Het bewoonde onbewoonde eiland

Het bewoonde onbewoonde eiland

Het bewoonde onbewoonde eiland

Zingend: “Op een onbewoond eieieieieland,” slenter ik langs het strand op mijn onbewoonde eiland en denk, lekker is dat, krijg ik dat irritante liedje van die kapsoneskinderen niet meer uit mijn hoofd. Het refrein herhalend, zet ik traag mijn ene been voor het andere. De wind ruist zachtjes door de palmbomen, samen met het sissen van de zee brengen ze rust in mijn hoofd. Alle zorgen zijn letterlijk duizenden kilometers ver weg. De scheiding, het faillissement, de agressieve schuldeisers en iedereen die zo nodig wat van me moet hebben. Voor dit alles ben ik op de vlucht geslagen, die vlucht heeft me ongewild naar dit eiland toegebracht.

Mijn ogen zoeken naar alles wat er te zoeken zou kunnen zijn. In het water naar wat eetbaars, op het strand naar wat bruikbaars. Op het strand zie ik een aangespoelde vis spartelen en in de zee een fles drijven. Niets klopt op dit onbewoonde eiland, denk ik. De vis pak ik snel, vóór de volgende golf dit zou doen, voor de fles moet ik even wachten op de volgende golf. Met een spartelende vis in de ene en een fles, met iets erin, in de andere hand, ga ik terug naar mijn geïmproviseerde villa. De vis is zó klaar en heerlijk, de fles geeft zijn geheim niet zomaar prijs. Hij is, op de hals na, helemaal begroeid met algen. Via de hals bekijk ik de inhoud. Het is een stuk papier, dat kan ik wel zien. Met zand schuur ik de fles schoon. Een nieuwsgierige krab komt op het geluid of de beweging af. Met zachte drang stuur ik hem weg. Hij blijft terugkomen en ik denk, krab heb ik nog niet gegeten. Razendsnel rent hij weg. Met een doffe plof valt even verderop mijn drinken voor de avond naar beneden. En dan te bedenken dat ik kokosnoot haatte voor ik hier terechtkwam. Ik glimlach om mijn rare gedachten. De fles wordt steeds schoner en ik zie een velletje papier in verschillende lagen tegen de fleswand gedrukt. Vaag zie ik letters, maar ik kan ze niet lezen.

Om morgen ook wat te doen te hebben, besluit ik dan pas te beginnen met het openen van de fles en het papier eruit te halen. Ik sluit mijn ogen en begin te fantaseren over de inhoud van de brief en ik bedenk eerst een opening.
Aan wie deze boodschap vindt.”
Dat zou ik erboven zetten als het mijn brief was. Dan ga ik verder met: “Mijn zeiljacht, ‘De Doornstruik,’ is zo snel vergaan dat ik niet eens de tijd had een SOS te versturen.”
Nee, dat is wat ikzelf meegemaakt heb, iets anders.
“Tijdens mijn reis om de wereld op ‘De Doornstruik’, kwam ik in een volledige windstilte terecht. Ik gooide het anker uit en ik dook met mijn snorkel te water.”
Een groep…. Of is het een troep of een school? Shit ik kan het niet op het Internet nakijken. Ik houd het op een groep.
Een groep dolfijnen kwam bij me zwemmen en met me spelen. Totaal gefascineerd door deze prachtige wezens, verloor ik alles uit het oog en kwam ik in een sterke stroom terecht.”
Nee, dat kan niet, dat weet ik pas als ik zie dat de boot ver weg is, opnieuw.
“Tijdens het spel verloor ik alles uit het oog. Door een onzichtbaar signaal, vertrokken ze even plotseling als ze gekomen waren. Ik kwam weer bij mijn positieven en keek naar de boot. In de verte zag ik hem zachtjes op de golven deinen. Ik moest in een stroming zijn terechtgekomen want zo snel kan ik niet zwemmen.”
Dat gedeelte is prima. Wat nu?
“Vruchteloos zwom ik richting mijn schip. Snel staakte ik mijn pogingen, want ik raakte alleen maar verder van de boot af. Ik dacht, geen paniek, krachten sparen.”
Beetje cliché, maar vooruit, ik ben ten slotte geen schrijver.
“Ik wist dat ik dood zou gaan. Een haai zou me verslinden of ik kwam om van de dorst. Ik liet mijn leven aan me voorbijgaan en verzoende me met de dood, die elk moment kon toeslaan. Wat ik verwachtte gebeurde ook, een zo gevreesde vin kwam mijn richting uit. Ik overwoog wat ik moest doen, vechten of me overgeven. Mijn lichaam had al een beslissing voor me genomen, ik voelde niets meer, niet de koelte van de invallende duisternis of de warmte van het water. Ik wist dat ik van de aanval ook niets zou voelen. Uitnodigend keek ik naar de vin en dacht, laat het snel gebeuren. Plotseling kolkte het water rond de vin. De haai sprong uit het water om aan iets te ontkomen, want om mij aan te vallen had hij geen sprong nodig. Hij landde weer in het water en met een schok zag ik hem een stukje zijwaarts door het water schieten. Ik dacht, dat moet helemaal een monster zijn die dat kan. De haai verdween uit mijn gezichtsveld en voorzichtig keek ik onder water wat er gebeurd was. In de verte zag ik de haai hevig bloedend wegzwemmen en degenen die dat gedaan hadden, waren mijn vrienden de dolfijnen. Waarom doen ze dat, dacht ik. De dolfijnen bleven om me heen draaien en een van hen duwde me voorzichtig door het water. Ik besefte dat hij me ergens mee naar toe wilde nemen. Ik pakte zijn rugvin en we zwommen met zijn allen naar een bestemming waar ik alleen maar naar kon raden. Ternauwernood kon ik af en toe ademhalen en mijn armen leken los te komen van mijn lichaam. Plotseling stopte de troep. Uitgeput liet ik los en keek om me heen. Op nog geen tien meter van me af zag ik mijn schip. Ik keek naar beneden en zag dat mijn vrienden al verdwenen waren, de steeds donkerblauwer wordende diepte in. Rustig zwom ik naar de boot en met grote moeite wist ik aan boord te klimmen. De volgende dag heb ik deze gebeurtenis opgeschreven, in een fles gedaan en overboord gegooid. Daarmee had ik mijn verleden verwerkt en ik zette zeil, op weg naar huis, om een nieuwe start te maken met mijn leven.”

Wel een beetje sentimenteel verhaal vind ik eigenlijk. Ik besluit de fles dicht te laten om, met mijn fantasieën over de brief, de tijd de doden. De meest vreselijke verhalen bedenk ik. De nieuwsgierigheid naar de inhoud wordt met de dag sterker. Het is een kwestie van tijd voor ik mijn beheersing verlies, weet ik. Ondertussen zit ik te bedenken wat ik zelf voor boodschap zal gaan versturen in deze fles. De houtskool om het verhaal te schrijven, ben ik al aan het bereiden. Tot nu toe is die van de kokosnootschil de best houdbare gebleken. Op een ochtend word ik wakker en besef dat ik stompzinnig bezig ben. Ik schroef de fles open om de brief eruit te halen. Een van de zalige dingen op een onbewoond eiland is, dat je alle tijd hebt om iets te doen. Met een dun stokje peuter ik het papiereinde los van de wand. Na ontelbaar veel pogingen weet ik, zo krijg ik het er niet uit. Ik besluit er een nachtje over te slapen. Zoals zo vaak komt de oplossing ’s nachts. Het is een kwestie van een knijper maken. De knijper over het papiereinde doen en dan draaien. Als hij klein genoeg is, kan ik hem voorzichtig omhoogtrekken en lezen. Na van alles geprobeerd te hebben, kwam ik uit op één krom en één recht stokje, het papier ertussen klemmen en met een eigengemaakt touwtje vastbinden. Voorzichtig draai ik tot het papier eruit komt. Ik maak het los en lees:
“Brisbane 28 augustus 1996.

Aan wie deze boodschap vindt.
Ik heb deze fles, samen met mijn opa, op de pier van de haven in Sydney in zee gegooid. Wilt u de brief, de vindplaats en uw adresgegevens naar mij toesturen op het volgende adres?
Max Dendermond
Beaglestreet 45
1648 Brisbane
Australië
Dank u wel.”

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *