Mijn onweer deel 1 van deel 4

Mijn onweer deel 1 van deel 4

In 1960 verkocht mijn vader de melkzaak, omdat geen van de kinderen interesse had om hem over te nemen. Voor ons een zegen, want nu hoefden we in de schoolvakanties niet meer te venten en helpen met de winkel. Hierdoor konden we met vrienden uitjes maken naar het strand en zwemmen in het Noord-Hollands kanaal. Mijn oudste broer werkte in de zomervakantie bij een boer in de Boekelermeer bij Alkmaar. Daar was ik, nog, te jong voor.
In 1961 was ik 14 jaar geworden en ik mocht in de zomervakantie voor de eerste keer, samen met mijn oudere broer, bij de boer werken. Om zeven uur moesten we beginnen. Het eerste werk was meestal bloemkooldekken. De oude bladen op de kool optillen. Een vers blad van de plant trekken, die op de kool leggen en de oude bladeren daar weer op. Lekker werk voor je rug.

Soms begonnen we om vijf uur en dan werden de bloemkolen van het land gehaald voor de veiling. De boer kapte de kolen en wij brachten ze naar de verzamelplaats. Daar werd het teveel aan loof met een machete eraf gehakt en de bloemkolen in kisten gedaan. Die koolbladeren werden op een hoop gegooid. Mijn broer moest iets hebben aan de andere kant van de berg afval en vroeg aan mij, of ik het wilde pakken. Nietsvermoedend stapte ik op het verse groen om het te pakken. Meteen zakte ik tot mijn enkels in de rottende bladeren die onder de verse lagen. Wat een vreselijke stank kwam daar vanaf. In de sloot heb ik mijn voeten en sandalen afgespoeld. Een lol dat ze hadden. Bij de boer werkte Gerrit, een oude knecht. Prachtige verhalen over noodweer en andere avonturen die hij beleefd had, werden bij de koffie, in het West-Fries, door hem verteld.

Op een mooie dag waren we planten aan het zetten toen er, nog onzichtbaar, onweer in de atmosfeer verscheen want de boer riep: “Opschieten jongens, we krijgen onweer, de planten moeten voor die tijd in de grond.”
Zijn kennis van het weer werd door ons, geen seconde in twijfel getrokken, ook al was er van onweer nog niets te zien. De zon verdween langzaam in een steeds dikker wordende, licht oranje gekleurde deken. Geen van ons had zoiets ooit gezien. Bij het lugubere licht werkten we hard door. Nog twaalf regels, dan zat alles in de grond. De kleur van de lucht veranderde langzaam van oranje, naar groen. De dreiging van een naderend noodweer werd steeds sterker voelbaar en met nog anderhalve regel te gaan zei de boer: “Kom op, we gaan schuilen.”
Wij keken naar Gerrit. Als hij had gezegd: we kunnen nog wel even doorgaan, waren we doorgegaan, maar Gerrit knikte woordeloos en liep snel naar de trekker met de kar erachter.

Wordt vervolgd

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.