Mijn onweer laatste deel van deel 4

Mijn onweer laatste deel van deel 4

De eerste bliksem was verdacht dichtbij en we reden, met zijn vieren op de kar zittend, zo snel mogelijk naar de boerderij. De geit werd in zijn hok gedaan en de trekker in het schuurtje. We gingen naar binnen om de bui af te wachten. Gerrit vertelde uiteraard een sterk verhaal over een onweersbui waar hij in had gezeten. Hij zat met zijn rug naar het raam en ik tegenover hem. Buiten stond de laatste partij aardappelen, eerstelingen genaamd, te wachten op transport naar de veiling. Het onweer begon nu echt te razen en zelfs Gerrit werd er stil van. Boven het geluid van het onweer klonk nog een geluid, veel luguberder dan de donder. We keken elkaar aan en niemand van ons had een idee wat het zou kunnen zijn. Wat we wel wisten was, dat het snel dichterbij kwam. Ik keek naar buiten en zag aardappelkisten belachelijk langzaam omhooggaan en wegvliegen. Ik zei: “De lege kisten waaien weg.”
“Er staan geen lege kisten,” zei de boer, “dat kan niet.”
Hij draaide zich om naar het raam en inderdaad zagen we, uit de kisten, aardappelen door de lucht vliegen. Het geluid was nu oorverdovend en deed pijn aan mijn oren. In het land en in de sloot achter de aardappelkisten, begonnen kasramen met een houten frame neer te dalen. Gerrit werd grauw in zijn gezicht en stamelde: “Die zijn over de boerderij gevlogen, hoe kan dat in godsnaam?”
Voor we konden raden wat er aan de hand, verdween het. Het onweer trok langzaam verder en we gingen naar buiten om te kijken wat er allemaal gebeurd was. Bijna de hele partij aardappelen lag in de sloot en verspreid over de weg. We liepen naar de achterkant van de boerderij en zagen de dikke eikenboom, die in de tuin stond, geknakt op de grond liggen.
“Nu hoeven we niet meer de takken naar beneden te trekken voor de geit,” zei mijn broer.
Het witte mormel was gek op de bladeren en als wij naar binnen gingen om koffie te drinken, dan trokken we altijd een tak naar beneden, waar hij even van mocht eten.

“De geit,” riep ik een beetje in paniek, want ik zag een dikke tak op zijn ingestorte hok liggen.
We hoorde onze vriend, Sikkie, luid mekkeren dus hij leefde in ieder geval nog. Met het ingestorte dak vlak boven zijn kop en de vlijmscherpe zeis onder zijn keel, kon hij geen kant meer op. Voorzichtig bevrijdden we hem uit zijn ruïne. Hij liep direct naar de takken en begon, duidelijk genietend van zijn herwonnen vrijheid, van de eikenbladeren te eten. Het dak van het trekker schuurtje was eerst omhoog geblazen en daarna weer teruggevallen. In het midden was het doorgezakt en voorzichtig werd de, gelukkig onbeschadigde, trekker uit de schuur gereden. Verder was de schade beperkt tot een aantal dakpannen en ontwortelde bomen op het land. Bij de buren waren de grote deuren van de hooischuur, waar de wind op had gestaan, opengewaaid. De kleine zijdeuren waren door de druk ook opengegaan en hun hele boomgaard was, door de storm, volgehangen met plukken hooi. Ondanks de grote schade, was het een komisch gezicht. De storm was heel plaatselijk, want op het land, aan de overkant van de sloot, waren drie bomen omgewaaid, maar ons gammele gereedschap schuurtje stond nog fier overeind. De afstand tussen die twee was niet meer dan dertig meter. Gerrit moest toegeven, dat hij nog nooit, zulk zwaar weer had ‘meemaakt’.

Wil je de eerste van je vrienden zijn die dit deelt?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.