De openhartoperatie deel 3

De openhartoperatie deel 3

Zondag vertrekken de kinderen en ik naar het VU in Amsterdam om op maandagmorgen een openhartoperatie te ondergaan. We moeten ons om vier uur ’s middags melden. Ruim op tijd arriveren we. Mijn zoon en schoonzoon zijn direct doorgereden, mijn dochter blijft bij mij.  Bij de servicebalie melden we ons.
“Wat bent u vroeg.”
“We moeten ons om vier uur melden is ons verteld.”
“Om acht uur is ook prima.”
Dit soort verschillende informatie heb ik niets aan. Ik kan moeilijk weer naar huis gaan, denk ik boos.

Ik krijg een bed op een vier persoons kamer toegewezen. We zetten mijn tas met kleding en wat ik nog meer mee heb op zijn plaats. Door het raam kijken we uit op de heemtuin van het ziekenhuis. Mijn dochter stelt voor om daar te gaan kijken. Ik vind het een prima idee, want ik het ziekenhuis blijven rondhangen is geen pretje. We brengen eerst een bezoek aan het gasthuis waar mijn dochter blijft slapen zolang ik in het ziekenhuis lig. De tuin is een oase van rust in de drukke stad. Er zijn een paar vijvers die we bekijken. Een vrouw en een man komen naar ons toe.
“We willen gaan sluiten, maar we wachten tot jullie weggaan.”
We kijken heel even om ons heen en gaan dan richting de uitgang. Ze komen naar ons toe en we raken in een geanimeerd gesprek met ze. Ze horen bij een groep vrijwilligers die de tuin onderhouden. Tijdens mijn verblijf in het ziekenhuis heeft mijn dochter en paar keer daar gezeten om te lezen.

We gaan weer naar het ziekenhuis om te eten. Dit is zo vies dat we besluiten in het restaurant van het ziekenhuis een broodje kroket te gaan eten. We lopen nog wat rond tot het tijd is om te gaan slapen. Mijn dochter gaat naar het gasthuis.

 

 

Maandag

Maandagmorgen beginnen de voorbereidingen voor de operatie. Het ontbijt wordt geserveerd.
“Goedemorgen meneer, wat wilt u eten?”
“Ik word zo geopereerd, dus ik denk dat ik niks mag eten.”
De verpleegster van de afdeling beaamt mijn overtuiging. Ik denk: dat hoort die ontbijtmuts te weten, waarom weet zij dat niet.
Mijn borst, linkerbeen en schaamstreek worden hardhandig door een verpleger geschoren. Ik krijg medicijnen en een groen mutsje op en wordt naar de OK gereden. Ik neem plaats op een operatietafel. De anesthesiste zegt: “We gaan niet tot tien tellen want dat…. De rest heb ik niet meer gehoord.

Mijn eerste herinneringen zijn dat ik geen idee heb waar ik ben en ik krijg mijn ogen niet open. Ik zie wel kleur, alles is geel. Heel vaag hoor ik stemmen. Ik herken de stem van mijn dochter. Na een korte worsteling krijg ik mijn ogen open. Ik heb nog steeds geen idee waar ik ben. Ik zie om mij heen gele gordijnen hangen. Ik ben niet thuis, denk ik. Langzaam dringt het tot mij door waar ik ben. Het gordijn wordt opengedaan en ik zie mijn dochter naast mijn bed staan. Nu weet ik het.

Tot mijn verbazing lig ik niet op de intensive care. De arts die mij geopereerd heeft komt langs.
“Omdat je in zo’n goede conditie bent hebben we de medium care overgeslagen en lig je nu op je kamer. Tijdens de operatie heb je een katheter in gekregen. We hebben anderhalve liter urine afgetapt, daarom blijft hij er voorlopig in.”
Dit probleem speelt op 22 mei nog steeds, maar dat is een ander verhaal.
Aan eten moet ik niet denken. De meeste tijd slaap ik, wat in de nacht een probleem is omdat ik dan moeite heb door te slapen. Ik word wakker en hoop dat het al ochtend is; het is twee uur. Eindelijk val ik weer in slaap. Om vier uur, zes uur, hetzelfde, dan komen de zusters voor het ontbijt, de steunkous, bloeddruk en wat er voor die dag nog meer gemeten moet worden.

’s Avonds komen de mannen op bezoek.

Mijn dochter vertelt later wat ik op de IC zoal heb uitgehaald. Ik moet drinken maar blaas door het rietje bellen in het glas.
“U moet drinken.”
Weer begin ik te blazen. Verder constateerde ik dat de klok terugdraaide.
“Net was het tien over halftwee en nu is het tien voor halftwee.”
Hiervan heb ik zelf geen enkele herinnering.

Dinsdag

Ik worstel een broodje kaas met een kop thee naar binnen. De pleisters worden van mijn wonden gehaald. Tamelijk hardhandig word ik door een zuster gewassen. Ik mag met mijn benen over de rand van het bed zitten. Het avondeten sla ik over. Ik mag uit bed en op een stoel naast mijn bed zitten. De mannen komen ’s avonds op bezoek en de kleinkinderen zijn mee. Hier word ik heel gelukkig van.

 

 

Woensdag

Ik mag uit bed en een stukje lopen. Een zuster vraagt of ik zin heb om te douchen. Denkend aan de hardhandige wasbeurt en het gemis aan het
s ’morgens douchen zeg ik dolenthousiast ja. Ze moet lachen. Zij houdt mij gezelschap en helpt waar nodig, zoals mijn rug wassen en later afdrogen. Doodmoe en gelukkig kom ik uit de douche en ga op bed een tukje doen. Mijn dochter vindt het geweldig voor mij. Samen met haar ga ik een stukje wandelen door de gangen. Van het eten neem ik een paar hapjes.

Donderdag

Nu ga ik alleen douchen, zonder aan iemand toestemming te hoeven vragen. Wandelen doe ik ook alleen. Af en toe moet ik even steun zoeken aan de wand. Een vrouw ziet het en kijkt naar me om te zien of het goed met mij gaat.
Ik kijk naar haar en zeg: “Die derde whisky had ik niet moeten nemen.”
Ze lacht en loopt door.

Er verschijnen twee ernstig kijkende verplegers of dokters, wat weet ik niet meer.
“We gaan de drains in uw borst verwijderen. Dat is pijnlijk, maar als u druk op uw borst kan opbouwen door op de rug van u hand te blazen dan helpt dat.”
“Oké,” zeg ik ter bevestiging dat ik het begrepen heb.
“Blaast u maar.”
Ik haal diep adem en blaas op mijn hand. Plop, klinkt het.
“Wauw, dat is een. U kunt krachtig blazen. Nummer twee.”
Plop.
“Deed het pijn?”
“Nee, ik heb er niets van gevoeld.”
“Dat is fijn. Prettige dag nog.”
Op de kamer wordt een, vrouwelijke, derde slachtoffer geïnstalleerd die vrijdag geopereerd moet worden.
’s Avonds is het gezellig met bezoek. Met mijn buurman kan ik het goed vinden. We maken grapjes en pesten de verpleegsters.

Vrijdag

Vandaag gaan we naar het ziekenhuis in Alkmaar voor de nazorg. Mijn buurman en ik willen graag naar het ziekenhuis van Den helder, want ik woon in Breezand en hij in Den Helder.
“We willen de beste zorg voor jullie en dat is in Alkmaar.”
Wat een flauwe kul, denk ik.

Het ontbijt wordt bezorgd.
“Wat wilt u eten mevrouw?” wordt aan het derde slachtoffer gevraagd.
De vrouw begint haar bestelling op te geven. Die mag helemaal niet eten, weet ik.
“Zuster, volgens mij mag die mevrouw helemaal niet eten, ze wordt vandaag geopereerd.”
“Is dat zo, ik zal het even navragen.”
Hoe moeilijk kan het zijn om de ontbijtzuster op de hoogte te brengen over wie wel of niet mag eten, denk ik.
“Sorry mevrouw, u krijgt geen eten.”
De vrouw bedankt me voor de waarschuwing.

Om tien uur verschijnen de ambulance medewerkers. Ik word op de brancard vastgesnoerd en naar de ambulance gereden. Rustig rijdend gaan we naar het ziekenhuis in Alkmaar, waar bij onze aankomst paniek uitbreekt.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *