De openhartoperatie deel 4

De openhartoperatie deel 4

Op vrijdag 13 april, kom ik aan in Alkmaar en word ik naar de hartafdeling gebracht. We stoppen bij een balie waar twee vrouwen achter zitten. De ambulancemedewerker meldt zich daar.
“Goedendag dames, dit is meneer van de Kamer. Hij is afgelopen maandag geopereerd in het VU en komt hier voor de vervolgbehandeling. Naar welke kamer kan hij gebracht worden.”
“Uit het VU, dan moeten jullie wachten.”
“Waarom?”
“We zijn mensen aan het verplaatsen. Alle mensen uit het VU, komen op een kamer.”
“Waarom.”
“Vanwege de ziekenhuisbacterie die daar is geweest.”

Na een kwartier mogen we naar de ‘Amsterdamse’ kamer. Een dame in een groen pak inclusief mondkapje ontvangt ons. Ik krijg het gevoel in een krimi te zitten waar iedereen in witte pakken onderzoek doet op een crimescene, het enige verschil is dat ze groen zijn. Mijn buurman uit Amsterdam arriveert en wordt weer mijn buurman. “Het is hier net een bijenkorf met marsmannetjes,” zeg ik tegen hem.
“Wat is er aan de hand?” vraagt hij.
“In het VU zijn er een tijd geleden ziekenhuisbacteriën geweest en die kunnen wij hebben, zeggen ze.”

De opper Marsman opent het gesprek.
“We gaan monsters nemen van jullie wang, anus, neus en oren, om te controleren of jullie die bacterie hebben.”
“Wanneer horen we daar de uitslag over?” vraag ik.
“Maandag.”
“Dan gaan we naar huis.”
“Misschien horen we het eerder.”
Het orakel van Alkmaar begint de regels uit te leggen die verband houden met de vermeende bacterie. Jullie mogen de kamer niet verlaten. Jullie mogen alleen naar de WC op de gang.
“Waar kunnen we dan oefenen met lopen. Dat moet van het VU,” vraag ik.
“Jullie mogen in de kamer lopen.”
Mijn buurman en ik kijken elkaar aan en beginnen te lachen. In een klein kamertje met vier bedden en veel medische apparatuur is de maximale loopafstand zes stappen.
Onverstoorbaar en zichzelf héél serieus nemend, gaat ze verder.
“Het bezoek mag zonder beschermende kleding naar binnen. Wanneer ze weg gaan moeten ze hun handen schoonmaken met alcohol en ze moeten rechtsreeks naar buiten lopen.”
Hiermee is de voorlichting beëindigd.

Op de TV heb ik een keer een uitzending gezien over een ziekenhuisbacterie. Daar was een speciale kamer met een sluis. De verpleger gaat bij het verlaten van de ziekenzaal, door de eerste deur de sluis in. Daar trekt hij of zij hun beschermende kleding uit en verricht wat hygiënische handelingen voor hij door de tweede deur naar de gang gaat.
Een minuut later zie ik de totale waanzin van dit geheel in beeld gebracht. Bij de deur trekt een van de verpleegsters haar groene pak uit en gooit dit in een vuilnisbak in de kamer, waarna ze onze gevangenis verlaat.
Wat mij opvalt is de stress onder het personeel. Ik kan mij dit heel goed voorstellen. Zij worden zonder enige voorbereiding in een bizarre situatie gedwongen. De gevolgen zijn een serie gebeurtenissen die onder normale omstandigheden niet voor zouden komen. Een aantal voorvallen zal ik beschrijven.
Zwetend als een otter neemt een sympathieke verpleger, in groen, mijn bloeddruk en hartslag op.
“Wat een gekkenhuis niet?” vraag ik hem.
We kijken elkaar aan en woorden zijn overbodig, hoewel we niet verliefd zijn op elkaar.
We krijgen een papier met gerechten voor het avondeten. Ik weet niet meer wat ik besteld heb, maar lekker is anders.
We krijgen bezoek. Het hoogtepunt van de dag. We bespreken met zijn allen de situatie in onze kamer wat grote hilariteit veroorzaakt.

Zaterdag

Het ontbijt wordt bezorgd. In de gang staat de kar met eten en drinken. Een ingepakte medewerkster die het eten verzorgd, komt de kamer binnen en neemt een voor een onze bestellingen op. Dit geeft ze door aan een andere medewerker in de gang. Ik bestel een broodje met kaas.
“Wilt u er boter bij?”
“Nee hoor.”
“Wat wilt u drinken?”
“Thee a.u.b.”
“Met suiker?”
“Nee, ik heb nog.”
Ze loopt naar de deur en roept naar haar collega bij de kar.
“Een broodje met kaas met boter en thee met suiker.”

Twee verpleegsters helpen ons met van alles en nog wat. Ze zijn jong en hebben mooie ogen valt mij op, omdat ze een masker en haar bescherming dragen.

Een vriendin van ons komt op bezoek. Ze heeft een dochtertje, een drukke baan en een huishouden en dus weinig tijd. Toch neemt ze de moeite om ’s middags op bezoek te komen. Ze gaat naast me op een stoel zitten. Binnen een minuut komt er een geheel in groen geklede dame de kamer binnen en wil bij mij metingen gaan verrichten.
Een van de aanwezige mooie ogen is bezig een man uit zijn bed in een rolstoel te helpen, zij zegt tegen de lady in green: “Het is bezoektijd.”
“Sorry, ik heb mijn ruimtepak al aangetrokken, dus ik ga toch meten.”
In normale omstandigheden ziet ze dat ik bezoek heb en gaat ze weg. Nu heeft ze zich buiten de kamer in het groen gehesen.
Ze begint zich te verontschuldigen.
“Geeft niet hoor. Ik begrijp het wel.” stel ik haar gerust.
Mijn bezoek gaat weer naast me zitten, tot het bezoekuur is afgelopen.

Een uur later komt een vrouw zonder enige bescherming de kamer binnen. Ze pakt de zak vuil uit de vuilnisbak en doet er een nieuwe zak in. Ze gaat met de zak vuil de kamer uit.
“Die weet van niets,” zeg ik tegen mijn buurman.

Het avondeten is een verrassing. Niet wat, maar dat het eetbaar is; Bami Goreng. Een zakje kroepoek en een miniloempia is er ook bij. Ik eet een derde op, wat veel is voor mij.

Zondag

De sfeer is nog steeds gespannen onder het personeel tot ze het bericht krijgen dat de bacterie niet in de monsters is aangetroffen. Even denk ik dat ze samen de staatsloterij hebben gewonnen. Ze maken praatjes met ons. De mooie ogen zijn helemaal mooi.

“Als u wilt douchen dan kan dat,” vraagt een verpleegster.
Dat wil ik wel. Met een handdoek iets groter dan het washandje stap ik de douche in. In het wasbakje liggen zwarte haren en een spuugbakje met daarin een paar, natte, papieren handdoekjes. De rest van de douche ziet er gewoon smerig uit. Kotsmisselijk weet ik toch met een handje water mijn gezicht af te spoelen. Zo snel mogelijk ga ik de douche uit.
“Wilt u niet douchen?”
“Heel graag, maar niet in dat vieze hok.”
Ze gaat kijken en zegt: “Ja, dat mag wel schoongemaakt worden. Dat kon niet eerder door dat gedoe met die bacteriën.”

Wij, de patiënten, bespreken de gang van zaken. Mijn buurman zegt: “Als ik weer geopereerd moet worden laat ik dat in Oeganda doen, daar is de hygiëne vast beter. Je moet wel blijven lachen vinden wij.

Voorzichtigheidshalve heb ik weer de bami besteld als avondeten. Die is er niet, hoor ik. Doe dan maar de lasagne bestel ik in mijn onschuld. Het lijkt op twee tompoezen met een slijmerig laagje erop. Het bezoek van mijn buurman vraagt of ik trek heb in een broodje kroket. Wat kan iets simpels zo ontzettend lekker zijn. Het ijsje dat ze ook meegenomen hebben, kreeg ik niet op.

Wordt vervolgd.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.