Bram hadden rust en privacy nodig, vond Corinne.

Vrijdagavond vertrok een auto met drie gewoon nieuwsgierige mensen, een opgewonden standje omdat Rik niet wilde vertellen waarom ze tot dinsdag bleven, een doos Ketel 1 jenever en een hele Old Amsterdam. Dit laatste op speciaal verzoek van Bram. De volgende morgen om acht uur arriveerden ze bij het kasteel.
“Wat een afstand, waarom zitten die gasten niet in de Belgische Ardennen,” mopperde Puk nerveus.
“Zeur niet zo Puk, je hebt verdomme driekwart van de afstand liggen ronken als een kettingzaag. We zijn er nog doof van.”
“Chagrijn.”
Jean hoorde ze aankomen. Hij liep naar de auto toe om ze te verwelkomen.
“Daar heb je pappa, dat zie je zo. Een lekker ding trouwens, vind je ook niet Joke?”
“Zal ik hem vragen voor een triootje vanavond?” pestte Joke.
“Dan noemen ze mij oversekst,” mopperde Puk.

Het jennen was een uitlaatklep voor de zenuwen die vooral het vermogen van Puk zich te beheersen, vrijwel helemaal wegvaagde. Huilend van nervositeit en blijdschap voor Debby en Bram, omhelsde Puk Jean.
“Jij móét Puk zijn.”
“Ze heeft vast sterk overdreven over mij,” snotterde Puk.
Het voorstellen ging verder. Vanuit zijn slaapkamerraam zag Charles het gezelschap knuffelen.
“Corinne kom kijken, daar heb je nog meer van die lieve hyena’s.”
“Hyena’s! Hoe kom je daar nou bij?”
“Ze knuffelen elkaar zo leuk bij het ontmoeten, dat doen die beesten ook.”
“Idioot.”

Jean liep met ze mee naar Debby en Bram toe. Bram hoorde ze aankomen.
“Debby, onze familie komt eraan.”
Met een schok werd ze wakker en vloog overeind, verwilderd keek ze om zich heen.
“Nu al! O god, nou zal je het krijgen.”
En dat kreeg ze ook. Puk, die zichzelf weer een beetje hervonden had, was zichzelf weer hélémaal kwijt. De mannen probeerden een beetje stoer te doen. Het inspireerde Joke, in gedachten, tot de volgende zin: de tranen in alle ogen twinkelen  als zonlicht in diamanten. Jean keek geamuseerd toe en dacht: Bram heeft niet overdreven. Nu de spanning van het kennismaken weg was, kon er een gesprek beginnen. Jean was het slachtoffer van Joke en Puk, want ze vonden hem niet alleen érg charmant, maar ze wilden ook weten hoe hij hier was terechtgekomen.
“Zo kan het wel weer Puk, laat Jean even met rust.”
Puk keek Rik even aan. Dat was voldoende om hem spijt te laten krijgen van zijn bemoeienis. Charles reed het terrein af. Jean wist wat hij ging doen.
“Er komt zo vers brood aan, eten we hier of…?”

Voor de derde keer binnen een week vertelde Jean zijn verhaal en maakte hij zijn wandeling.

Hoofdstuk 43

Zondagochtend sliep iedereen uit na de feestavond van de vorige dag. Voorzichtig kwam de een na de ander naar buiten. Jean was onderweg om brood te halen voor het ontbijt. Corinne en Charles dekten de tafel en maakten thee en koffie. De geitenkaas en brie van de buren geurden uitnodigend. Bij een boer verderop hadden ze vleeswaren gekocht, gemaakt van scharrelvlees. De Old Amsterdam stond voor Corinne en Charles op tafel. Als bijen om een bloem, draalden de wakkeren uitgehongerd rond de tafels, na eerst met veel water en aspirine de katers te hebben verzopen. Jean werd met een zacht gejuich verwelkomd. Corinne en Charles keken verbijsterd toe hoeveel brood er werd gegeten. Zij deden nauwelijks aan ontbijt, een croissant met koffie was al heel wat. Van Jean waren ze wel wat gewend, maar dit hadden ze nog nooit gezien. Met zijn allen ruimden en wasten ze af terwijl de koffie, voor bij de taart die Jean had meegenomen, doorliep. Zonder dat iemand, buiten de ingewijden, iets wist van wat er te gebeuren stond, was er toch een sfeer van verwachting. Corinne en Charles speelden ontspannen te zijn, wat de spanning alleen maar vergrootte.

Bram stelde voor om naar de Tour de Merle te gaan.
“Moet ik dan mijn zondagse harnas aan?” vroeg Brian.
Lachend met en jennend tegen elkaar vertrok het gezelschap naar de ruïne. Corinne, Charles, Debby en Jean bleven thuis. Jean begon, samen met Debby, aan de voorbereidingen voor het diner van die avond. Charles had de nodige verrassingen uit de wijnkwelder gehaald om te worden gedecanteerd. Corinne maakte de grote, door Jean van oud eikenhout gemaakte tafel, in het kasteel in orde. In een grote kasteelzaal hoort een bijpassende kasteeltafel, had Jean gezegd. Er waren twee potige mannen nodig om het blad op het onderstel te plaatsen. Door de stukjes vloerbedekking onder de poten was hij nog wel verplaatsbaar over de stenen vloer. Corinne had eerst haar twijfels gehad, maar toen hij geplaatst was vond ze hem prachtig; nu kwam hij zelfs van pas. Het moderne bestek, dat ze gebruikten als ze met hun drieën waren, werd vervangen door het antieke zilveren. De damasten kleden, het antieke servies en de kaarsenkandelaars maakten de tafel geheel in stijl met de omgeving. Corinne waande zich even in de middeleeuwen.

Bij de Tour de Merle liep het gezelschap de souvenirwinkel binnen. De brunette stond achter de toonbank. Ze zag Bram, liep naar hem toe en gaf hem een welkomskus.
”Waar is Jean?”
“Thuis.”
“Jammer.”
Puk keek met stijgende verbazing naar de twee. Ze fluisterde tegen Joke: “Moet je kijken, dat is hier net en nu al zoenen met alles wat een paar tieten heeft.”
Joke begon te lachen.
“Jaloers zeker?”
Samen proestten ze het uit, waardoor Brian opmerkte: “Wat een lol hebben we. Wedden dat het over seks gaat.”
“Oud wijf, ga maar een cadeautje voor je moeder kopen of zo,” wees Joke hem lachend terecht.
De klim naar de toren sloegen de dames over.
“Wij blijven wel beneden. Straks worden we nog geschaakt door een paar ridders.”

Drijfnat van het zweet kwamen de mannen weer beneden.
“Wat een prachtig uitzicht, jullie hebben wel wat gemist.”
“Ik geloof je graag, wij gaan in november wel kijken.”
Met de lelijkste souvenirtjes die ze konden vinden, wat een traditie was in de familie, vertrokken ze naar het kasteel. Daar stond een fles rosé, champagne en bier klaar in de ijsemmers op het terras, in de milde namiddagzon. Blokjes Old Amsterdam voor de hieraan verslaafde Corinne en Charles, reepjes vleeswaren en lokale kazen voor de rest.
De rook van de smeulende barbecue, waar het vlees voor bij het diner die avond werd bereid, zorgde voor een feestelijk aroma. Na een snelle douche was het hele gezelschap bij elkaar. Rik vertelde hoe het op de zaak was gegaan na het telefoongesprek van Puk en Debby.
“Debby heeft haar vader gevonden in Frankrijk.
‘Wat! Die is toch dood.’
‘Moet je horen….’
‘Hé! Die is toch vermist.’
‘Ik heb een nieuwtje….’
‘Je lult uit je nek, die is dood.’
Zo ging het als een golf door het hele bedrijf. Puk was natuurlijk helemaal overstuur, dat zagen ze en daarom geloofden ze het ook.”
“Wil je daarmee zeggen dat ik altijd overstuur ben of zo?” reageerde Puk op de opmerking van Rik.
“Bijna altijd.”
“Als jij van plan bent je ongelofelijk interessante memoires te gaan schrijven, moet je wel opschieten.”
“Geeft niet hoor Pukkie, kom maar bij oom Bram, ik zal je wel beschermen tegen mijn stoute broertje.”
“Donder jij ook maar op. Die ongein met die flip-over ben ik nog niet vergeten.”
Wouter en Dennis hadden veel plezier om het jennen van de familie onderling. Corinne en Charles verstonden er niets van, maar de positieve atmosfeer en het lachen voelde prettig aan. Jean vertaalde af en toe wat er gezegd werd voor ze, zoals het pesten van Puk. Om acht uur ging het uitgelaten gezelschap aan tafel in het kasteel. De spanning die eerder gevoeld was, kwam weer terug. Bijna niemand wist wát er zou komen, ze voelden wel dát er wat stond te gebeuren. Aan het ene hoofd van de tafel zat Corinne en aan de andere kant Charles. Naast Charles stond een tafeltje met een krant erop. De krant was niets bijzonders, de enveloppe daaronder wel. Debby zat tussen de mannen in haar leven, Bram en Jean.

Het voorgerecht was oeuf mayonaise ter ere van de dag dat Debby en Bram op het kasteel waren aangekomen. Debby en Bram mochten weer hun belevenissen in het chauffeurscafé vertellen. Het hoofdgerecht was diverse soorten vlees van de barbecue met een saus waarin paddenstoelen verwerkt zaten. Om de Engelse ex-collega van Jean in ere te houden, waren er gekruide roast potatoes bij. De groente bestond uit verschillende slasoorten uit eigen tuin. Het dessert was gemaakt van appelen uit eigen tuin, een specialiteit van Corinne. De wijn had ervoor gezorgd dat uit de diepste krochten van de hersenen van sommige aanwezigen, het Frans dat ze ooit op school hadden gehad weer te voorschijn kwam. Charles hield hier, met deze beperkte kennis van de Franse taal, rekening mee in de speech die hij had voorbereid. Met zijn mes tikte Charles tegen zijn glas en ging staan. De stilte was onmiddellijk en oorverdovend.
“Lieve vrienden. Vanavond zal ik jullie onze plannen voor de toekomst vertellen, maar eerst een stukje geschiedenis. Ooit heb ik het kasteel van mijn ouders geërfd. Bij die erfenis hoorde de belofte om het kasteel te bewonen en in goede staat te houden. Mijn liefste Corinne wilde met mij trouwen onder de voorwaarde dat we op het kasteel zouden blijven wonen. Het leek haar erg romantisch. Helaas konden we geen kinderen krijgen, waardoor het wonen hier minder leuk werd. Wat ook een rol speelde, was dat ze haar geboortestad Parijs miste. Ons huwelijk werd een gevecht tegen elkaar in plaats van met elkaar. Het wonen op het kasteel werd een straf en een prestigekwestie. Hierdoor verwaarloosde ik het chateau steeds meer, waardoor het nog onprettiger werd om hier te wonen. Op het dieptepunt van onze relatie en ons leven mag ik wel zeggen, kreeg ik gelukkig een ongeluk. Jean redde mijn leven, ondanks de consequenties die dit voor hem had.”

Charles pauzeerde even om Jean de gelegenheid te geven om wat hij gezegd had, zo nodig te vertalen.

“Een paar weken later kwam hij bij ons wonen. Vrijwel direct veranderde de atmosfeer in het kasteel door zijn positieve instelling. Het wonen op het kasteel werd weer leuk. Onze relatie veranderde door zijn bemiddeling. Bij momenten dat we vergaten om samen en niet tegen elkaar te strijden, heeft hij verschillende keren gedreigd weg te gaan als we ruzie zouden blijven maken. Onze Jean is een harde, maar eerlijke leermeester. Het leven werd weer een feest voor ons, zoals het ritueel planten van de kersenpit.”

Vragende blikken en een zacht gemompel onderbrak de speech van Charles. Jean liet als gebaar van wanhoop zijn hoofd op zijn armen zakken op tafel.
“Kennen jullie dat verhaal niet?” vroeg Charles, geamuseerd door de reactie van Jean.

Jean vertelde beknopt aan diegene die het nog niet wisten, wat hem was overkomen onderweg.
“Morgen gaan we de boom opnieuw dopen,” besliste Joke.
“De details horen we morgen, neem ik aan.”
“Ja Puk, morgen zal ik je alles vertellen.”
Jean gaf een teken aan Charles dat hij weer verder kon gaan.
“Het kasteel veranderde hij van een vervallen boel tot wat het nu is, een heerlijke plek om te wonen. De liefde voor het kasteel en de vakmanschap van Jean zijn overal te zien. Hij was degene die mij aanraadde om vaker een weekeinde naar Corinne haar geliefde Parijs te gaan, waardoor we nog gelukkiger zijn geworden. Corinne leerde hem pianospelen, wat hij zo vaak oefende dat wij er gek van werden.”
Een instemmend gejoel steeg op.
“Wacht maar tot ik ga leren drummen en trompetspelen,” jende Jean terug.
“Een van de ergste dieptepunten in zijn, maar ook ons leven, was de dood van zijn familie. Het hoogtepunt was, neem ik aan, de wonderlijke terugkeer van zijn schitterende dochter en haar charmante man.”

De spanning was nu weer terug, iedereen was doodstil. Niemand had meer zin in een grap, wat naar aanleiding van de opmerking charmante man, zeker door Puk mogelijk was geweest. Debby en Jean hielden, ontroerd door de woorden van Charles, elkaars hand vast.
“Door zijn mening ten opzichte van het blijven wonen op het kasteel ben ik daarover gaan nadenken. Wat was het ook weer wat je zo vaak zei: ’als je ouders zo graag willen dat het bewoond blijft, dan gaan ze er toch spoken.’ “
Charles besloot een pauze in te lasten.
“Jean, haal jij wat wijn uit de kelder. Jullie Hollanders hebben de rare gewoonte dat ook ‘s avonds te drinken. Doe voor mij maar een whisky water, dat je van je Engelse collega zo goed hebt leren maken en voor mijn geliefde Corinne haar bekende Hollandse recept.”

Tijdens het wachten vertelde Charles details over het leven op het kasteel die tot dan toe alleen Jean wist. De wijn, een premier cru bourgogne acht jaar oud, werd met eerbied ingeschonken en geproefd. De whisky, gemengd met de juiste hoeveelheid water uit de bron waar Charles zijn ongeluk had gehad, stond voor hem. Hij vervolgde zijn verhaal.
“Nu Jean zijn familie terug heeft, neem ik aan dat hij terug gaat naar Nederland.”
Deze vraag was afgesproken met Bram om te horen wat het standpunt van Jean hierover was. Jean regeerde zoals Bram en Charles verwachtten.
“We hebben afgesproken dat ik, tot jullie dood, voor jullie blijf zorgen. Die belofte zal ik niet breken. Jullie hebben voor mij gezorgd, nu is het mijn beurt.”
De spanning was weer terug, hier hadden ze allemaal over lopen nadenken zonder een oplossing te kunnen bedenken. Debby durfde zich niet te bewegen, laat staan Jean aankijken. Een beetje in paniek probeerde ze tot zich door te laten dringen wat de belofte van Jean voor hun relatie inhield. Bram trok haar voorzichtig naar zich toe en fluisterde in haar oor: ”Maak je geen zorgen, alles komt goed.”
Bijna onmerkbaar knikte Debby, ten teken dat ze het begrepen had.
“Dan heb ik een verrassing voor je, Jean.
We ontslaan je van die belofte, want we hebben de afgelopen week een verzorgingsflat in Parijs gekocht om daar permanent te gaan wonen.”
“Dat is geweldig nieuws, weg dat kasteel, op naar Parijs. Ik neem aan dat jullie het kasteel verkocht hebben.” riep Jean enthousiast.
“Nee, dat hebben we niet.”
“Sorry dat ik het vraag, maar hoe willen jullie die flat dan betalen,” vroeg de verbaasde Jean.
“We hebben geld uit de erfenis van onze ouders.”
“Maar ik dacht dat…”
“Jullie weinig geld hadden,” onderbrak Charles hem.
“Dat is niet zo, maar dat is iets wat wij jou nooit verteld hebben. We wilden op gelijke voet met jou staan en dat staan we ook. Onze bewondering voor jou als mens is enorm en zal dat ook altijd blijven. Het hebben van geld kon alleen maar tussen ons in komen staan. Dat wilden we beslist niet en dat gaat in de toekomst ook niet gebeuren. En nog een voordeel is dat het kasteel nu veel beter en voor een prikkie is opgeknapt.”

Ze moesten allemaal lachen om het beteuterde gezicht van Jean.
“Daar ben je mooi ingetrapt,” riep Rik.
“Dat heb ik in de gaten. Die rijkelui kan je niet vertrouwen,” schertste Jean.
Charles keek weer serieus en ging verder met zijn speech.
“Omdat we geen enkele familie meer hebben, gaat het kasteel bij ons overlijden naar de staat. Dat leek ons geen goed idee, dus hebben we een andere oplossing bedacht: we geven het weg aan een goed doel.”
“Dat is een goed plan. De staat is al rijk genoeg,” viel Jean hem bij.
De rest van de toespraak kon Jean niets meer schelen: hij was vrij om met Debby en Bram naar Nederland te gaan. Het dilemma waar ook hij mee geworsteld had, werd op deze manier voor hem opgelost. Hij was het liefste in Frankrijk gebleven, maar nog liever bij zijn dochter.
“Ik ben blij dat jij het met ons eens bent. We hebben aan veel goede doelen gedacht. Het probleem daarbij was, wat gaat er met het, door jou zo schitterend gerestaureerde, kasteel gebeuren. Het is nu meer jouw kasteel dan het onze. Wanneer het opnieuw in verval zou raken, zou ik dat verschrikkelijk vinden. Uiteindelijk hebben we toch een goed doel gevonden, waarbij we ook een deel van ons kapitaal doen om het kasteel te kunnen onderhouden.”

Jean hoorde heel in de verte Charles praten: hij zag zichzelf al met de kleine door de polder lopen. Charles pakte onder de krant de enveloppe.
Hij zag aan Jean dat hij al in gedachten afscheid aan het nemen was.
“Jean!” riep Charles, waardoor die weer bij de les was.
“In deze enveloppe zitten de papieren voor de overdracht van het kasteel en twee miljoen euro, naar het goede doel en later de rest van de erfenis.
Je zult je misschien afvragen wat dat goede doel is.”
“Om heel eerlijk te zijn vraag ik mij dat niet af. Het feit dat jullie in Parijs gelukkig worden en ik bij mijn dochter, is het enige wat voor mij telt.”
“Dat zijn wijze woorden, maar zo makkelijk kom je er niet vanaf, want het goede doel ben jij; alsjeblieft de papieren.”
Eén seconde was het stil.

Hoofdstuk 44

De broers en hun vrouwen waren naar Nederland vertrokken. In een gesprek met Debby, Bram, Wouter en Dennis kwam de naaste toekomst van Wouter en Dennis ter sprake. Wouter was van plan om een boek te gaan schrijven over wat hij had meegemaakt. Hij stelde voor om via Internet met Jean hierover te communiceren. Op deze manier kon hij schrijven en blijven werken om geld te verdienen. Dennis had verlof genomen om de zaak van de commissaris te verwerken. Het had een veel grotere impact op hem dan hij had gedacht. Hij wilde de alfa methode van Debby daarvoor gebruiken. Zij bood aan om hem het boek te laten lezen, zodat hij daar uit kon halen wat bij hém paste. Hij vroeg aan Debby en Bram wat zij ervan vonden dat hij in de toekomst pedofielen en andere criminelen met deze methode wilde proberen te helpen een normaal leven te lijden.
“Lukt dat niet, dan heb ik in ieder geval alles geprobeerd om mijn bijdrage te leveren aan een betere samenleving,” motiveerde Dennis zijn idee.
“Misschien kan ik jullie daar in de toekomst een plek voor aanbieden,” bood Bram hem aan.
“Mag ik jullie een voorstel doen?” vroeg Jean.
“Dat mag altijd.”
“Wouter, jij hebt tijd nodig om een boek over mij te schrijven, wat ik een hele eer vind. Dennis, jij zoekt rust. Laten we die twee combineren. Ik regel een huis hier vlakbij. Wouter kan mij dan makkelijk opzoeken om informatie voor zijn verhaal te krijgen en Dennis kan zijn alfatechniek oefenen. Wanneer jullie klaar zijn, zien we wel wat er verder gaat gebeuren. Uiteraard betaal ik alles. Om te kunnen leven, krijgen jullie ieder duizend euro per maand. Zo kan ik iets teruggeven voor wat jullie voor mij gedaan hebben en mijn steentje bijdragen aan het eventueel genezen van criminelen. Jullie mogen elk argument gebruiken om nee te zeggen behalve: we willen geen liefdadigheid, want dat is het niet.”
Zo voelden Wouter en Dennis het ook niet. Argumenten om nee te zeggen, konden ze niet vinden.

Hoofdstuk 45

Voor de tweede keer die vakantie had Charles een vraag voor Bram.
“Ik heb navraag gedaan naar de vrouw op het miniatuur. Ze woont nog steeds op het zelfde adres. Volgens mij heeft hij een klein duwtje nodig om hem naar haar toe te laten gaan.”
“Misschien is ze wel getrouwd,” wierp Bram tegen.
“Nee, dát is ze niet.”
Bram dacht: hij weet nog meer, maar hij wil het niet zeggen.
“Dan zal ik het Jean vragen.”

In de buurt van Abbeville zaten een meisje en een vrouw op het terras bij een villa.
“Wat heeft die hond? Ik word gek van hem, hij blijft al dagen rondjes lopen.”
“Ik weet het niet. Waar is hij eigenlijk?”
“Hij is met zijn rondje bezig, hij zal zo wel komen.”
Na een half uur was de hond nog weg.
“Ik ga hem zoeken.”
“Ik ga mee.”
“Kijk, hij zit bij de trap.”
“Kom mee, Chien. Hier is niets te zien.”
De hond reageerde niet. Als een standbeeld bleef hij zitten.
“Wanneer hij moe is, gaat hij wel slapen op zijn plekje op het terras.”
Dat deed de hond niet: de volgende morgen zat hij nog steeds op zijn plek. Ze probeerden hem met water en eten te lokken, waar hij totaal niet op reageerde.
“Om vier uur komt er iemand van de elektra langs. Ik hoop niet dat hij hem aanvliegt omdat hij dan opzij moet.”

Tijdens het ontbijt zaten Debby, Bram en Jean op het terras van de gite. Debby opende, zoals met Bram afgesproken, het onderwerp hond.
“Een béétje kasteelheer heeft een hond. Ga jij Chien nog halen?”
Jean werd overvallen door de vraag waar hij de laatste tijd in gedachten veel mee bezig was.
“Eh…, dat weet ik nog niet.”
“Ik heb een leuk idee, paps. We laten Charles uitzoeken of ze daar nog woont. Jij komt voor de hond, dus als ze getrouwd is kan daar niemand over vallen en jij loopt zo geen blauwtje.”
Haar glimlach nam bij voorbaat alle bedenkingen weg.
“Beauty en brains is een gevaarlijke combinatie, zou mijn Engelse collega gezegd hebben.”
“Dan heb ik ook een idee. We laten Charles haar bellen met een smoesje over een elektramonteur of zo, dan weet je ook of ze thuis is, want het is een eind rijden.”
Jean voelde aan dat hij gemanipuleerd werd. Het ging uit liefde en geen bemoeizucht wist hij. Ze hadden de twee problemen waar hij mee worstelde, opgelost voor hem.
“Dat lijken mij twee goed-ideeën.”

Charles maakte, met een smoesje over de elektra, een afspraak voor de volgende dag vier uur. Jean vertrok de volgende morgen om zes uur richting Abbeville, een rit van zevenhonderd kilometer. Om drie uur die middag begon de hond in Abbeville, niet te verwarren met the hound of the Baskervilles, het terras op rennen en begon tegen Nina op te springen. Steeds omkijkend, rende hij weg. Ze volgde hem niet, dus kwam hij weer terug rennen om weer tegen haar op te springen en weg te rennen.
“Lassie, zit,” commandeerde Nina tegen beter weten in.
Na een keer of tien gaf Chien het op en ging weer op zijn plaats bij de trap zitten.

Om exact vier uur belde  Jean aan bij de villa. Chien was nu door het dolle heen. Lola, een héél mooi meisje van een jaar of veertien, schatte Jean, deed de poort open. Chien begon tegen Jean op te springen.
“Chien, af,” riep Jean.
De hond ging zitten, elke beweging van Jean volgend. Het meisje met bruin haar en lichtblauwe ogen keek verbaasd van de hond naar de man.
“Hoe weet u de naam van onze hond?”
“Omdat ik hem die gegeven heb. Nu kom ik hem halen.”
Het meisje zei niets, maar nam hem zéér belangstellend op. Jean kreeg het idee dat het vliegtuig waarin hij naar het zonnige zuiden zou gaan, per ongeluk op de Noordpool was geland.
“Dan heeft ze dus niet gefantaseerd over ene Jean met zijn lelijke hond.”
“Wie?”
“Mijn moeder.”
“Ah, je moeder.”
“Ja, mijn moeder, ze vertelde dat jij ooit een keer de hond zou komen ophalen.”
“Dat klopt, hier ben ik dan.”
“Godzijdank dat haar smaak voor mannen in ieder geval één keer goed is geweest. Ik had het héél veel slechter kunnen treffen.”
Jean stond het meisje onnozel aan te kijken. Hij had geen idee wat ze bedoelde.
“Je weet écht niets hé.”
“Nee, ik heb geen idee wat je bedoelt.”
“Ik heb jouw ogen.”
Langzaam begon het tot Jean door te dringen.
“O shit, dan heb ik in twee weken twee dochters gekregen.”
Nu was het aan de beurt van het meisje om verbaasd te zijn. Een beetje aarzelend gaf ze Jean een kus.
“Blij je te zien, paps.”
“Ik jou ook, dochter.”
“Ik heet Lola. Kom op, we gaan naar mam, wat zal ze dat geweldig vinden.”
Chien volgde blij, maar met enige reserve vanwege eerdere ervaringen.
“De elektra was een grapje zeker,” zei het meisje dat niet alleen mooi, ook slim was.
“Een flauw grapje, bedacht door mijn dochter en schoonzoon.”

Chien kon zich niet meer beheersen en rende naar het terras om het goede nieuws aan Nina, het alfa vrouwtje, te vertellen. Nina kwam ze al tegemoet lopen, want ze vond het wel erg lang duren voor de elektra man binnen was.
“Jean, je leeft, wat geweldig,” riep ze en omhelsde hem.
“Jij ook zie ik, Lola en ik hebben al kennis gemaakt.”
“Je weet dus….”
“Ja en ik ben nu al ápetrots.”
Lola keek van de een naar de ander.
“Wat is dat nou voor een ontmoeting, jullie hebben elkaar veertien jaar niet gezien.”
“Ze heeft gelijk Nina, ze is mijn dochter, dus heeft ze gelijk. We beginnen opnieuw, maar dan in slow motion.”
Ze liepen beiden een stukje terug en begonnen in slow motion naar elkaar te lopen.
“Niiiiiiinaaaaaaa, riep Jean met een lage stem.”
“Jeaaaaaaaaan.”
Lola boog zich voorover naar Chien.
“Ze heeft dus iemand gevonden die nog gekker is dan zij.”
Chien vond het allemaal véél te lang duren. Hij begon weer tegen Jean op te springen. Jean haalde hem aan.
“Rustig maar Chien, ik kom je halen.”
“Mij niet dan?”
Lola keek naar haar moeder met een blik van: wat zeg je nú! Nina negeerde haar.
“Natúúrlijk kom ik voor jou. De hond en de elektraman waren smoesjes.”
“Ik ga met je mee, het kan mij niet schelen waar of hoe je woont.”
“Dan heb ik een verrassing voor je.”
Lola kuchte opvallend.
“Jij mag ook mee als je wilt.”
“Het kan mij wél schelen hoe je woont, ik ga niet in een woonwagen wonen of zo.”
“Houd je van middeleeuwse kastelen?”

Epiloog

“Opa, opa, opa!” riep de twee jaar oude Zoë terwijl ze op haar korte beentjes naar Theo toe rende. Theo pakte haar op.
“Wat is er kleine druktemaker?”
“Chien wil niet wakker worden.”
“Hoe weet je dat?”
“Ik ging met hem spelen.”
Verder vragen had geen zin, wist Theo.
“We gaan samen bij hem kijken.”
Met haar handje om Theo’s duim geklemd liepen ze naar het buitenhok, waar Chien de laatste tijd het liefste sliep. Ondanks  zijn bijna zeventien jaar was hij overdag nog redelijk fit, maar ’s nachts prefereerde hij de rust van zijn hol, zoals iedereen het noemde. Hij had nu alle reden om die rust te zoeken want het was dertien juli. Net als vorig jaar waren alle familie en vrienden bij elkaar om quatorze julliet en de verjaardag van Theo te vieren. Alle kamers in het kasteel, het vakantiehuis en Theo’s huisje waren bezet. In de grote schuur sliepen de tweelingbroers van Joke en Brian. Lola, de dochter van Nina en Theo, was erg gecharmeerd van de jongens en sliep daar ook.
Theo zag direct dat Chien in zijn slaap overleden was, want hij lag gestrekt in zijn lieveling houding op zijn nest van dennennaalden en stukjes konijnenbont.
“Wil jij hem wakker maken, opa?”
“Dat kan niet meer, hij is naar de hondenhemel gegaan.”
“Is dat eng?”
“Nee hoor, daar is hij heel blij. Daar zijn allemaal hondjes waar hij mee kan spelen.”
“O! Dan is het goed.”
Ze rende naar haar moeder om het grote nieuws over haar onafscheidelijke hondenvriend te vertellen. Even later stonden ze allemaal in een kring om het hok van Chien, behalve Zoë en haar moeder Debby. De vreugde over het mooie leven en de vredige dood van Chien overtrof het verdriet.

De volgende morgen liep een lange processie vanaf het kasteel naar de kersenboom, het symbool van de liefde tussen Nina en Theo. Theo droeg Chien, Nina een bordje dat Theo had gemaakt met de tekst:
“Chien, mijn redder en de brenger van ongekend geluk voor ons, bedankt. Nina en Theo.”
Charles droeg een hamer en Corinne een antieke spijker uit de grote schuur.  Theo plaatste het broze lichaam van Chien op het bed van dennennaalden en stukjes konijnenbont, dat hij op de bodem van het de avond tevoren gegraven graf had geplaatst. Voorzichtig gooiden Nina en Theo het graf dicht. Lola kreeg de eer om het bordje op de kersenboom vast te zetten.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

2 Replies to “De ommekeer”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *