Eigenwijs

Eigenwijs

Lonques-sur-mer, Normandie, Frankrijk, 19 oktober 1944 20.00 uur
“Dit moet met spoed naar generaal Bradley,” zegt zijn commandant.
Onderweg naar de garage raadpleegt hij de weerman die hem verzekert dat het droog en helder blijft. Met de map papieren, vanwege de storm, stevig onder zijn arm gedrukt, loopt hij naar de garage. De glinsterend heldere maan lijkt met zijn geheimzinnige licht ook kou te stralen en hij huivert. In de garage loopt hij naar de getijdentabel die aan de muur hangt. De planner van het autoparkje komt naar hem toe en zegt: “Jij gaat naar Collevile-sur-mer, denk erom dat de D514 versperd is, je moet via Bayeux.”
“Dat rijdt dertig kilometer om. Ik ga wel langs de zee,” protesteert hij.
“Je kunt niet langs de zee, want met die storm is dat véél te gevaarlijk. Als je pech krijgt, dan kan je geen kant op. De weg en de kwelder lopen helemaal vol en dan verzuip je.”
“Het is nu doodtij. Dan heb ik minstens twee uur de tijd en de weerman heeft gezegd dat het helder blijft,” protesteert hij eigenwijs.
“Dan geef ik je hierbij officieel de order om via Bayeux te rijden met je eigenwijze kop. Je bent hier goddomme net een maand en denkt het allemaal al te weten,” blaft de planner kwaad.
Hij tankt de auto helemaal vol en gaat boos op weg.

Ze zit met zijn foto in haar hand op de veranda naar de regen te kijken. De ongeboren baby beweegt zich behaaglijk in haar warmte. Ze denkt aan haar man en zijn laatste brief, waarin hij vertelt wat voor werk hij doet. Die brief stelde haar gerust omdat ze nu weet dat hij niet aan het front zit. De baby begint nerveus te bewegen. Ze begint een allesomvattende ongerustheid te voelen. Een merel vliegt snel en laag over het grasveld. Ze kijkt er verwondert naar en ziet dan waarom hij zo snel vliegt; een roofvogel zit achter haar aan. De merel maakt een schijnbeweging en raakt de grote esdoorn die daar al eeuwig staat. De rover volgt haar en slaat ook tegen de boom. Beiden vallen levenloos op de grond. Geruisloze tranen vallen op de foto terwijl ze bidt: “Lieve god, help hem.”

Bij de T- splitsing aarzelt hij en denkt, wat een schijterig gezeur van die ouwe en neemt toch de weg langs de zee. ‘Weg’ is trouwens wel een beetje een overtrokken woord voor het in de rotsen uitgehouwen pad. Twaalf kilometer is de afstand tot mijn bestemming, binnen een half uur ben ik er; heb ik de rest van de avond voor mezelf, denkt hij. Alle reden om je geen zorgen te maken en hij begint te fluiten. De verduisterde koplampen geven nauwelijks licht; veel minder dan de volle maan in ieder geval. Na vier kilometer bereikt hij de sluchter die bij vloed een klein gedeelte van de kwelder, aan de landkant van de weg, onder water zet. Bij eb staat hij altijd droog. Voorzichtig rijdt hij de verlaging van de weg in. Er stroomt nu al water richting de kwelder, ziet hij verbaasd. Dan ziet hij in de verte de getijdengolf aankomen. Haastig rijdt hij door en de achterkant van de auto krijgt nog net een zwiep mee van het water. Geschrokken kijkt hij om en ziet een eventuele terugtocht versperd. Nog acht kilometer, niets aan de hand, denkt hij. Toch is hij geschrokken van deze waarschuwing en hij begint zo snel mogelijk te rijden. Volkomen onverwacht verdwijnt de maan achter een wolk. Vloekend kan hij de auto, maar net op de weg houden. Een harde klap wipt hem uit zijn stoel. Even is hij bang dat de auto beschadigd is, maar hij blijft normaal doorrijden. Met een diepe zucht bedankt hij zijn schepper. De razende storm slaat nevels zeewater op de voorruit van de auto. De ruitenwissers piepen klagelijk over het zoute water. Voor de eerste keer voelt hij iets van onzekerheid over zijn keuze. Het beuken van de golven voelt als zware trommels die in de verte spelen. In zijn verbeelding ziet hij ze naast zich oprijzen. Het licht van de maan op de blauw glanzende rotskammen aan de kant van de weg, zorgen voor deze lugubere illusie. De melancholie en eenzaamheid van de streek maakt zich langzaam van hem meester en hij huivert. De maan verdwijnt weer en hij is blij dat hij nu voorzichtig rijdt. De nevels zeewater, meegenomen door de razende storm, zorgen ervoor dat zijn koplampen nauwelijks licht geven. Bijna stapvoets moet hij verder en hij beseft dat het veel te lang gaat duren. Hij begint te overwegen wat hij beter kan doen, stoppen en proberen de verduistering voor de lampen weg te halen of doorrijden, in de hoop dat de maan weer tevoorschijn komt. Hij besluit de lampen vrij te maken en stopt de auto. Met zijn uniformjas zorgvuldig dichtgeknoopt, stapt hij uit. De nevels zeewater lijken langs hem te gaan. Alleen de smaak proeft hij. Met zijn zakmes probeert hij de metalen verduisteringskappen van de koplampen te krijgen. Hij moet zorgvuldig werken, want als het glas beschadigt, zijn de lampen in een paar seconden stuk. Ze zijn een beetje open en geven iets meer licht. Oorverdovend dreunen ondertussen de golven tegen de rotsen. Op dat moment verschijnt de maan weer.
Hij springt in de auto en rijdt met een schok weg. Het vloeken, dat hij uit kwaadheid doet, verandert in een smeken om de maan te laten schijnen. De nevels worden steeds heviger; het dreunen van de golven ook. Volgens de kilometerteller moet hij nog zeven kilometer. Zeven eindeloze kilometers voor hij bij de wijn en de warmte van de open haard is. Tot het uiterste geconcentreerd, manoeuvreert hij de wagen over het pad. Zijn ademhaling gaat hortend en maakt de binnenkant van het raam wazig. Met zijn mouw veegt hij de ruit schoon en hij begint briesend door zijn neus te ademen; het beslaan stopt. De eerste serieuze hoeveelheid zeewater slaat op zijn voorruit. De ruitenwissers doen er drie keer over voor de ruit weer schoon is. Giftige angst kruipt in zijn brein. Dan wordt de weg iets breder en rechter. Mooi, denkt hij, nu schiet het lekker op, ik ga het halen. Op dat moment gaat het lampje van de brandstofmeter branden. Meter stuk, denkt hij, de tank is nog minstens driekwart vol. Hij rijdt voorbij een rotspartij aan de zeekant en komt in de volle kracht van de storm terecht. De auto schudt als een paard die zijn bereider probeert kwijt te raken. Zijn kaken en handen doen pijn van het krampachtig dichthouden. O god help me, ik zal nooit meer zo eigenwijs zijn, bidt hij in gedachten. Op dat moment hikt de motor een paar keer en stopt. Uit solidariteit met de motor verdwijnt ook de maan. Wanhopig start hij de auto die een paar keer, heel even, lijkt aan te slaan. Dan niets meer tot de accu bijna leeg is. De benzineleiding moet stuk zijn door die klap van daarnet, is zijn conclusie. De koppen van de golven slaan nu regelmatig over de rotskam heen tegen de auto. Onzichtbaar begint de kwelder naast hem vol te lopen.
“En ik heb ook geen regenjas bij me,” zegt hij giechelend van de angst en de zenuwen.
Hij begint zijn weinige opties te bekijken. Het zijn er twee, doodgaan in de auto of in de kwelder. In de auto, overweegt hij. Dat nooit, ik ga strijdend ten onder, daar ben ik verdomme soldaat voor. Hij zet zijn pet op, knoopt zijn uniformjas dicht en stapt uit de auto; zijn pet wordt direct weggeblazen. De wind, ik moet recht voor de wind uitlopen dan kom ik bij het vaste land achter de kwelder terecht, besluit hij. Mijn paraplu moet ik hebben. Met zijn paraplu als een blindenstok voor zich uit zwaaiend, begint hij te lopen. De kou voelt hij niet en het water waarin hij loopt, ziet hij niet door de volmaakte duisternis. Zo snel mogelijk waadt hij door. Plotseling is de grond verdwenen en hij valt voorover in een greppel. Hij krabbelt overeind en hij roept wanhopig tot zijn god: “Kunnen jullie wel.”
De snelheid waarmee hij vooruitkomt, wordt steeds minder door het stijgende water. De golven slaan over de weg en de kwelder loopt steeds sneller vol. Dan slaat hij met zijn paraplu ergens tegenaan. Met zijn handen onderzoekt hij wat het is. Het zijn rotsen en hij begint ze te beklimmen. Waarom heb ik die nooit eerder gezien, denkt hij. Hij bereikt de top van de kleine rotspartij en gaat daar zitten. Hoe hoog hij boven water uitsteekt, weet hij niet maar voor het moment is hij gered. Schuddend van kou en de ellende probeert hij zijn paraplu tegen zijn rug open te krijgen, om hem tegen de wind te beschermen. Het lukt hem en de storm vouwt de paraplu om hem heen. Met twee handen houdt hij hem vast. De ergste kou is weg en hij krijgt weer hoop, zijn eigenwijsheidschuld niet met de dood te moeten aflossen. Twee uur later zit hij er nog en hij weet dat de zee niet hoger zal komen en dat hij het heeft gered. Dan hoort hij boven het lawaai van de storm een ander geluid. Hij kijkt om en ziet een brandend vliegtuig op zich afkomen. Het laatste wat hij voelt, is de warmte van het vuur terwijl het vliegtuig zich op hem stort. Het laatste wat hij denkt is: nu zal ik mijn kind nooit zien.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *