Koerieren met opa

Koerieren met opa

 

Onze zeven jaar oude kleinzoon Tom is een of twee nachtjes, dat hangt ervan af wanneer hij naar huis wil, aan het logeren bij ons. Zijn eerste nacht zit erop en we zitten s ’morgens samen te knutselen. Oma Ellie, vraagt wat hij wil eten die avond.
“Gourmetten met de pannetjes,” klinkt het enthousiast en gedecideerd.
“Dat doen we.”
“Blijf jij thuis vandaag.” vraagt ze aan mij.
“Ik denk het wel, het is rustig op dit moment.”
Dit is een foute opmerking weet ik. En inderdaad een half uur later gaat de telefoon en krijg ik een oproep om iets van Amsterdam naar Veere in Zeeland te brengen.
“Kunnen we dan evengoed gourmetten?” vraagt Tom, duidelijk teleurgesteld over mijn zijn aanstaande vertrek.

Mijn vrouw krijgt een idee en vraagt aan Tom: “Wil je met opa mee?”
Ik heb wat twijfels. In de koerier branche weet je nooit van tevoren hoe de rit gaat verlopen. Ze combineren op en afhaal adressen met elkaar om de kilometerprijs die de klant betaald, zo laag mogelijk te houden. Dit vertel ik Tom. Hij is zonder twijfel en wil héél graag mee. Ik denk: ik zie het wel, als hij moe wordt of zich gaat vervelen valt hij wel in slaap.
Ellie doet wat lego en een schrift in een plastic tas. Wij pakken drinken en een paar broodjes en we gaan om tien uur op pad.
“We zijn uiterlijk om een uur of vijf weer terug,” beloof ik haar.
We kijken elkaar aan en denken hetzelfde: dat gebeurt vrijwel nooit.
Het is nu te laat beseffen we, want Tom staat te springen om weg gaan.
“Positief denken,” zeg ik, tegen Ellie “Héél af en toe bén ik op tijd thuis, dus waarom vanavond niet.”
“Ik haal nog niets voor het eten, bel maar als weet hoe laat je thuiskomt dan kan ik het altijd nog halen.”
We geven oma een kus en we vertrekken uit Schagen, richting Amsterdam.

Bij Zaandam gaat de telefoon. “Ga eerst naar Monnickendam, daar ligt iets voor Rotterdam.”
Niets aan de hand, via Rotterdam naar Veere is een leuke rit, komen we ook nog langs de Zuiderzeewerken, denk ik. We pakken eerst de zending in Monnickendam en dan die in Amsterdam op. Tom vindt het allemaal prachtig en vertelt over school en zijn vriendinnen. Bij Schiphol gaat weer de telefoon.
“Wil je na Rotterdam iets oppakken in Diksmuide.”
“Ja hoor, ik bel je in Rotterdam voor het adres, want ik kan het nu niet opschrijven.”
Diksmuide, dat ken ik niet, dat zal wel in zeeland liggen, denk ik.
Tom bouwt een vliegtuig van lego. Bij Den Haag is hij uitgespeeld.
“Opa zal ik mijn schrift een reisverslag maken?”
Met een wit leugentje geef ik zijn actie een doel.
“Goed idee Tom, dat kan ik gebruiken om mijn kilometers te declareren.”

Met veel plezier begint hij aan zijn reisverslag. De teksten op de boorden spreekt hij op een komische manier uit, zijn manier van opschrijven helemaal. In Rotterdam leveren we het pakketje af en ik bel naar de zaak voor het adres in Diksmuide.“
“Oostendestraat 45.”

Heel teder begint er een alarmbelletje te rinkelen.
“Waar ligt Diksmuide ergens,” vraag ik een tikje ongerust.
“Even voorbij Jabbeke.”
Shit, heb ik dat, denk ik.
“Tom, we gaan ook naar België.”
“Vet cool,” vindt Tom het.
We rijden door de Beneluxtunnel richting de Botlek.
“Opa, zijn we wel op tijd terug voor de gourmet?”
“Ik ben bang van niet, we gaan onderweg wat eten dat is toch ook leuk.”
Nou, daar is Tom het niet helemaal mee eens.
“We gaan morgen gourmetten.”
“Dat kan niet opa, want ik wil vanavond misschien al naar huis.”
“Een andere keer dan.”

Ik heb bij de klant in Rotterdam oma al gebeld dat we onderweg iets gaan eten, omdat we ook naar België moeten.
Onderweg naar de Botlek moppert Tom: “Jasses wat stinkt het hier.”
“Dat zijn de oliefabrieken.”
We doen net of we moeten overgeven. Zo blijven we plezier maken en bezig zijn. De tunnels vindt Tom prachtig. We rijden door Zeeland en Tom werkt aan zijn reisverslag. Om drie uur zijn we in Veere. Na het afgeven van het pakket, vertrekken we weer richting Diksmuide, via de Westerscheldetunnel.
“We gaan straks door een héle lange tunnel en daar moeten we voor betalen.”
Nu heeft hij wat om naar uit te kijken. Tot mijn verbazing vermaakt hij zich nog steeds uitstekend. Van vermoeidheid of verveling is geen spoor te bekennen. Op mijn routeplanner zie ik, dat we nog 130 kilometer moeten rijden voor we in Diksmuide zijn. Een groot gedeelte over regionale wegen, dus rond zes uur kan ik op zijn vroegst in Diksmuide zijn, reken ik uit. Ik betaal voor de tunnel. Tom vindt hem erg lang en mooi. Via Brugge en Jabbeke bereiken we om halfzes Diksmuide.
“Tom we zijn bijna in Frankrijk.”
“Gaan we daar even heen opa?”
“Een andere keer, als oma en opa in Calais een dagje boodschappen gaan doen, mag jij mee.”
Een beetje teleurgesteld neemt hij genoegen met deze belofte. Ik stel ons huisadres in op de routeplanner en die geeft, 355 kilometer aan.
We hebben ons brood tijdens het rijden opgegeten daarom vraag ik aan Tom: “Heb je al honger?”
“Nee nog niet.”
“Dan eten we onderweg iets.”
In Dirksmuide bel ik naar de zaak om te vertellen dat we de spullen aan boord hebben.
“Mooi, hou het maar bij je, want het moet morgenochtend voor 8 uur in Brussel zijn.”
“Doen we.”
Morgenochtend om vier uur op, weet ik.
Voorbij Antwerpen eten we in een, smoezelig, tentje langs de snelweg een patatje. Tom is met het reisverslag gestopt. Het verbaast mij dat hij fris en vrolijk blijft, tijdens de saaie rit in het donker. Om tien uur zijn we weer thuis. Even twijfelt Tom, bij ons slapen of naar huis. Het wordt bij ons en met zijn allen gaan we slapen. Hij slaapt bij ons, met zijn matras op de grond, dat vindt hij zo gezellig.
De volgende morgen sluip ik om vier uur het huis uit, om voor acht uur in Brussel te zijn.

Achteraf vindt hij de rit wel prachtig, hoewel het lange stilzitten toch wel een beetje saai is.
“Wanneer ga je weer een keer mee?” vraag ik hem af en toe.
“Dat wil ik wel, maar niet zo ver.”
“Watje.”
“Gekke opa.”
Onze volgende rit is naar Texel toe.

 
 

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.