De troostende hairextensions

De troostende hairextensions

Ongeveer 15 jaar geleden was ik om negen uur ‘s avonds, na een dag koerieren, op weg naar het ziekenhuis in Amsterdam om mijn zoon op te zoeken. Hij had de ziekte van Hodgkin, ook wel klierkanker genoemd. Hij lag daar voor zijn laatste en zwaarste chemokuur.  Deze kuur is zo ingrijpend dat hij aan het einde daarvan door zijn eerder geoogste stamcellen weer tot leven moet worden gewekt, zoals de dokter het plastisch omschreef.

Ik ging het ziekenhuis in verlangend om hem te zien, maar tegelijkertijd zag ik ertegenop, omdat hij doodziek zou zijn en nauwelijks zou kunnen praten. De hele dag was ik er mee bezig geweest, zoals elke dag. De allesoverheersende gedachte was altijd: kon ik maar met hem ruilen.

De wandeling door het ziekenhuis was om deze tijd nog wel te doen. De portier zat achter de balie en knikte mij vriendelijk toe. Het restaurant in de grote hal was met veel gedoe bezig te sluiten. Tamelijk veel mensen waren het ziekenhuis aan het verlaten. Met de lift ging ik naar zijn afdeling. De knoop in mijn maag werd naar zijn kamer toe lopend snel groter. De zuster achter de afdelingsbalie groette mij vriendelijk. Enkele seconden bleef ik staan voor de deur van zijn tweepersoons kamer. Mijn gevoel zette ik uit en met een happy face ging ik de kamer binnen.
“Hallo buurman,” zei ik zwaaiend.
Deze oudere man had dezelfde ziekte en gelijklopende behandeling als mijn zoon. Langzaam stak hij zijn hand op. Praten kon hij niet, dat wist ik. Ik liep door naar het tweede bed in de kamer. Daar lag hij nog steeds, letterlijk, meer dood dan levend. Na een uurtje van moeizame conversatie met verdriet en ook wonderlijk optimisme van zijn kant moest ik weer naar huis. Schuchter namen we afscheid en daar was weer daar de hand van de buurman. Een afschuwelijk gevoel van triestheid en eenzaamheid verlamde bijna mijn benen.

Eindelijk bereikte ik de lift, een verpleger stapte daaruit en zag mijn ellende. Ondanks dat hij dit dagelijks zag en daardoor gehard moest zijn wist hij me met zijn begrijpende blik toch héél even te troosten. Zo zien engelen er dus uit, dacht ik. In de lift ebde het gevoel van opbeuring véél te snel weg. De trage, lummelende, lift stopte. Met een kreunend geluid gingen de deuren open. Ik liep het plein op waar de luiken van het restaurant inmiddels dicht waren. De neiging om te schreeuwen van kwaadheid en frustratie kon ik nauwelijks onderdrukken. Ik strompelde door de verlaten hal. Langs de gang naar buiten waren winkeltjes. Een daarvan was een kapper. In de etalage stond een piepschuim kop met daarop een aantal hairextensions. De vrolijke en felle kleuren vielen mij iedere keer op als ik deze wandeling maakte en dat was meer dan vijftig keer. Nu het licht uit was in de winkel, scheen er alleen op deze kop een spotje. Hij leek te zweven in de ruimte. Onwillekeurig moest ik glimlachen.  De portier zwaaide naar me. Buiten stak ik mijn kaartje in de parkeerautomaat en betaalde één euro.  Met de gedachte: als er al een god is, waarom heeft hij mij dan verlaten, stapte ik in de auto en zette de radio aan.

PS

Het gaat nu goed met hem.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *