De bevrijding van België

De bevrijding van België

Op 21 juli 2002 om ongeveer 17.00 uur, sta ik in de file op de A2 richting Amsterdam. Verlangend zie ik, in gedachten, al een koel pilsje en een lekkere maaltijd voor me, tot de planning van het koeriersbedrijf belt of ik nog een ritje Antwerpen wil doen. Omdat ik freelancer ben, is het ritje wat leuk geld opbrengt, welkom. Ondanks mijn vermoeidheid, door de hitte die dag, zeg ik daarom ja. Ik troost mezelf door te denken: straks is de zon weg en dan rijd ik in de koelte. Kruipend in de file bereik ik Amsterdam om een enveloppe op te pakken. Op de A2 richting Utrecht kom ik weer in de file terecht. Nu heb ik even tijd om de kaart van Antwerpen te bestuderen en de route uit te stippelen, want ik had toen nog geen routeplanner in de auto. De Moriaanstraat staat er op het pakket. Dat is heel erg in het centrum, zie ik. Voor ik er ben is het zo rustig als in Spanje tijdens de siësta, overweeg ik.

De route die ik ga nemen is: de Noordelaan op, de Londenstraat door, die gaat over in de Amsterdamstraat, dan linksaf de Rijnkaai op, dan op de Rouaansekaai, linksaf de St.Paulusstraat in, rechtsaf de Lange Koepoortstraat in en daar zie ik wel verder.

Op de Noorderlaan is het nu veel drukker dan normaal. Richting de Rijnkaai wordt het drukker en drukker met vrolijke mensen langs en op de straat. Voorzichtig en verbaast rijd ik verder richting de Rouaansekaai. Op de Rouaansekaai loopt een muziekband te paraderen richting centrum. Ik sluit lijdzaam aan. Langs de weg staan mensen naar de muziek te kijken en te luisteren. Ik vraag aan een van hen: “Wat is hier aan de hand?”
“De bevrijding,” is het antwoord.
“Bevrijding waarvan?”
“De tweede wereldoorlog, net als bij jullie vijf mei.”
Ja natuurlijk, denk ik, de Belgen zijn ook bevrijd, waarom weet ik dat niet?
“Daar heb ik nog nooit van gehoord,” zeg ik tegen hem.
Hij neemt eerst een flinke teug uit zijn bierpul, waarschijnlijk om mij jaloers te maken.
“Wij vieren dat anders dan jullie, het valt samen met Koningsdag, zoiets als bij jullie Koninginnedag.”
Waarom weet hij dat allemaal van Nederland en ik niet van België, vraag ik mij af. De man ziet een bekende en is verdwenen. De muziek marcheert door richting centrum en ik volg lijdzaam. Je kunt wel kwaad worden, maar dat heeft geen zin. Nu kan ik rustig om mij heen kijken en mijn afslag zoeken. Ik bekijk de namen van de zijwegen op zoek naar de St. Paulusstraat. Overal lopen of waggelen, mensen in verschillende staten van dronkenschap. We naderden mijn afslag de St.Paulusstraat en ik zie de dranghekken voor de straat staan.
“Verdomme! Afgesloten,” mopper ik, nu wel een beetje boos.

Uit de St.Paulusstraat komt nóg een muziekkorps onze richting op. Zij spelen een héél ander lied. Onderlinge na-ijver tussen de beide korpsen zorgt ervoor dat geen van de twee eerder wil stoppen met spelen dan de ander, vermoed ik met mijn achterdochtige brein. De muziek verandert langzaam in een hels kabaal. Dit is genieten, dit is prachtig, dit is België op zijn mooist, grandióós, wat ben ik blij dat ik dit ritje aangenomen heb, overweeg ik. Weg is mijn boosheid. Mijn liefde voor de Belgen wordt weer een pak groter.

Door een voor mij onzichtbaar teken, stoppen de beide bands met spelen.
De muziekkorpsen beginnen zich te ontbinden en gaan bij een kraam, aan het lang gemiste bier. Ondertussen zoek ik naar een alternatief om op mijn bestemming te komen.

Orteuuskaai volgen, linksaf de Zakstraat in, deze gaat over in de Zirkstraat, rechtsaf de Hofstraat in, linksaf de grote markt op en daar zie ik wel verder, puzzel ik. De Zakstraat is ook afgesloten. Mijn euforische stemming na het muziekspektakel wordt een stuk minder. Even kijk ik op de kaart, de Vleeshuisstraat in, ook dicht. De Palingbrug dan, éénrichting verkeer. Ik ben inmiddels een stuk voorbij mijn bestemming, zie ik. De volgende straat is mij te ver weg en ik rijd, tegen de richting in, de Palingbrug in. Hoe ik daarna verder gereden ben weet ik niet meer. In dit soort situaties rijd ik helemaal op mijn, door ervaring, gescherpte instinct. Het zijn over het algemeen straatjes waar alleen voetgangers toegang hebben. Op een gegeven moment sta ik in een heel smal straatje en voor mij is een kruising met een betrekkelijke grote weg, de Wisselstraat. Ik probeer hem op de kaart op te zoeken, ik kan hem zo snel niet vinden. Links van mij is een terrasje waar vrolijke mensen bevrijdingsdag vieren. Even vragen hoe ik moet rijden. Ik loop naar het terras en probeer aan twee jonge mannen, de weg te vragen. Op dat moment staat van het tafeltje naast de jongens een enorme man op. Wankelend staat hij me waterig en in vrijwel volmaakte staat van dronkenschap aan te kijken. Tot dan toe is er niets aan de hand, tot hij begint te praten of eigenlijk te schreeuwen. Wat hij schreeuwt is absoluut niet te verstaan, wat voor dronken mensen normaal is. De jongens doen angstig een stap terug, ik kijk naar ze of zij misschien begrijpen waar de man over tekeer gaat. Op hun gezicht is alleen verbazing en angst te lezen. Af en toe pauzeert de man en kijkt mij dreigend aan. Ik mompel dan iets en hij schreeuwt weer verder. Ik sta na te denken hoe ik van hem af kan komen. Negeren is geen optie, dat zal zeker een geweldsgolf teweegbrengen. Wat zal hem aanspreken, denk ik. Bam! Ik weet het. Ik schreeuw: “Biertje?”
Hélémaal goed. Hij laat een onmenselijk luide boer en zakt op zijn stoel min of meer in elkaar. Enkele tellen later legt hij met zijn hoofd op zijn arm, even hard te snurken als eerst te blèren. Het héle terras haalt opgelucht adem. Ik vraag aan de jongens of zij weten waar de Moriaanstraat is. Ik blijk daar vlák bij te zijn. Ook nu weer heeft mijn instinct mij, gelukkig, niet in de steek gelaten. Om halfelf lever ik mijn envelop af. De wegen zijn inmiddels muziekkorpsvrij en via mijn oorspronkelijke route rijd ik, nagenietend van het avontuur, Antwerpen weer uit.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.