Hels

Hels

Veel mensen denken dat de hel vuur is en zo. Fout, daar wen je aan, aan de echte hel wen je nooit; dat is de grote truc. Wat er in de hel wel gebeurd, zal ik u nu vertellen.

Je wordt op zaterdagochtend om tien wakker. Het is prachtig warm weer. Je vrouw zegt: “Ga jij nu eerst douchen, dan ga je daarna boodschappen in de supermarkt doen, het lijstje ligt beneden op tafel.”
Daar heb je natuurlijk geen zin in je probeert eronder uit te komen. Dit verlies je na een uitputtende discussie met je vrouw. Met een diepe zucht van ellende, stap je uit bed en gaat douchen. De auto staat in de volle zon en uiteraard heb je geen airco. Je rijdt, pissig door de hitte en het verlies van de discussie, vanaf huis naar de parkeerplaats bij de winkel. Nergens een parkeerplek. Je rijdt rondjes in de hitte en uiteindelijk vind je een plekje aan de uiterste rand van het parkeerterrein. De gele streep langs de stoep heb je met je kwaaie kop niet gezien. Je loopt het hele stuk naar de supermarkt en gaat naar de plaats waar de boodschappenkarretjes staan. Niets, alle drie de rijen met karretjes zijn leeg. Je gaat op zoek naar iemand die net zijn boodschappen heeft uitgeladen. Wachten is geen optie, want er staan mensen vóór je in de rij te wachten op een kar. Helemaal aan het andere einde dan waar jij nu staat, zie je iemand die zijn boodschappen aan het uitladen is. Triomfantelijk ga je bij hem staan en de man steekt zijn hand uit en kijkt je wazig aan. Je realiseert je dat hij op een muntstuk staat te wachten. Je pakt je portemonnee, daar zit geen muntje in. Wanhopig doorzoek je alle zakken, maar vindt niets. Je wil gaan rennen naar je auto, maar de man gaat met zijn boodschappenwagen al op weg naar de winkel. In de auto vind je een gloeiendheet muntje en je begint opnieuw aan een zoektocht.

Eindelijk heb je dan een karretje. Je gaat de supermarkt in, waar het uiteraard vréselijk druk en warm is. Het stinkt er naar zweet en kwade mensen. Met veel moeite laveer je door de winkel om je boodschappen te doen. Dertig procent van de artikelen is uitverkocht. Je vraagt aan het personeel of het achter staat. Je durft, na de ruzie van die ochtend, niet zonder alles wat op je lijst staat, thuis te komen. Elke keer moet je minstens tien minuten wachten, terwijl je steeds met je kar opzij moet, omdat mensen precies die boodschappen nodig hebben waar jij voor staat. Zwetend worstel je verder en uiteindelijk heb je alles. Opgelucht ga je in de eindeloze rij voor de kassa’s staan. In de verte zie je de ene kassa na de andere sluiten, tot er nog maar één over is. Op het moment dat je weer iets naar voren kan en je een stap naar voren zet, gaat degene die achter je staat in de rij ook naar voren en rijdt tegen je hiel. Krimpend van de pijn probeer je beleefd te blijven. Geeft niet hoor mevrouw, dat kan gebeuren hé, mompel je sissend van kwaadheid. De ongelofelijk, naar zuur zweet ruikende vrouw, kijkt je vanaf nu regelmatig zéér kwaad aan. Mensen vragen je steeds opzij te gaan, want je staat voor de producten die zij nodig hebben. Tot aan de kassa gaat dit door. Je gooit je boodschappen op de band en pakt je portemonnee. Je ziet dat je bankpasje eruit is. Terwijl de mensen achter je beginnen te mopperen, bel je naar je vrouw. Zij begint je uit te maken voor alles wat ze kan bedenken en jij probeert haar te laten zeggen waar je bankpasje is. In paniek roep je: “Houd je mond, waar is mijn bankpasje?”
Ze begint onbedaarlijk te huilen en snikt: “In je broekzak.”
Je voelt je nu helemaal rot, want je wil helemaal niet zo lelijk doen tegen je vrouw. De vrouw achter je stinkt nog erger en gaat tegen je aan staan zeuren over hoe lang het wel niet duurt. Haar stinkende adem komt boven haar zweetlucht uit en kotsmisselijk strompel je de winkel uit. Met je karretje rijd je naar de auto waar een parkeerbeambte een bekeuring aan het uitschrijven is. Het zijraam van je auto is ingeslagen en je dure, net nieuwe, soundsysteem is uit je auto gestolen. Je begint met de bonnenschrijver te praten. Je weet dat het geen zin heeft kwaad te worden, daarom begin je netjes uit te leggen waarom je daar staat. De man kijkt je met schelvisogen aan. Je kunt je niet meer beheersen en je schreeuwt: “Wat een idioot ben jij, in plaats van dat je ga opletten of er niets uit de auto’s gestolen wordt, ga je onzinnige bekeuringen lopen uitdelen.”
De man zegt, met een valse grijns op zijn gezicht: “Opletten is mijn werk niet.”
Het brandende maagzuur, waar je vanaf het zoeken naar een boodschappenwagentje, last van hebt, is nu bijna ondragelijk. Je stapt in je auto en smijt de bekeuring op de grond. Je scheurt van het parkeerterrein af en hoort achter in de auto een aantal flessen sneuvelen. De geur van goedkope wijn vult de auto. Wanneer je thuiskomt, is je vrouw helemaal door het dolle heen. Schreeuwend tegen elkaar lossen jullie de auto en je begint de kapotte flessen op te ruimen. Eerst een kopje koffie drinken, denk je, dan ga ik naar de garage. Met een diepe zucht plof je neer op de bank. Op dat moment wordt je geheugen gewist, je wordt op zaterdagochtend om tien uur wakker. Het is prachtig warm weer. Je vrouw zegt: “Ga jij nu eerst douchen, dan kan je daarna de boodschappen doen, het lijstje ligt beneden op tafel.”

Dit gaat tot in de eeuwigheid door.

 

 

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.